ECLI:NL:RBZWB:2026:1592

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
BRE 25/3167
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 OwArt. 5.18 OwArt. 8.0a BklArt. 7 AwbArt. 8:51a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over herstel gebrekkige motivering omgevingsvergunning bandenservicebedrijf

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde het beroep van eisers tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Hulst om een omgevingsvergunning te verlenen aan een bandenservicebedrijf gevestigd in een loods op een agrarisch perceel. Eisers voerden onder meer strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, motiveringsbeginsel en rechtszekerheidsbeginsel aan.

De rechtbank oordeelde dat het horen door de wethouder in bezwaar niet onrechtmatig was en dat het college de vergunning terecht had verleend op grond van het bestemmingsplan en de lijst Nieuwe Economische Dragers. Wel stelde de rechtbank vast dat in de aanvraag en het besluit onvoldoende is toegelicht dat het bandenservicebedrijf een nevenactiviteit is naast een agrarische hoofdactiviteit, zoals vereist volgens het bestemmingsplan.

Daarom kleefde aan het besluit een gebrek in de motivering. De rechtbank gaf het college de mogelijkheid dit gebrek te herstellen door de vergunninghouder in de gelegenheid te stellen de aanvraag schriftelijk aan te vullen met een toelichting op de agrarische hoofdactiviteit en de omvang daarvan. De procedure wordt aangehouden totdat het college hierop heeft gereageerd. Over proceskosten wordt nog niet beslist.

Uitkomst: De rechtbank stelt het college in de gelegenheid het gebrek in de motivering van de omgevingsvergunning te herstellen door nadere toelichting op de agrarische hoofdactiviteit.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/3167

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 maart 2026 in de zaak tussen

[eisers] , uit [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: mr. K.G.A.P. Boemaars),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hulst, het college.

Als derde-partijen hebben deelgenomen: [derde-partij] B.V. ( [derde-partij] ) en [zoon van eisers] , uit [woonplaats] .

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college om een omgevingsvergunning te verlenen aan [derde-partij] voor het uitvoeren van een bandenservicebedrijf aan de [adres] . Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college de omgevingsvergunning mocht verlenen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de door het college verleende omgevingsvergunning een gebrek vertoont en stelt het college in de gelegenheid dit gebrek te herstellen. Eisers krijgen dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 9 mei 2025 op het bezwaar van eisers heeft het college de aan [derde-partij] verleende omgevingsvergunning in stand gelaten.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 30 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] namens het college. Namens de derde-partij verschijnen [vertegenwoordiger 1] , [vertegenwoordiger 2] en [zoon van eisers] .

