Opposante, een (ex-)werkgever, had bij het UWV een aanvraag ingediend voor herbeoordeling van de arbeidsongeschiktheid van een werknemer. Omdat het UWV niet tijdig besliste, diende opposante een beroep in, dat zij later introk nadat het UWV alsnog een besluit nam.
De rechtbank had het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen omdat de gemachtigde geen geldige machtiging had overgelegd. In het verzet stelde opposante dat de gemachtigde wel bevoegd was namens de rechtspersoon op te treden. De rechtbank oordeelde dat het verzet gegrond is omdat uit handelsregisteruittreksels en machtiging blijkt dat de gemachtigde bevoegd was.
De eerdere uitspraak van 31 december 2025 vervalt, en de rechtbank hervat het onderzoek. Omdat het UWV alsnog een besluit heeft genomen, veroordeelt de rechtbank het UWV in de proceskosten van opposante, vastgesteld op €700,50. Het griffierecht van €385,00 wordt door het UWV vergoed zonder veroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter J.W. Ponds op 10 maart 2026.