ECLI:NL:RBZWB:2026:1573

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
BRE 25/3898
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet gegrond tegen afwijzing proceskostenvergoeding in WIA-herbeoordeling door UWV

Opposante, een (ex-)werkgever, had bij het UWV een aanvraag ingediend voor herbeoordeling van de arbeidsongeschiktheid van een werknemer. Omdat het UWV niet tijdig besliste, diende opposante een beroep in, dat zij later introk nadat het UWV alsnog een besluit nam.

De rechtbank had het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen omdat de gemachtigde geen geldige machtiging had overgelegd. In het verzet stelde opposante dat de gemachtigde wel bevoegd was namens de rechtspersoon op te treden. De rechtbank oordeelde dat het verzet gegrond is omdat uit handelsregisteruittreksels en machtiging blijkt dat de gemachtigde bevoegd was.

De eerdere uitspraak van 31 december 2025 vervalt, en de rechtbank hervat het onderzoek. Omdat het UWV alsnog een besluit heeft genomen, veroordeelt de rechtbank het UWV in de proceskosten van opposante, vastgesteld op €700,50. Het griffierecht van €385,00 wordt door het UWV vergoed zonder veroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter J.W. Ponds op 10 maart 2026.

Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard en het UWV wordt veroordeeld tot betaling van €700,50 aan proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/3898 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 maart 2026 op het verzet van

[(ex-)werkgever] B.V., uit Breda, opposante

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

uitspraak in de beroepszaak tussen

opposante, tevens verzoekster
(gemachtigde: [gemachtigde] )
en
De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van opposante gaat over de uitspraak van de rechtbank van 31 december 2025 waarin de rechtbank het verzoek om veroordeling van de proceskosten heeft afgewezen.
1.1.
Opposante heeft bij het UWV een aanvraag ingediend om herbeoordeling van de arbeidsongeschiktheid van een (ex-)werknemer van haar. Omdat het UWV niet op de aanvraag had beslist, heeft opposante een beroep niet tijdig beslissen bij de rechtbank ingediend. Opposante heeft dit beroep ingetrokken, omdat het UWV alsnog op de aanvraag heeft beslist.
1.2.
Opposante heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.

Beoordeling door de rechtbank van het verzet

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak eerst of in de uitspraak van 31 december 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [1] is dat het verzoek om proceskosten moet worden afgewezen. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

De uitspraak van 31 december 2025

4. In het beroepschrift staat “ [naam] ” vermeld als opdrachtgever. Daarvan uitgaande heeft de rechtbank – kort gezegd – geoordeeld dat de gestelde gemachtigde geen machtiging heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij bevoegd was om het beroep in te stellen namens “ [naam] ”. De rechtbank overweegt dat zij het beroepschrift niet-ontvankelijk zou moeten verklaren als het beroep niet was ingetrokken. De rechtbank heeft het verzoek om vergoeding van de proceskosten om die reden afgewezen.
Beschikt de gemachtigde over de juiste machtiging?
5. In het verzetschrift van 5 januari 2026 staat “ [(ex-)werkgever] B.V.” vermeld als opdrachtgever.
5.1.
De verzetsrechter overweegt dat uit de overgelegde uittreksels blijkt dat “ [naam] ” geen rechtspersoon is en dat kennelijk bedoeld is om (niet alleen het verzet, maar ook) het beroep in te dienen namens [(ex-)werkgever] B.V. Dat wordt bevestigd doordat het UWV in de beslissing op de aanvraag [(ex-)werkgever] B.V. noemt als (ex-)werkgever. Weliswaar was in de aanvraag en alle aanverwante stukken eveneens “ [naam] ” vermeld als opdrachtgever c.q. werkgever, maar klaarblijkelijk was het voor het UWV (wellicht door de combinatie met het loonheffingsnummer en/of de naam van de (ex-)werknemer) duidelijk dat het de rechtspersoon [(ex-)werkgever] B.V. betrof.
5.2.
Uit de (overigens ook al in beroep overgelegde) machtiging in combinatie met de uittreksels uit het handelsregister blijkt dat de gemachtigde bevoegd was om het beroep in te stellen namens [(ex-)werkgever] B.V. De verzetsgrond van opposante slaagt derhalve.
Conclusie over het verzet
6. Uit de beoordeling van de grond van het verzet volgt dat de rechtbank in de uitspraak van 31 december 2025 ten onrechte het verzoek om proceskostenvergoeding heeft afgewezen. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat die uitspraak vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die uitspraak werd gedaan.
7. De rechtbank is van oordeel dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de beroepszaak, terwijl bovendien in evidente gevallen buiten zitting uitspraak kan worden gedaan op een verzoek om een proceskostenveroordeling. [2] De rechtbank doet daarom niet alleen uitspraak op het verzet, maar ook op het beroep. [3]

Beoordeling door de rechtbank van het beroep

8. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [4]
9. Naar het oordeel van de rechtbank is het UWV aan verzoekster tegemoetgekomen door alsnog een besluit te nemen. Hierin ziet de rechtbank aanleiding om het UWV te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten.

Proceskostenveroordeling in verzet en beroep

10. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 700,50 omdat de gemachtigde van verzoekster/opposante een beroepschrift en een verzetschrift heeft ingediend (1,5 punt met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).
11. De rechtbank overweegt ten overvloede dat het UWV op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb het griffierecht van € 385,00 aan verzoekster dient te vergoeden, zodat een veroordeling daartoe niet nodig is.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het verzet gegrond;
- veroordeelt het UWV in de proceskosten van verzoekster/opposante tot een bedrag van € 700,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van L.J. Sijtsma, griffier, op 10 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat voor zover daarbij is beslist op het verzet geen hoger beroep of verzet open.
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Tweede NvW bij Leemtewet Awb, Kamerstuk 23780, 6, p. 2).
3.Artikel 8:55, tiende lid, van de Awb maakt dat mogelijk.
4.Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).