Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:1595

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
2 februari 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
C/02/443861 / JE RK 26-44
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:247 lid 2 BWArt. 1:255 lid 1 BWArt. 1:260 BWArt. 1:265b lid 1 BWArt. 1:265c lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige wegens ouderconflict

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 2 februari 2026 besloten tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige bij haar vader. De minderjarige is erkend door de vader en woont bij hem, terwijl de moeder het ouderlijk gezag heeft. De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing waren eerder verleend en verlengd vanwege ernstige bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige.

De gecertificeerde instelling (GI) heeft gesteld dat hoewel beide ouders afzonderlijk in staat zijn de minderjarige op te voeden, het fundamentele probleem ligt in het ouderconflict en het onvermogen om dit los te koppelen van het ouderschap. Dit leidt tot spanningen en loyaliteitsconflicten die de emotionele veiligheid van de minderjarige bedreigen. De huidige plaatsing bij de vader biedt stabiliteit en rust.

De rechtbank oordeelt dat de voorwaarden voor verlenging zijn vervuld. Er is nog steeds sprake van ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarige door het ouderconflict en het ontbreken van constructieve communicatie tussen de ouders. De GI wordt opgedragen gespecialiseerde hulpverlening in te zetten en een concreet plan op te stellen voor communicatie en contactregeling. De verlenging geldt voor vijf maanden tot 11 juli 2026, met aanhouding van de beslissing op het restant van het verzoek. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en er is mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige tot 11 juli 2026 vanwege het aanhoudende ouderconflict en de bedreiging van haar ontwikkeling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/443861 / JE RK 26-44
Datum uitspraak: 2 februari 2026
Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. S.X. Scholten uit Vlissingen,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. N.P.M. Planthof uit Goes.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 9 januari 2026;
- het bericht van mr. Scholten met bijlagen van 29 januari 2026.
1.2.
Op 2 februari 2026 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de verzoeken van de GI tijdens de zitting met gesloten deuren mondeling behandeld. Eveneens zijn op deze zitting de verzoeken van partijen in de procedure met kenmerk C/02/426781/ FA RK 24-4355 mondeling behandeld. In die procedure zal bij separate beschikking worden beslist.
1.3.
Verschenen en gehoord zijn:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de vrouw (via een videoverbinding), bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordigster namens de GI;
- een vertegenwoordiger namens de Raad.

2.De feiten

2.1.
[minderjarige] is erkend door de vader.
2.2.
De moeder heeft het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.3.
[minderjarige] woont bij haar vader.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 11 februari 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 11 februari 2026 en een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij haar vader verleend, met ingang van 11 februari 2025 en tot 14 mei 2025. De machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij haar vader is sedertdien verlengd, voor het laatsttot 11 februari 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft de verzoeken. In het verzoekschrift stelt de GI dat uit het traject van Goed Genoeg Ouderschap dat is ingezet blijkt dat beide ouders afzonderlijk in staat zijn om [minderjarige] goed genoeg op te voeden. De vader biedt [minderjarige] een stabiele, veilige en voorspelbare opvoedomgeving waarin zij tot rust komt en zich passend ontwikkelt. De moeder heeft aantoonbaar stappen gezet door haar woonsituatie inzichtelijk te maken, hulpverlening toe te laten en in de opvoeding sensitief, leerbaar en betrokken gedrag te laten zien. De kern van de aanhoudende ontwikkelingsbedreiging ligt echter niet in de opvoedvaardigheden van de ouders afzonderlijk, maar in de relatie tussen de ouders en hun onvermogen om het ouderconflict duurzaam los te koppelen van het ouderschap. De ouders verschillen fundamenteel van visie over het verleden, over veiligheid en over wat [minderjarige] nodig heeft. Er is sprake van een diep wantrouwen en een verstoorde communicatie, waardoor de ouders niet in staat zijn gebleken om zelfstandig en in gezamenlijkheid afspraken te maken en na te komen die voor [minderjarige] noodzakelijk zijn. Voor [minderjarige] betekent dit dat zij het risico loopt om opnieuw te worden belast met spanningen, tegenstrijdige signalen en loyaliteitsconflicten. Met name het tijdelijke contactverlies met moeder en de kwetsbaarheid van het contactherstel vragen om zorgvuldige, stapsgewijze en begeleide besluitvorming, waarin [minderjarige] ’s tempo en draagkracht leidend zijn. Zonder toezicht en regie bestaat het risico dat beslissingen te snel, te wisselend of te eenzijdig worden genomen, wat haar emotionele veiligheid en hechting kan schaden. De huidige plaatsing van [minderjarige] bij vader biedt haar rust, stabiliteit en continuïteit. Zij gaat naar school, heeft een voorspelbare dagstructuur en laat een passende ontwikkeling zien. Tegelijkertijd is het van belang dat de huidige situatie niet wordt gezien als een eindpunt, maar als een tijdelijke en beschermende maatregel waarin onder regie gewerkt kan worden aan verdere stabilisatie, het zorgvuldig vormgeven van contact met de moeder en het verminderen van het ouderconflict. De machtiging uithuisplaatsing is daarbij op dit moment noodzakelijk om deze stabiliteit te kunnen waarborgen zolang ouders dit nog niet zelfstandig kunnen dragen. De ondertoezichtstelling is noodzakelijk om toezicht te houden op [minderjarige] ’s veiligheid en ontwikkeling, regie te voeren op het tempo en de voorwaarden van contact en zorgverdeling, de ouders te blijven ondersteunen en begrenzen in hun ouderrol, en te voorkomen dat [minderjarige] opnieuw in een onveilige of onrustige dynamiek terechtkomt. De ingezette maatregelen hebben ertoe geleid dat [minderjarige] momenteel meer rust en stabiliteit ervaart en zich passend ontwikkelt binnen haar huidige opvoedsituatie. Er is tevens meer duidelijkheid ontstaan over de mogelijkheden van beide ouders in de zorg voor [minderjarige] . Wat echter nog niet is bereikt, is dat ouders zelfstandig en duurzaam in staat zijn om gezamenlijk verantwoordelijkheid te nemen voor het ouderschap. Er zijn vooralsnog geen stappen gezet richting constructieve communicatie of samenwerking tussen ouders onderling. Het ouderconflict en het onderlinge wantrouwen zijn nog onvoldoende verminderd, waardoor afspraken kwetsbaar blijven en sterk afhankelijk zijn van regie vanuit de GI. Verdere inzet binnen het gedwongen kader blijft noodzakelijk om de bereikte stabiliteit te bestendigen en om toe te werken naar een situatie waarin ouders zonder toezicht in staat zijn [minderjarige] ’s veiligheid en ontwikkeling gezamenlijk te borgen.
4.2.
Bij brief van 29 januari 2026 heeft mr. Scholten de rechtbank bericht dat de moeder geen verweer voert tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling. De moeder hoopt wel dat zij de komende periode meer stappen kan zetten met de GI. Zij heeft meerdere keren aangegeven dat ze van mening is dat er individuele hulpverlening dient te worden ingezet maar de GI heeft hierop nog geen actie ondernomen. Ten aanzien van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing refereert de moeder zich aan het oordeel van de rechtbank.
4.3.
De vader voert geen verweer tegen de verzoeken van de GI.

