Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND -WEST-BRABANT
1.De procedure
2.De feiten
[minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2018.
3.Het geschil in conventie en reconventie
4.De beoordeling in conventie en in reconventie
voorlopigwordt geschorst en de zorgregeling tussen de man en [minderjarige 2] met ingang van het weekend van 24 januari 2026
voorlopigweer zal worden hervat. De vrouw zal, in het bijzijn van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] op zaterdag om 11:30 uur op het station in [plaats 1] brengen waar de man [minderjarige 2] komt ophalen. Op zondag brengt de man [minderjarige 2] weer terug op het station in [plaats 1] en haalt de vrouw haar daar, in het bijzijn van [minderjarige 1] , op. Het tijdstip spreken partijen in onderling overleg af. In het weekend van 7 februari 2026 zullen partijen in aanvulling op de reguliere zorgregeling tussen de man en [minderjarige 2] , voorafgaand aan de overdracht op zaterdag om 11:30 uur, gezamenlijk met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een koffiemoment houden op het station in [plaats 1] . Hierna zal de man [minderjarige 2] meenemen voor het omgangsweekend en haar op zondag, op een tijdstip dat partijen in onderling overleg met elkaar afstemmen, weer op het station in [plaats 1] brengt alwaar de vrouw [minderjarige 2] , samen met [minderjarige 1] , op komt halen.
5.De beslissing
voorlopigwordt geschorst en dat de man en [minderjarige 2] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
voorlopigrecht hebben op contact met elkaar op de wijze zoals in r.o. 4.4 is omschreven;