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. [derde-partij] is een bandenservicebedrijf gevestigd aan de [adres] . Dit bedrijf is gevestigd in een bestaande loods van het agrarisch bedrijf van [zoon van eisers] .
3.1.
Toezichthouders hebben op 3 juli 2024 vanwege een klacht een controle uitgevoerd bij [derde-partij] . Naar aanleiding van deze controle heeft het college met een brief aan [derde-partij] medegedeeld dat de activiteiten als bandenservicebedrijf niet rechtstreeks overeenkomen met het ter plaatse geldende bestemmingsplan.
3.2.
Op 7 oktober 2024 heeft [derde-partij] een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend bij het college om dit gebruik te legaliseren.
3.3.
Met het besluit van 16 december 2024, verzonden op 19 december 2024 (primaire besluit) heeft het college een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit van het uitvoeren van een bandenservicebedrijf verleend op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet.
3.4.
Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Eisers wonen op het adres [adres] . Hun woning is gelegen op hetzelfde perceel als [derde-partij] .
3.5.
Op 22 april 2025 heeft een hoorzitting bij het college plaatsgevonden.
3.6.
Met het bestreden besluit heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten.
Beroepsgronden
4. Eisers voeren ten eerste aan dat sprake is van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, omdat de gemeente in de bezwaarfase geen onafhankelijke bezwarencommissie heeft ingesteld, maar de verantwoordelijke wethouder heeft aangewezen om de bezwaren te beoordelen. Daarnaast betogen eisers dat het niet is toegestaan om een bedrijf in de nabije loods te vestigen. Tot slot voeren eisers aan dat het besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel, nu de gemeente [derde-partij] eerder heeft bericht dat het niet was toegestaan om het bedrijf daar te vestigen en dit standpunt onvoldoende is gemotiveerd.
Horen
5. De rechtbank beoordeelt eerst de beroepsgrond dat het horen op een onjuiste wijze zou hebben plaatsgevonden. In dit verband is door het college gemotiveerd dat de bezwarencommissie op grond van artikel 2, tweede lid, van de Verordening commissie bezwaarschriften Hulst (hierna: de Verordening) niet bevoegd is. Daarom is volgens het college het horen beperkt tot het horen door de verantwoordelijke wethouder.
5.1.
Voor zover eisers met deze beroepsgrond bedoelen dat het college een onafhankelijke commissie had moeten instellen, volgt de rechtbank het betoog van het college. Naar het oordeel van de rechtbank was het op grond van de Verordening niet vereist dat een onafhankelijke commissie werd ingeschakeld.
5.2.
De rechtbank overweegt verder dat om een deugdelijke heroverweging en procedure te bevorderen, het horen in bezwaar geschiedt door een persoon die niet bij de voorbereiding van het primaire besluit is betrokken. [1] Het gaat erom dat deze persoon zoveel mogelijk met onbevooroordeelde houding naar de bezwaren luistert en de bezwaarde niet het gevoel heeft te spreken tegen een persoon die zich al op een beslissing vastgelegd heeft.
5.3.
De rechtbank stelt vast dat in het primaire besluit staat vermeld dat de teamleider Vergunningen, Toezicht en Handhaving van de afdeling Wonen & Werken op grond van het aan hem verleende mandaat heeft beslist. Uit het verslag van de hoorzitting blijkt dat de wethouder Ruimtelijke Ordening de hoorzitting heeft geleid. Het horen is daarmee geschied door een persoon die niet bij de voorbereiding van het primaire besluit betrokken was. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee voldaan aan de genoemde voorwaarde. De beroepsgrond slaagt niet.
Wettelijk kader
6. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden.
6.1.
In artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow staat dat het verboden is om een omgevingsplanactiviteit uit te voeren zonder omgevingsvergunning. Onder een omgevingsplanactiviteit wordt onder meer verstaan een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het verboden is zonder omgevingsvergunning te verrichten en die niet in strijd is met het omgevingsplan’. [2] Dit wordt de binnenplanse omgevingsplanactiviteit genoemd.
