ECLI:NL:RBZWB:2026:1535

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
C/02/444450 / JE RK 26-153
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Maandag
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige wegens ernstige gezinsproblemen en conflicten

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2010, vanwege ernstige zorgen over haar gedrag en de gezinssituatie. De ouders zijn gescheiden maar woonden tot kort samen; er zijn langdurige ouderlijke conflicten en pedagogische onmacht. De vader is recent vertrokken vanwege terugkerende ruzies met de moeder. De relatie tussen de minderjarige en haar moeder is conflictueus met verbaal geweld, en een incident op 24 januari 2026 leidde tot fysieke agressie van de minderjarige jegens haar moeder, waarna zij tijdelijk elders werd geplaatst.

De spoedmachtiging tot uithuisplaatsing was reeds verleend van 27 januari tot 10 februari 2026. Tijdens de zitting op 6 februari 2026 bevestigden de ouders en de gecertificeerde instelling de noodzaak van voortzetting van de uithuisplaatsing. De moeder is bereid tot herstel en samenwerking, de vader steunt het verzoek en verwacht binnen acht weken woonruimte te hebben. De kinderrechter oordeelt dat terugkeer naar de ouders op dit moment niet in het belang van de minderjarige is vanwege de onrust en pedagogische zorgen.

De machtiging wordt daarom verlengd tot het einde van de ondertoezichtstelling op 28 maart 2026, met de verklaring van uitvoerbaarheid bij voorraad. De beslissing is genomen met het oog op het bieden van rust, stabiliteit en de mogelijkheid tot behandeling en ontwikkeling van de minderjarige, terwijl de ouders individueel aan verbetering van de situatie moeten werken.

Uitkomst: De kinderrechter verleent de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige tot het einde van de ondertoezichtstelling op 28 maart 2026.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/444450 / JE RK 26-153
Datum uitspraak: 6 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling (de GI),
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. B.P.A. van Beers uit Roosendaal,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. A. Koop-Van Vliet uit Breda.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van deze rechtbank van 27 januari 2026 en alle daarin genoemde stukken;
  • het bericht van mr. Koop-Van Vliet, ontvangen op 29 januari 2026.
1.2.
De zitting heeft, met gesloten deuren, plaatsgevonden op 6 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- twee vertegenwoordigers van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 28 maart 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld met ingang van 28 maart 2025 tot 28 maart 2026.
2.3.
Bij beschikking van 27 januari 2026 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend, met ingang van 27 januari 2026 tot 10 februari 2026.
2.4.
[minderjarige] verblijft op grond van voornoemde machtiging in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, te weten [locatie] van de [accommodatie] in [plaats] .
2.5.
Onder aanhouding van iedere verdere beslissing is bepaald dat de partijen op de onderhavige zitting over het verzoek zullen worden gehoord.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 28 maart 2026, en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

De GI
4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. [minderjarige] woonde met haar [broertje] bij haar ouders in [woonplaats] . De ouders gingen in 2013 uit elkaar, maar woonden tot voor kort nog samen. [minderjarige] heeft een belast verleden en er zijn zorgen over haar gedrag. Daarnaast bestaan al jarenlang ernstige zorgen over het gezinssysteem, met voortdurende ouderlijke conflicten en pedagogische onmacht. Vanwege terugkerende ruzies met de moeder heeft de vader sinds de kerstvakantie 2025 de woning verlaten. Hij is bij zijn moeder gaan wonen, de oma van vaderszijde van [minderjarige] . Net als tussen de ouders is ook de relatie tussen [minderjarige] en haar moeder conflictueus. Tussen hen vinden vaak conflicten plaats, waarbij veel verbaal geweld wordt gebruikt. Op 24 januari 2026 escaleerde het conflict zodanig dat [minderjarige] haar moeder heeft geschopt en geslagen. De moeder gaf aan dat [minderjarige] tijdelijk uit huis moest. [minderjarige] is toen tijdelijk bij haar oma aan vaderszijde gaan wonen, maar daar was onvoldoende ruimte. Daarom heeft [minderjarige] zelf gekozen om naar een open groep te gaan, omdat zij een eigen plek nodig heeft. Terugkeer naar de moeder was op dat moment niet mogelijk en opvang binnen het netwerk kon niet worden geregeld. Daarom was een spoedmachtiging noodzakelijk.
4.2.
Gezien de grote zorgen over de opvoedsituatie moet de komende periode duidelijk worden of [minderjarige] terug kan naar haar moeder of naar haar vader, en wat daarvoor nodig is. De GI acht het op dit moment niet in het belang van [minderjarige] om terug te keren naar haar moeder. De ouders zullen, net als [minderjarige] , individueel aan de slag moeten om de situatie te verbeteren. Van belang is dat patronen doorbroken moeten worden en dat de vader en de moeder ieder een eigen traject volgen. Mocht plaatsing bij een van de ouders niet passend zijn, dan moet worden onderzocht waar [minderjarige] tot haar meerderjarigheid kan opgroeien. Eerst is rust en stabiliteit nodig. Op de groep heeft zij nu die rust en stabiliteit en gaat ze weer naar dagbesteding. [minderjarige] ziet ook in dat haar zelfbepalende gedrag moet veranderen. Gezien deze omstandigheden verzoekt de GI om een machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De moeder
4.3.
Door en namens de moeder is, samengevat, het volgende aangegeven. De spoedmachtiging tot uithuisplaatsing is op goede gronden afgegeven. Er is de afgelopen tijd veel gebeurd in de thuissituatie, maar de moeder heeft inmiddels met [minderjarige] een gesprek gehad. Als [minderjarige] zich houdt aan de afspraken rondom dagbesteding, taakstraf en therapie, kan zij weer terug naar huis komen. Wel zullen er herstelgesprekken moeten plaatsvinden. De moeder wil graag dat [minderjarige] terug naar huis komt en geeft aan dat haar deur openstaat. Zij is ook bereid mee te werken aan MST. Zodra de vader een woning heeft, moeten er duidelijke afspraken over de omgangsregeling worden gemaakt. Volgens de moeder kan [minderjarige] weer naar huis terugkeren. Daarom verzoekt zij het resterende deel van het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing af te wijzen.
De vader
4.4.
Door en namens de vader is, samengevat, naar voren gebracht dat hij achter het verzoek van de GI staat. Hij is van mening dat de spoedmachtiging terecht is afgegeven. Ook de machtiging tot uithuisplaatsing is op dit moment noodzakelijk. De thuissituatie was lange tijd ongezond, met escalaties en een toxische sfeer. Het is positief dat de situatie nu tot rust is gekomen door de plaatsing van [minderjarige] in een groep, waar zij eerst behandeling kan krijgen. Er moet hulpverlening worden ingezet, zowel voor [minderjarige] als voor de ouders. De vader geeft aan binnen acht weken een woning beschikbaar te hebben. Het is zijn uitdrukkelijke wens dat [minderjarige] , zodra hij woonruimte heeft, bij hem komt wonen. Hij acht het niet in het belang van [minderjarige] om terug te keren naar de moeder. Er moet zorgvuldig worden gekeken welke woonplek het beste is voor [minderjarige] , ook met het oog op haar toekomst en volwassenheid. Gelet op het voorgaande stemt de vader in met het verzoek.

