ECLI:NL:RBZWB:2026:1584

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
C/02/442934 / KG ZA 25-669
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Hendriks
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige schorsing omgangsregeling en gelasten raadsonderzoek in zorg- en omgangsregeling minderjarige kinderen

Partijen, voormalig gehuwd, hebben twee minderjarige kinderen. Na de echtscheiding is een ouderschapsplan overeengekomen met een omgangsregeling waarbij de kinderen om het weekend bij de man verblijven. De man vordert nakoming van deze regeling, terwijl de vrouw verweer voert en schorsing van de omgang vordert vanwege zorgen over mishandeling en veiligheid van de kinderen.

De vrouw baseert haar vordering op vermoedens van mishandeling en gedragsproblemen bij de kinderen, ondersteund door hulpverleningsinstanties. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert aanvullend onderzoek vanwege ontbrekende informatie en zorgen over de veiligheid en het welzijn van de kinderen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de kort gedingprocedure onvoldoende is voor een belangenafweging en wijst op de reeds lopende bodemprocedure. De omgangsregeling met een van de kinderen wordt voorlopig geschorst, terwijl de zorgregeling met het andere kind wordt hervat onder strikte voorwaarden. De Raad wordt verzocht een onderzoek te verrichten en advies uit te brengen voor de bodemprocedure.

De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De beslissing wordt aan het betrokken kind teruggekoppeld door de voorzieningenrechter.

Uitkomst: De omgangsregeling met een van de minderjarige kinderen wordt voorlopig geschorst en de zorgregeling met het andere kind hervat, met gelast onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND -WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
zaaknummer / rolnummer: C/02/442934 / KG ZA 25-669
Vonnis in kort geding van 4 februari 2026
in de zaak van
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat: mr. S.J.M.P. Hoppers te Horst,
tegen
[de vrouw] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat: mr. M.C.M.E. Schijvenaars te Vlissingen.
Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie;
- de brief met bijlagen van mr. Hoppers van 20 januari 2026.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarige en/of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.
1.3.
Tijdens de mondelinge behandeling zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Daarnaast is verschenen een zittingsvertegenwoordiger namens de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen de Raad, om de voorzieningenrechter over de vorderingen te adviseren.
1.4.
Voor deze mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter met [minderjarige 1] gesproken over de vordering.
1.5.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn gehuwd geweest. Uit dit huwelijk is het navolgende thans nog minderjarige kind geboren:
-
[minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2018.
2.2.
[minderjarige 2] verblijft bij de vrouw. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag
over [minderjarige 2] .
2.3.
Tot het gezin van partijen behoorde tijdens het huwelijk tevens het navolgende
minderjarige kind van de vrouw:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 2] 2015 te [geboorteplaats] . De vrouw oefent van rechtswege het eenhoofdig ouderlijk gezag over hem uit.
2.4.
Partijen hebben op 12 februari 2025 een (aanvullend) ouderschapsplan met elkaar gesloten waarin zij – onder meer – zijn overeengekomen dat de minderjarigen één weekend per veertien dagen van zaterdagochtend tot zondagmiddag bij de man verblijven.
2.5.
Bij beschikking van 3 juli 2025 is bepaald dat het op 12 februari 2025 door partijen ondertekende aanvullend ouderschapsplan deel uitmaakt van deze beschikking.