6.2.
Andere voor de beoordeling van het verzoek belangrijke wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Omgevingsplan gemeente Hulst
7. Met de inwerkingtreding van de Ow heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente.
7.1.
Op dit moment bestaat het omgevingsplan van de gemeente Hulst uit ‘een tijdelijk deel’. [3] Dat tijdelijke deel wordt gevormd door het bestemmingsplan ‘Buitengebied Hulst’ (hierna: het bestemmingsplan) dat is vastgesteld op 19 september 2024. In dit bestemmingsplan hebben de gronden de bestemming “Agrarisch”.
7.2.
In artikel 3.1 van het bestemmingsplan is omschreven waarvoor de als “Agrarisch” aangewezen gronden zijn bestemd. Tussen partijen is niet in geschil dat het vestigen van een bandenservicebedrijf hier niet onder valt.
7.3.
In artikel 3.5.6 van het bestemmingsplan is bepaald dat door middel van een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 3.1 in samenhang gelezen met het bepaalde in artikel 3.4 ten behoeve van een nieuwe economische drager als nevenactiviteit bij een agrarisch bedrijf, mits wordt voldaan aan – onder meer – de voorwaarde dat er sprake is van een functie die voorkomt in de lijst Nieuwe Economische Dragers (hierna: NED) zoals opgenomen in bijlage 4, waarbij is aangegeven dat via afwijking van de gebruiksregels de functie is toegestaan, dan wel overige bedrijfsfuncties, die naar aard en omvang gelijk te stellen zijn met de in bijlage 2 opgenomen functies. Gelet op het bepaalde in artikel 22.280 van het omgevingsplan gelden deze bepalingen als verbod om de activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten.
7.4.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan beoordelingsregels. Deze beoordelingsregels vormen het toetsingskader voor de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl bepaalt dat als de activiteit niet in strijd is met de regels in het omgevingsplan over het verlenen van de omgevingsvergunning, het college de omgevingsvergunning moet verlenen.
Omgevingsvergunning voor een bandenservicebedrijf
8. Het college heeft de aanvraag getoetst aan het bestemmingsplan en de Nota Ruimtelijke Kwaliteit. Daarbij heeft het college de aanvraag vergeleken met de in de NED-lijst genoemde bedrijfsactiviteiten en heeft geconcludeerd dat is aangetoond dat de aanvraag als nevenactiviteit van het bestaande landbouwbedrijf kan worden gezien. Het college overweegt dat een autobandenmontagebedrijf naar aard en omvang gelijk is te stellen met een ‘reparatiebedrijf gebruiksgoederen (categorie 2)’. Het betreft namelijk enkel de reparatie en vervanging van autobanden. Ook aan de overige voorwaarden uit 3.5.6 van het bestemmingsplan wordt voldaan. In de omgevingsvergunning is verder opgenomen dat het initiatief aanvaardbaar wordt geacht met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het college heeft geconcludeerd dat de omgevingsvergunning verleend kon worden.
Een nevenactiviteit bij een hoofdactiviteit
9. Eisers stellen dat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. Volgens eisers is het onbegrijpelijk dat het college de vergunning heeft afgegeven. Daarbij stellen eisers dat hun zoon, [zoon van eisers] , al lang niet meer de bedrijfsvoering doet van de onderneming die hij van hen heeft overgenomen en de gronden ook niet meer bewerkt. Bovendien heeft [derde-partij] geen enkele binding met landbouw of met een agrarische bestemming. Deze omstandigheden maken dat het niet is toegestaan om een andersoortig bedrijf in de loods te vestigen. Het gebruik moet gelieerd zijn aan elkaar en dat is niet het geval.
9.1.
Het college stelt dat het bandenservicebedrijf als nevenactiviteit voldoet aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 3.5.6 van het bestemmingsplan. Door [derde-partij] is tijdens de hoorzitting in bezwaar van 22 april 2025 ook bevestigd dat het enkel de reparatie en vervanging van autobanden betreft. Verder is bij een controle op 3 juli 2024 door toezichthouders geconstateerd dat er enkel voertuigbanden gerelateerde werkzaamheden worden uitgevoerd.
9.2.
