ECLI:NL:RBZWB:2026:1574

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
BRE 24/4237 ZW
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:32 AwbArt. 19 ZWArt. 19aa ZWArt. 19ab ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging Ziektewetuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Eiser was arbeidsongeschikt en ontving een Ziektewetuitkering, die het UWV op 18 september 2023 beëindigde. Eiser maakte bezwaar en stelde beroep in tegen deze beslissing. De rechtbank beoordeelde of het UWV de medische beperkingen van eiser juist had vastgesteld en of de functies die ten grondslag lagen aan de berekening van zijn verdiencapaciteit passend waren.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) had het dossier bestudeerd, eiser onderzocht en aanvullende informatie opgevraagd. De beperkingen werden passend geacht en er was geen aanleiding voor een urenbeperking. Eiser voerde aan dat zijn beperkingen onderschat waren vanwege taalbarrières en verzocht om een onafhankelijk deskundige, maar de rechtbank vond het onderzoek zorgvuldig en gemotiveerd.

De arbeidsdeskundige b&b had geschikte functies geselecteerd die eiser met zijn beperkingen kon verrichten. Op basis hiervan concludeerde het UWV dat eiser ten minste 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen, waardoor het recht op ZW-uitkering vervalt. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees verzoeken om schadevergoeding en griffierecht af.

Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van de Ziektewetuitkering wordt ongegrond verklaard en de uitkering wordt terecht beëindigd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats: Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/4237 ZW

uitspraak van 10 maart 2026 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,

gemachtigde: mr. F. Ergec,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(UWV; kantoor Breda), verweerder.
Als derde partij neemt aan het geding deel:
[ex-werkgever] B.V., uit [plaats] , ex-werkgever van eiser,
gemachtigde: [gemachtigde 1] .

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van de uitkering van eiser op grond van de Ziektewet (ZW). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV terecht de ZW-uitkering heeft beëindigd.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV de ZW-uitkering van eiser terecht heeft beëindigd. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Feiten en omstandigheden

2. Eiser is werkzaam geweest als orderpicker/ompakker bij ex-werkgever. Voor dat werk is hij uitgevallen op 26 juli 2022. Op 10 april 2023 is eiser ziek uit dienst gegaan.