5.De beoordeling

Bevoegdheid en toepasselijk recht
5.1.
De Nederlandse rechter is bevoegd van de verzoeken kennis te nemen, omdat [minderjarige] haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Omdat de Nederlandse rechter bevoegd is, is op de verzoeken het Nederlands recht van toepassing.
Wettelijk kader
5.2.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.3.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
5.4.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
5.5.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.6.
De rechtbank is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling en voor een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing is voldaan. De rechtbank legt hieronder uit waarom.
5.7.
[minderjarige] wordt nog steeds ernstig in haar ontwikkeling bedreigd. [minderjarige] heeft in haar jonge leven al veel heftige gebeurtenissen meegemaakt. Er is sprake (geweest) van een gezinssysteem dat onderhevig was aan stress en er was sprake van oplopende conflicten tussen de ouders. [minderjarige] is getuige geweest van angst, spanningen en stress bij de ouders. Zij heeft gedurende een lange periode geen enkel contact met haar moeder gehad en na het herstel van het contact met haar moeder onder regie van de GI is dit contact afgelopen zomer ook weer een korte periode verbroken geweest. Het is algemeen bekend dat dergelijke omstandigheden (op kortere en/of langere termijn) een negatief effect hebben op de ontwikkeling en het functioneren van minderjarigen. Er is nog onvoldoende zicht op het precieze effect hiervan op het functioneren en de ontwikkeling van [minderjarige] , of hulpverlening voor haar nodig is en zo ja, welke hulpverlening hier dan voor moet worden ingezet. De rechtbank constateert dat er de afgelopen periode stappen vooruit zijn gezet. Binnen het traject Goed Genoeg Ouderschap is door IPT van [hulpverlening] een beoordeling uitgevoerd bij beide ouders thuis. Uit dit onderzoek is gebleken dat de thuissituatie en opvoedvaardigheden van beide ouders als positief beoordeeld worden. Er is echter nog geen sprake van communicatie tussen de ouders en zij zijn (nog) niet in staat om zelfstandig en duurzaam gezamenlijk verantwoordelijkheid te nemen voor het ouderschap. Het ouderconflict en het onderlinge wantrouwen zijn nog onvoldoende verminderd. Er moeten stappen worden gezet richting constructieve communicatie en/of samenwerking tussen de ouders onderling aangezien dit voor het welzijn en de ontwikkeling van [minderjarige] van cruciaal belang is. [minderjarige] moet kunnen ervaren dat zij veilig is bij beide ouders en het is de bedoeling dat de ouders op termijn zelf, zonder (verplichte) begeleiding, hun gezamenlijk ouderschap op een bij hun situatie passende wijze kunnen invullen.
5.8.
De rechtbank verwacht van de GI dat zij de komende periode een concrete vorm van gespecialiseerde hulpverlening zoals individuele systeemtherapie of parallel solo ouderschap in gaat zetten, zodat ouders tot (mogelijk een schriftelijk) neutrale en effectieve wijze van communiceren komen in het belang van [minderjarige] . Gezien het feit dat [minderjarige] al veel ingrijpende gebeurtenissen heeft meegemaakt in haar leven en er langdurig sprake is geweest van contactverlies met moeder vindt de rechtbank het belangrijk dat de GI een screening van de gehechtheidsrelatie van [minderjarige] met haar beide ouders laat afnemen en indien daar aanleiding toe is aanvullend onderzoek door een specialist aanvraagt. Daarbij dient de GI ook individuele hulpverlening voor [minderjarige] in te zetten en te monitoren. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat het belangrijk is dat de GI ambulante hulpverlening in de thuissituatie van de moeder gaat inzetten om de (uitbreiding van) omgang met [minderjarige] gedurende langere periode te monitoren.
5.9.