Volgens het college is daarnaast nog steeds sprake van het verrichten van agrarische activiteiten. Tijdens de hoorzitting heeft [zoon van eisers] namelijk verklaard dat hij bedrijfsmatige activiteiten uitvoert. Daarbij is zijn bedrijf ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Dit bedrijf is in november 2024 gecontroleerd door toezichthouders, waarbij werd geconstateerd dat het bedrijf nog in werking is. Op naleving van de omgevingsvergunning zullen de gemeentelijke toezichthouders toezien, aldus het college.
9.3.
De rechtbank stelt voorop dat in artikel 1.101 van het bestemmingsplan is opgenomen wat moet worden verstaan onder een nevenactiviteit. Dit zijn activiteiten waarvoor een gedeelte van de vloeroppervlakte van de bedrijfsgebouwen als zodanig mag worden gebruikt en die uitgevoerd worden naast het eigenlijke beroep of de hoofdactiviteit. Deze activiteiten zijn ondergeschikt aan de primair toegekende functie.
9.4.
De rechtbank overweegt dat uit de definitie in het bestemmingsplan volgt dat in dit geval de nevenactiviteit moet worden uitgevoerd naast een agrarische hoofdactiviteit. Uit de aanvraag om omgevingsvergunning blijkt echter uitsluitend dat door [derde-partij] toestemming wordt gevraagd voor het vestigen van een bandenservicebedrijf. In de daarbij behorende toelichting en de in het bestreden besluit gegeven motivering wordt geen agrarische hoofdactiviteit beschreven. Evenmin wordt inzichtelijk gemaakt dat het bandenservicebedrijf wordt uitgevoerd naast een bestaand agrarisch bedrijf. In dit verband vond de controle van 3 juli 2024, waar het college op heeft gewezen, enkel plaats bij het bandenservicebedrijf. Het college heeft weliswaar gesteld dat het bandenservicebedrijf een activiteit betreft zoals opgenomen op de NED-lijst en dat ter plaatse momenteel ook sprake is van een landbouwbedrijf, maar deze constatering komt niet tot uitdrukking in de aanvraag voor de nevenactiviteit. De rechtbank is van oordeel dat in de vergunningenprocedure niet van belang is wat het (huidige) feitelijke gebruik inhoudt, maar wat is aangevraagd op basis waarvan de vergunning door het college is verleend. Voor de beoordeling van de aanvraag voor de nevenactiviteit is namelijk ook relevant wat de (omvang van de) hoofdactiviteit is en wat deze inhoudt. Nu uit de aanvraag niet blijkt van een agrarische hoofdactiviteit en het college dit ook niet inzichtelijk aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd, is het bestreden besluit in zoverre onvoldoende gemotiveerd. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat aan het bestreden besluit een gebrek kleeft. Aan het eind van deze uitspraak staat wat het gevolg hiervan is.
9.5.
Partijen verschillen verder van mening over het antwoord op de vraag of een nevenactiviteit verwant moet zijn aan het agrarisch bedrijf.
9.6.
De rechtbank volgt eisers niet in het betoog dat het bandenservicebedrijf verwant moet zijn aan het agrarisch bedrijf. In Bijlage 4 van het bestemmingsplan, “Nieuwe Economische Dragers”, worden onder andere ‘overige ambachtelijke’ en ‘overige dienstverlening’ genoemd. De in deze categorieën opgenomen bedrijven zijn niet-agrarisch en ook niet verwant aan landbouw. Bovendien maakt artikel 3.5.6, onder b, van het bestemmingsplan expliciet onderscheid tussen agrarisch-verwante en niet-agrarische activiteiten. Hieruit volgt, naar het oordeel van de rechtbank, eveneens dat een nevenactiviteit niet per definitie aan het agrarisch bedrijf verbonden hoeft te zijn. De beroepsgrond slaagt niet.
Vertrouwensbeginsel
10. Eisers stellen dat de gemeente eerder [derde-partij] heeft bericht dat het niet was toegestaan om een bedrijf op de locatie te vestigen. Zij stellen dat de beslissing in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel, omdat het in strijd is met vroegere uitspraken en handelingen van de gemeente. Tijdens de zitting hebben eisers toegelicht dat zij een beroep doen op het vertrouwensbeginsel.
10.1.
Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel dient allereerst sprake te zijn van een uitlating die kan worden gekwalificeerd als een toezegging. De rechtbank is van oordeel dat van een dergelijke toezegging geen sprake is. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eisers dit op zitting ook hebben bevestigd. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet.