Procesverloop

3. Het UWV heeft met het besluit van 17 augustus 2023 (primair besluit) aan eiser meegedeeld dat zijn ZW-uitkering met ingang van 18 september 2023 wordt beëindigd. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 3 mei 2024 is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
3.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3.2.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3.3.
Eiser heeft geen toestemming verleend voor kennisneming van de stukken die medische gegevens bevatten door ex-werkgever. In de beslissingen van 9 december 2025 en 17 februari 2026 heeft de rechtbank, onder toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), bepaald dat kennisneming van de in die beslissingen genoemde stukken voorbehouden is aan een gemachtigde die advocaat of arts is dan wel daarvoor bijzondere toestemming heeft gekregen van de rechtbank.
Omdat eiser geen toestemming heeft gegeven om medische gegevens aan ex-werkgever te verstrekken, zal in deze uitspraak geen melding worden gemaakt van specifieke op eiser betrekking hebbende medische gegevens.
3.4.
De rechtbank heeft het beroep op 18 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam] als tolk en [gemachtigde 2] namens het UWV. De ex-werkgever heeft zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Wettelijk kader
4. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Toetsingskader
5. Bij de beoordeling of het bestreden besluit juist is, is van belang of eiser medische beperkingen heeft en of hij daardoor geheel of gedeeltelijk niet meer in staat is met arbeid inkomsten te verwerven.
5.1.
Niet in geschil is dat eiser 52 weken arbeidsongeschikt is geweest. Dit betekent dat het UWV terecht heeft beoordeeld of eiser in staat is met algemeen geaccepteerde arbeid meer dan 65% van zijn maatmaninkomen te verdienen. Bij een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35% bestaat er geen recht meer op een ZW-uitkering.
Zijn de beperkingen juist vastgesteld?
6. Het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de medische beoordeling, is gebaseerd op een rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) van het UWV.
6.1.
De verzekeringsarts b&b heeft het dossier bestudeerd, eiser op een spreekuur gesproken en aanvullende informatie opgevraagd bij zijn behandelaars. De verzekeringsarts b&b heeft zich aangesloten bij de overwegingen van de primaire arts. De aangenomen fysieke beperkingen zijn passend bij de aard en mate van de aandoeningen. Eiser is bekend met diverse aandoeningen
.Uit de hoorzitting blijkt dat er geen aandoeningen gemist zijn. Ook worden de aandoeningen bevestigd in de medische informatie. Er wordt rekening gehouden met het feit dat eiser aangewezen is op fysiek lichte arbeid. Voor een beperking ten aanzien van zitten is geen aanleiding. Uit de hoorzitting blijkt dat eiser veel zit gedurende de dag. Ook kan eiser tijdens de hoorzitting blijven zitten en is er geen noodzaak om te gaan staan. Er is ruim voldoende rekening gehouden bij het aannemen van de fysieke beperkingen ten aanzien van trillingsbelasting, duwen/trekken, tillen en dragen, lopen en staan. Ook is er geen aanleiding voor aanvullende beperkingen, omdat al rekening is gehouden met het feit dat eiser aangewezen is op fysiek licht arbeid. Voor aanvullende beperkingen in persoonlijk en sociaal functioneren is geen aanleiding.
Vanuit verzekeringsgeneeskundig oogpunt bezien is er per datum in geding geen reden voor het stellen van een urenbeperking buiten de reeds gestelde beperkingen. Wanneer eiser werkt in passende arbeid, rekening houdende met de aangenomen beperkingen, is er geen reden te veronderstellen dat hij dit niet gedurende 8 uur per dag zou kunnen volhouden.
De verzekeringsarts b&b concludeert dat de belastbaarheid van eiser op de datum in geding, te weten 18 september 2023, juist is weergegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst van 22 juni 2023.
6.2.
Eiser heeft tegen het medisch oordeel van het UWV aangevoerd dat van belang is dat hij tijdens de bezwaarprocedure aanvullende informatie heeft ingebracht van zijn behandelaars. Het is kenmerkend dat deze informatie op geen enkele wijze leidt tot een wijziging van de FML, omdat door de primaire arts geen enkele informatie is opgevraagd bij de behandelende sector. De aandoeningen van eiser zijn weliswaar terug te vinden in de medische rapportage, echter de vertaling van de beperkingen die hierbij behoren, die veelvuldig en in ernstige mate aanwezig zijn, worden vooral teniet gedaan op grond van het feit dat eiser wegens een taalbarrière de klachten wellicht in onvoldoende mate uiteen kan zetten bij de behandelende sector en deze op grond daarvan minder ernstig worden aangenomen door de bezwaarverzekeringsarts b&b dan deze aanwezig zijn. Eiser meent dat er verdere beperkingen vastgesteld moeten worden waaronder een urenbeperking. Hij heeft verder verzocht om een onafhankelijk deskundige te benoemen.
6.3.