3.Het geschil in conventie en reconventie

3.1.
De man vordert in conventie bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- te bepalen dat de vrouw gehouden is tot nakoming van de beschikking van de rechtbank [plaats 2] -West-Brabant, locatie Middelburg van 3 juli 2025 met zaak- en rekestnummer: C/02/432203 / FA RK 25-917, zulks op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag of deel daarvan dat de vrouw hieraan geen gevolg geeft, dit met een maximum van € 25.000,-, dan wel een andere voorziening te treffen de rechtbank in goede justitie vermeent te moeten behoren;
3.2.
Door en namens de man is daartoe in de stukken en tijdens de mondelinge behandeling, kort samengevat, het navolgende aangevoerd. Na de echtscheiding hebben partijen geprobeerd afspraken te maken over de kinderen. In 2022 is de vrouw na een vermeende mishandeling naar een opvang vertrokken met de kinderen en zonder toestemming van de man naar [plaats 2] verhuisd. Ook is de man beschuldigd van seksueel misbruik van [minderjarige 2] , maar deze zaak is geseponeerd. De man heeft moeten vechten om zijn kinderen weer te mogen zien. Op 12 februari 2025 hebben partijen een aanvullend ouderschapsplan met elkaar gesloten waarin ze een weekendregeling hebben vastgelegd. Partijen hadden een goede verstandhouding met elkaar, zelfs zo goed dat de man in de zomer van 2025 nog een gedeelte van de zomer bij de vrouw en kinderen in [plaats 2] doorgebracht heeft. Aan de goede verstandhouding kwam een einde toen de man een nieuwe relatie kreeg. Ook nu beschuldigt de vrouw hem van vermeende mishandeling en hier is nu aangifte van gedaan. De man heeft nu geen contact meer met de kinderen. Er vindt wel nog een wekelijks videobelmoment plaats maar die verloopt allesbehalve goed. [minderjarige 1] neemt ook niet meer deel aan die videobelmomenten. Voor de man zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] even belangrijk. De man wil de kinderen heel graag weer zien en vordert daarom nakoming van de zorgregeling op straffe van verbeurte van een dwangsom.
3.3.
De vrouw voert verweer tegen de vorderingen van de man in conventie en concludeert tot afwijzing van die vorderingen.
In reconventie vordert de vrouw bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
- te bepalen dat de bij beschikking van 3 juli 2025 door de rechtbank bekrachtigde
zorg-/omgangsregeling wordt opgeschort.
3.4.
Ter onderbouwing van haar verweer en vorderingen voert de vrouw, kort samengevat, het navolgende aan. De vrouw en [minderjarige 1] zijn tijdens de relatie van partijen door de man mishandeld. Dit vormde destijds voor de vrouw aanleiding om haar toevlucht te zoeken tot de vrouwenopvang. De problemen deden zich vooral voor als de man drugs had gebruikt. [minderjarige 1] lijdt aan autisme en ADHD waarvoor hij onder behandeling is bij [behandelcentrum] . [minderjarige 2] is daar ook onder behandeling omdat bij haar ADHD is vastgesteld. De vrouw ontvangt opvoedkundige ondersteuning van [hulpverlening] . In de zomer van 2024 gaf [minderjarige 1] bij de vrouw aan dat hij is geslagen door oma vaderszijde. Bij [behandelcentrum] heeft [minderjarige 1] ook aangegeven mishandeld te zijn door de man. Ook school merkte onrust bij [minderjarige 1] voorafgaand aan een omgangsweekend. In november 2025 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen de vrouw, [hulpverlening] , [behandelcentrum] en het CJG. Zij gaven de vrouw te kennen dat ze iets moest veranderen aan de zorgregeling. [minderjarige 1] heeft op school aangegeven dat hij bang is dat hij door zijn vader ontvoerd wordt. De man wil het gesprek met de vrouw niet aan en ontkent de beschuldigingen. Op 26 november 2025 heeft de vrouw een melding gemaakt bij de politie over de geuite zorgen. [minderjarige 2] heeft contact via videobellen met de man en [minderjarige 1] helemaal niet meer. [minderjarige 1] ervaart rust nu hij geen contact heeft en zegt dat [minderjarige 2] het gouden kind en is en hij het houten kind. De vrouw geeft desgevraagd aan dat zij zich met name zorgen maakt over de veiligheid van [minderjarige 1] bij de man. Over de veiligheid van [minderjarige 2] bij de man maakt de vrouw zich minder zorgen. De vrouw vindt het nodig dat de Raad opnieuw onderzoek doen. De vrouw zal een bodemprocedure starten waarin ze eveneens schorsing van de omgang zal verzoeken.
3.5.
Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4.De beoordeling in conventie en in reconventie