Tussenuitspraak

11. Zoals de rechtbank onder 9.4 heeft overwogen is het bestreden besluit ondeugdelijk gemotiveerd. De rechtbank kan het college in de gelegenheid kan stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen door middel van een tussenuitspraak. [4] De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om van deze mogelijkheid gebruik te maken.
12. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om het gebrek te herstellen, moet het college [derde-partij] in de gelegenheid stellen om de aanvraag schriftelijk aan te vullen met een toelichting waaruit blijkt dat het ter plaatse gaat om een agrarische hoofdactiviteit en welke omvang en inhoud deze heeft. Het college kan vervolgens de aangevulde aanvraag beoordelen en hier een standpunt over innemen. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.
13. Het college moet zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het college gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eisers in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
14. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 juni 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA2877).
15. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:
- draagt het college op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
- stelt het college in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Wilbrink, griffier, op 10 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Artikel 7:
Voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, stelt het belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord.
Het bestuursorgaan stelt daarvan in ieder geval de indiener van het bezwaarschrift op de hoogte alsmede de belanghebbenden die bij de voorbereiding van het besluit hun zienswijze naar voren hebben gebracht.
Omgevingswet (Ow)
Artikel 5.1 voor zover relevant:
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
a. een omgevingsplanactiviteit,
[…].
Artikel 5.18:
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het verlenen of weigeren van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.1.
Daarbij kunnen regels worden gesteld over de motivering van de beslissing tot het verlenen of weigeren.
Artikel 2.32, tweede tot en met zesde lid, is van overeenkomstige toepassing op die regels.
Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)
Artikel 8.0a:
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, wordt, als het gaat om een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten, de omgevingsvergunning verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning.
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Bestemmingsplan ‘buitengebied Hulst’ (bestemmingsplan)
3.1
Bestemmingsomschrijving
De op de verbeelding voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
een duurzame agrarische bedrijfsuitoefening;
agrarisch grondgebruik;
een plattelandswoning;
e uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding:
1. 'intensieve veehouderij', tevens een volwaardige intensieve veehouderij is toegestaan;
2. 'specifieke vorm van agrarisch - kwekerij', tevens een kwekerij is toegestaan;
3. 'specifieke vorm van agrarisch - neventak intensieve veehouderij', tevens een intensieve veehouderij als neventak is toegestaan';
----
kleinschalig kamperen tot maximaal 15 standplaatsen, als nevenactiviteit;
wonen in een bedrijfswoning;
verkoop van zelf voortgebrachte of streekeigen producten als ondergeschikte nevenactiviteit tot maximaal 200 m2 vloeroppervlakte;
[…].
3.5.6
Nieuwe Economische Dragers als nevenactiviteit
Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.1 in samenhang gelezen met het bepaalde in 3.4 ten behoeve een nieuwe economische drager als nevenactiviteit bij een agrarisch bedrijf, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
er dient sprake te zijn van een functie die voorkomt in de lijst Nieuwe Economische Dragers zoals opgenomen in bijlage 4, waarbij is aangegeven dat via afwijking van de gebruiksregels de functie is toegestaan, dan wel overige bedrijfsfuncties, die naar aard en omvang gelijk te stellen zijn met de in bijlage 2 opgenomen functies;
de agrarisch-verwante of niet-agrarische activiteiten dienen plaats te vinden in bestaande gebouwen binnen een bouwvlak, met inachtneming van de maximale bedrijfsvloeroppervlaktemaat, zoals opgenomen in bijlage 4. In afwijking hiervan geldt voor een cultuurhistorisch waardevol gebouw en/of monument, zoals opgenomen in bijlage 5, geen maximale bedrijfsvloeroppervlaktemaat;
het gebruiken van de onbebouwde gronden voor opslag en productie ten behoeve van de nieuwe functie is niet toegestaan;
het bouwen van nieuwe bouwwerken, geen gebouwen zijnde, lichtbakken en lichtmasten daaronder begrepen, ten behoeve van reclame-doeleinden is niet toegestaan;
nieuwe functies behorende bij een agrarisch bedrijf zijn uitsluitend toelaatbaar tot en met ten hoogste categorie 2 uit de Staat van bedrijfsactiviteiten, met dien verstande dat een bedrijfsactiviteit tot en met ten hoogste categorie 3 uit de Staat van bedrijfsactiviteiten eveneens is toegestaan, mits is aangetoond dat:
het betrokken bedrijf naar aard en invloed op de omgeving en gelet op de desbetreffende milieuaspecten geacht kan worden te behoren tot de categorieën 1 en 2, of;
het betrokken bedrijf een landbouwverwant bedrijf betreft als bedoeld in bijlage Staat van bedrijfsactiviteiten;
parkeren dient plaats te vinden op eigen terrein binnen het bestaande bouwvlak;
een landschapsplan waarin een goede landschappelijke inpassing is vastgelegd maakt deel uit van de aanvraag. Het landschapsplan en de onderdelen waarop een voorwaardelijke instandhoudingsverplichting rust, worden opgenomen in bijlage 7 bij de regels. Het gebruik van de gronden is alleen dan toegestaan indien een goede landschappelijke inpassing is gerealiseerd en duurzaam in stand wordt gehouden.
er wordt voorzien in ruimtelijke kwaliteitswinst in de vorm van landschaps- en natuurontwikkeling of het verbeteren van de inrichting dan wel uitstraling van het erf en/of gebouwen; het voorgaande dient vooraf in een privaatrechtelijke overeenkomst te worden vastgelegd;
afwijking mag niet leiden tot:
onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelmogelijkheden van omliggende bestemmingen en functies;
een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer dan wel tot een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimte: hierover wordt vooraf door het bevoegd gezag schriftelijk advies ingewonnen bij de wegbeheerder;
onevenredige aantasting van de waterhuishouding van het gebied: vooraf wordt hierover door het bevoegd gezag schriftelijk advies ingewonnen bij het waterschap.
Verordening commissie bezwaarschriften Hulst (Verordening)
Artikel 2, voor zover relevant:
Er is een commissie ter voorbereiding van de beslissing op bezwaren tegen besluiten van de raad, het college en de burgemeester.
Ter voorbereiding van de beslissing op bezwaren tegen besluiten van het college en de burgemeester is de commissie alleen bevoegd als het gaat om een te nemen beslissing op een bezwaarschrift tegen:
een besluit tot het verlenen, intrekken of weigeren van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een project, dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het verrichten van een bouwactiviteit, zoals bedoeld in artikel 5.1, lid 2, onderdeel a van de Omgevingswet, mits de geraamde bouwkosten (inclusief BTW) van het te realiseren bouwwerk minimaal € 750.000,-- bedragen.
een beslissing tot het opleggen van een last onder bestuursdwang (als bedoeld in artikel 5:21 van Pro de Algemene wet bestuursrecht danwel artikel 13b Opiumwet) inhoudende het tijdelijk of permanent sluiten van een pand, inrichting of terrein.
een beslissing tot het opleggen van een last onder dwangsom (als bedoeld in artikel 5:31d van de Algemene wet bestuursrecht), mits de hoogte van de last onder dwangsom ten minste € 25.000 bedraagt en gekoppeld is aan een herstelsanctie op het terrein van de afdeling Wonen en Werken. De invorderingbeschikkingen (art. 5:37 Awb Pro) vallen niet onder het adviesrecht.

Voetnoten

1.Zie artikel 7:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit volgt uit de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet, onder A, waarin het begrip ‘omgevingsplanactiviteit’ is gedefinieerd.
3.Artikel 22.1 van de Ow.
4.Artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb in samenhang met artikel 8:80a van de Awb.