Naar het oordeel van de rechtbank is het onderzoek van het UWV voldoende zorgvuldig geweest. De klachten van eiser worden in de medische rapportages benoemd en de aanwezige medische informatie wordt uitgebreid weergegeven. Eiser is zowel door de primaire arts als de verzekeringsarts b&b in persoon gezien. De verzekeringsarts b&b heeft verder aanvullende medische informatie opgevraagd. De rechtbank is niet gebleken dat de beperkingen van eiser zijn onderschat. Bij de opstelling van de FML is met het geobjectiveerde deel van de klachten rekening gehouden. Eiser heeft geen gegevens overgelegd waaruit blijkt dat hij zwaarder moet worden beperkt. De rechtbank merkt daarbij op dat eiser ter zitting heeft aangegeven dat de behandelaar heeft afgezien van de mogelijke operatie die in de brief van 16 januari 2025 werd benoemd en heeft gekozen voor een ander behandelplan. Er is ook voldoende gemotiveerd waarom geen urenbeperking wordt aangenomen. Uit het dossier blijkt namelijk niet dat sprake is van een preventieve, beschikbaarheids- of energetische indicatie.
Dat eiser inmiddels in het kader van de ZW voorschotten ontvangt, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Partijen hebben namelijk ter zitting niet kunnen aangeven waarom eiser wederom een ZW-uitkering zou ontvangen.
De stelling van eiser dat hij de klachten wellicht in onvoldoende mate uiteen kan zetten en daarom als minder ernstig worden aangenomen, volgt de rechtbank niet. De verzekeringsarts b&b heeft voldoende gemotiveerd waarom de taalbarrière geen aanleiding vormt om tot een ander oordeel te komen. Er was tijdens de onderzoeken door de arts en verzekeringsarts b&b een beëdigd tolk aanwezig en de conclusies van de behandelaren zijn mede gebaseerd op geobjectiveerde medische informatie.
Voor de verdere beoordeling gaat de rechtbank uit van de belastbaarheid die is neergelegd in de FML van 22 juni 2023. Voor het benoemen van een deskundige ziet de rechtbank geen aanleiding.
Zijn de aan de schatting ten grondslag gelegde functies geschikt?
7. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (arbeidsdeskundige b&b) van het UWV heeft, rekening houdend met de vastgestelde FML, de volgende functies ten grondslag gelegd aan de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid: Naaister A fabrikant zitmeubelen (SBC-code 111160), Elektrotechnisch medewerker assemblagebedrijf (SBC-code 267071) en Montagemedewerker bestukker (SBC-code 111180).
In de resultaat functiebeoordeling heeft de arbeidsdeskundige b&b gemotiveerd waarom de geduide functies geschikt worden bevonden ondanks de geconstateerde signaleringen.
7.1.
De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de medische geschiktheid van de geselecteerde functies. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de arbeidsdeskundige b&b inzichtelijk gemotiveerd dat, uitgaande van de vastgestelde beperkingen, eiser de werkzaamheden kan verrichten die verbonden zijn aan deze functies. Voor zover eisers stelling dat hij niet in staat is de geduide functies te verrichten voortvloeit uit zijn opvatting dat zijn medische beperkingen zijn onderschat, overweegt de rechtbank dat die opvatting gelet op overweging 6.3 niet wordt gevolgd. De hiervoor genoemde functies mochten dan ook worden gebruikt voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid.
Is de mate van arbeidsongeschiktheid juist vastgesteld?
8. Op basis van de inkomsten die eiser met de geduide functies zou kunnen verdienen, heeft het UWV een berekening gemaakt die leidt tot de conclusie dat eiser tenminste 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen. Gelet hierop heeft het UWV de ZW-uitkering terecht beëindigd per 18 september 2023.

Conclusie

9. Het beroep is ongegrond. Omdat het beroep ongegrond wordt verklaard, krijgt eiser geen proceskostenvergoeding en is er geen grond voor toekenning van schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente. Ook krijgt eiser het griffierecht niet vergoed.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van C.M.A. Groenendaal, griffier, op 10 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage wettelijk kader

De verzekerde die ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek heeft recht op ziekengeld (artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW).
Naar vaste rechtspraak wordt onder het begrip ‘zijn arbeid’ verstaan de arbeid die de verzekerde het laatst voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid heeft verricht.
Als een verzekerde geen werkgever (meer) heeft en 52 weken arbeidsongeschikt is geweest heeft deze recht op ziekengeld als hij:
- ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid, als bedoeld in artikel 19 én
- slechts in staat is ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur met algemeen geaccepteerde arbeid waartoe hij met zijn krachten en bekwaamheden in staat is (artikel 19aa, eerste lid, en artikel 19ab, derde lid, van de ZW).
De mate van arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek (artikel 19ab, eerste lid, van de ZW).