4.1.
Op grond van de gedingstukken en de toelichting door partijen tijdens de mondelinge behandeling staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van de man bij zijn vorderingen vast.
4.2.
De Raad heeft tijdens de mondelinge behandeling, kort samengevat, naar voren gebracht dat de Raad geen concreet advies kan geven over de omgang omdat er veel informatie ontbreekt. De Raad maakt zich zorgen maakt over de uitlatingen die de kinderen hebben gedaan. De Raad vindt het jammer dat er geen verslagen zijn ingebracht van de gesprekken die de vrouw met de hulpverlening heeft gehad over de zorgen en het, al dan niet tijdelijk, stopzetten van de omgang. De Raad had een NICHD-gesprek naar aanleiding van de geuite zorgen wel passend gevonden. De Raad kan ook niet beoordelen waar de spanning en angst die [minderjarige 1] ervaart rondom contact met de man vandaan komt. Dat kan zijn omdat hij het contact lastig vindt of omdat er daadwerkelijk iets is gebeurd tussen de man en [minderjarige 1] . De Raad vraagt zich af welke vorm van omgang tussen de man en de kinderen momenteel wel mogelijk is. De Raad ziet een patroon tussen de ouders omdat deze situatie zich een aantal jaar geleden al heeft voorgedaan. Het is belangrijk dat er zicht komt op de situatie en de zorgen, ook vanuit de hulpverlening, om te voorkomen dat dit patroon zich blijft voortzetten. De Raad vindt het nodig om aanvullend onderzoek te doen en biedt dat ook aan. Voor de tussenliggende periode vindt de Raad het belangrijk dat gekeken wordt of er contactherstel kan plaatsvinden tussen de man en de kinderen en zo ja, op welke wijze. De Raad kan zich daarbij voorstellen dat daarbij onderscheid wordt gemaakt tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , nu [minderjarige 2] minder spanning ervaart rondom contact met de man. Als [minderjarige 2] uitstraalt dat zij positief contact heeft met de man dan kan dat ook zijn weerslag op [minderjarige 1] hebben. Ook de videobelmomenten kunnen wat de Raad betreft door blijven gaan.
Onderzoek door de Raad
4.3.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. De voorzieningenrechter heeft partijen tijdens de mondelinge behandeling voorgehouden op dit moment te weinig informatie te hebben om een gedegen beslissing te kunnen nemen op de vorderingen over en weer. Er zijn zorgen rondom de uitlatingen die [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben gedaan over de omgang met de man en [minderjarige 1] laat, ook in het gesprek dat hij met de kinderrechter heeft gevoerd, ernstige weerstand tegen contact met de man en angst voor de man zien. Ook de aard van het geweld dat [minderjarige 1] beschrijft (slaan met een laminaatplank) baart de kinderrechter zorgen en moet naar het oordeel van de kinderrechter worden onderzocht. De voorzieningenrechter is van oordeel dat aan de hand van nader onderzoek een belangenafweging moet plaatsvinden. Deze kort gedingprocedure leent zich hier niet voor. Een dergelijke belangenafweging dient in een bodemprocedure plaats te vinden. De voorzieningenrechter heeft ambtshalve geconstateerd dat er tussen partijen reeds een bodemprocedure aanhangig is en wel met zaak- en rekestnummer C/02/44272 / FA RK 26-361. De voorzieningenrechter zal de Raad verzoeken om ten behoeve van deze bodemprocedure een onderzoek te doen naar de volgende vragen:
- Welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door de ouders past het beste bij de belangen van [minderjarige 2] ?
Hoe moet die regeling eruit gaan zien (aard, duur en frequentie)?
- Welke omgangsregeling tussen de man en [minderjarige 1] past het beste bij de belangen van [minderjarige 1] ?
- Hoe moet die regeling eruit gaan zien?
- Zijn er contra-indicaties voor omgang en zo ja, welke?
- In hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen; hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn?
De voorzieningenrechter verzoekt partijen in de reeds aanhangige bodemprocedure melding te maken van voornoemd onderzoek door de Raad.
Zorgregeling
4.4.
Na een korte schorsing van de mondelinge behandeling zijn partijen overeengekomen dat, totdat in de bodemprocedure een beslissing zal zijn genomen over de omgang, de omgangsregeling tussen de man en [minderjarige 1]
voorlopigwordt geschorst en de zorgregeling tussen de man en [minderjarige 2] met ingang van het weekend van 24 januari 2026
voorlopigweer zal worden hervat. De vrouw zal, in het bijzijn van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] op zaterdag om 11:30 uur op het station in [plaats 1] brengen waar de man [minderjarige 2] komt ophalen. Op zondag brengt de man [minderjarige 2] weer terug op het station in [plaats 1] en haalt de vrouw haar daar, in het bijzijn van [minderjarige 1] , op. Het tijdstip spreken partijen in onderling overleg af. In het weekend van 7 februari 2026 zullen partijen in aanvulling op de reguliere zorgregeling tussen de man en [minderjarige 2] , voorafgaand aan de overdracht op zaterdag om 11:30 uur, gezamenlijk met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een koffiemoment houden op het station in [plaats 1] . Hierna zal de man [minderjarige 2] meenemen voor het omgangsweekend en haar op zondag, op een tijdstip dat partijen in onderling overleg met elkaar afstemmen, weer op het station in [plaats 1] brengt alwaar de vrouw [minderjarige 2] , samen met [minderjarige 1] , op komt halen.
4.5.
De voorzieningenrechter acht de tussen partijen gemaakte afspraken in het belang van partijen en de kinderen en zal deze dan ook op onderstaande wijze vastleggen. Tijdens de mondelinge behandeling is met partijen besproken dat hun oorspronkelijke vorderingen als dienovereenkomstig gewijzigd worden beschouwd.
4.6.
Gelet op de relatie die tussen partijen heeft bestaan, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Terugkoppeling aan [minderjarige 1]
4.7.
Tijdens de mondelinge behandeling zijn partijen overeengekomen dat de voorzieningenrechter voornoemde beslissing in een gesprek aan [minderjarige 1] zal terugkoppelen. De voorzieningenrechter heeft na de mondelinge behandeling een gesprek met [minderjarige 1] gehad en daarin haar beslissing aan [minderjarige 1] uitgelegd.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
bepaalt dat de omgangsregeling tussen de man en [minderjarige 1]
voorlopigwordt geschorst en dat de man en [minderjarige 2] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
voorlopigrecht hebben op contact met elkaar op de wijze zoals in r.o. 4.4 is omschreven;
5.2.
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Middelburg, om ten behoeve van de bodemprocedure met zaak-/rekestnummer C/02/444272 / FA RK 26-361 een onderzoek te (doen) verrichten en vervolgens rapport en advies uit te brengen ter beantwoording van de hierboven in r.o. 4.3 vermelde vragen, welk rapport tijdig voorafgaand aan de mondelinge behandeling dient te worden ingebracht in bovengenoemde bodemprocedure;
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. Hendriks, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026 in tegenwoordigheid van mr. Duerink-Bottinga, griffier.