Op 16 januari 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in de zaak tussen eiseres en het UWV. Eiseres had beroep ingesteld omdat het UWV niet tijdig had beslist op haar bezwaar tegen een besluit van 12 september 2024, waarin een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) was toegekend. De rechtbank oordeelde dat het beroep kennelijk gegrond was, aangezien het UWV de beslistermijn had overschreden. Eiseres had het UWV op 4 april 2025 in gebreke gesteld, en het UWV had deze ingebrekestelling op 8 april 2025 ontvangen. De rechtbank bepaalde dat het UWV binnen vier maanden na de uitspraak alsnog een besluit moest nemen en legde een dwangsom op van € 100,- per dag voor elke dag dat de beslistermijn werd overschreden, met een maximum van € 15.000,-. Eiseres kreeg ook een vergoeding voor haar proceskosten van € 467,-. De rechtbank oordeelde dat het UWV het griffierecht van € 53,- aan eiseres moest vergoeden. De uitspraak werd openbaar gemaakt op 16 januari 2026.