5.De beoordeling

Spoedbeslissing zonder horen
5.1.
Bij beschikking van 27 januari 2026 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend, met ingang van 27 januari 2026 tot 10 februari 2026, zonder voorafgaand verhoor van de ouders en [minderjarige] . De GI, de ouders en [minderjarige] zijn thans in de gelegenheid gesteld hun standpunt kenbaar te maken. Op de zitting zijn geen nieuwe feiten en/of omstandigheden gebleken die aanleiding geven tot herroeping van de eerder afgegeven spoedbeslissing met ingang van heden. Daarom wordt de spoedbeslissing van 27 januari 2026 in stand gelaten.
5.2.
Het resterende deel van het verzoek is aangehouden tot de zitting van 6 februari 2026.
Wettelijk kader
5.3.
Op basis van artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Inhoudelijke beoordeling
5.4.
Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting blijkt het volgende. [minderjarige] heeft een belast verleden en er zijn zorgen over haar gedrag. Daarnaast bestaan al jarenlang ernstige zorgen over het gezin, met voortdurende ouderlijke conflicten en pedagogische onmacht. [minderjarige] woonde met haar [broertje] bij haar ouders. Hoewel de ouders in 2013 uit elkaar zijn gegaan, woonden zij tot voor kort nog samen. Vanwege terugkerende ruzies met de moeder heeft de vader sinds de kerstvakantie 2025 de woning verlaten. Hij woont nu bij zijn moeder. Ook de relatie tussen [minderjarige] en haar moeder is conflictueus en er is veel verbaal geweld. Op 24 januari 2026 is een conflict zodanig geëscaleerd dat [minderjarige] uit huis moest. [minderjarige] ging toen kort bij haar oma aan vaderszijde wonen, maar daar was onvoldoende ruimte. Terugkeer naar haar moeder was toen niet mogelijk en opvang binnen het netwerk kon niet worden geregeld. Daarom was een spoedmachtiging noodzakelijk.
5.5.
Gezien de grote zorgen in het gezinssysteem acht de kinderrechter het in het belang van [minderjarige] dat zij blijft op de plek waar zij nu zit. Daar heeft zij de rust en structuur die nodig zijn voor haar ontwikkeling. Een terugkeer naar huis is nu niet mogelijk. De vader heeft nog geen woning en bij de moeder zijn nog zorgen over de opvoedsituatie. De komende periode moet duidelijk worden of [minderjarige] terug kan naar haar moeder of vader, en wat daarvoor nodig is. Zowel de ouders als [minderjarige] zullen individueel aan de slag moeten om de situatie te verbeteren. Als plaatsing bij een van de ouders niet mogelijk is, moet worden onderzocht waar [minderjarige] tot haar meerderjarigheid kan opgroeien.
5.6.
De kinderrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding. De machtiging tot uithuisplaatsing zal worden toegewezen voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 28 maart 2026.
5.7.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.8.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 10 februari 2026 tot 28 maart 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Krieken als griffier, en op schrift gesteld op 20 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.