De rechtbank wil vinger aan de pols houden en de resultaten van de ondertoezichtstelling monitoren. De rechtbank zal daarom de ondertoezichtstelling verlengen voor de duur van 5 maanden en wel tot 11 juli 2026 onder aanhouding van de beslissing op het restant van het verzoek. De rechtbank geeft de GI de opdracht mee om de komende periode te werken aan het opstellen van een concreet plan waaruit blijkt op welke manier zal worden gewerkt aan de communicatie tussen de ouders. Ook moet uit dit plan blijken op welke wijze de contacten tussen [minderjarige] en haar ouders worden vormgegeven. De GI moet (verder) zicht krijgen op de opvoedsituaties van beide ouders en er moet duidelijkheid komen over de rol van oma vaderszijde in de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Bij dit alles is het van belang dat de GI oog blijft houden voor de veiligheid van alle betrokkenen. Het is aan de GI om te beoordelen of de inzet van gespecialiseerde hulpverlening zoals individuele systeemtherapie of parallel solo ouderschap tot de mogelijkheden behoort, zodat de ouders tot (mogelijk een schriftelijk) neutrale en effectieve wijze van communiceren komen in het belang van [minderjarige] . Ook dient bezien te worden of er hulpverlening voor [minderjarige] nodig is en zo ja, welke hulpverlening en deze dient dan te worden ingezet. Daarnaast dient er een uitgebreid ouderschapsplan opgesteld te worden aan de hand van de huidige situatie teneinde ruis en onduidelijkheden in de toekomst te voorkomen.
5.10.
De rechtbank is van oordeel dat het in het belang is van [minderjarige] om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen. De rechtbank vindt het in het belang van [minderjarige] om in afwachting van de beslissing op de verzoeken van de man tot vaststelling van het gezamenlijk gezag en tot vaststelling van het hoofdverblijf van [minderjarige] bij hem, welke verzoeken bij de rechtbank voorliggen in de procedure met kenmerk C/02/426781 / FA RK 24-4355, de huidige verblijfplaats van [minderjarige] te behouden. [minderjarige] verblijft al bijna twee jaar bij de vader en zij ontwikkelt zich daar goed. De rechtbank zal de machtiging tot uithuisplaatsing ook verlengen voor de duur van 5 maanden en aldus tot 11 juli 2026, onder aanhouding van de beslissing op het restant van het verzoek.
5.11.
De rechtbank zal de beslissing op het restant van de verzoeken aanhouden tot
de zitting ten overstaan van de meervoudige kamer met mr. J.J. Hendriks, mr. N.C.W. Haesen en mr. S.E. van de Merbel op [datum] 2026 om [uur] voor de duur van 60 minuten.De rechtbank verzoekt de GI uiterlijk twee weken voor de zitting een briefrapportage bij de rechtbank in te dienen waaruit de actuele stand van zaken van de ontwikkelingen binnen de ondertoezichtstelling blijkt.
5.12.
De beslissing tot verlenging van de ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [1]
5.13.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 11 juli 2026;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader tot 11 juli 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
houdt de beslissing op het restant van de verzoeken tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing aan tot
de zitting ten overstaan van de meervoudige kamer met mr. Hendriks, mr. Haesen en mr. Van de Merbel op [datum] 2026 om [uur] voor de duur van 60 minuten;
6.5.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproep voor voornoemde zitting voor de GI, partijen en hun advocaten;
6.6.
verzoekt de GI uiterlijk twee weken voorafgaand aan de nog te plannen zitting een briefrapportage bij de rechtbank in te dienen waaruit de actuele stand van zaken blijkt.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2026 door mr. Hendriks, mr. Haesen en mr. Van de Merbel, kinderrechters, in aanwezigheid van mr. Duerink-Bottinga als griffier en op schrift gesteld op 10 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.