ECLI:NL:RBZWB:2026:1598

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
02-135565-25 en 02-284599-25 (gev. ttz)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 45 SrArt. 77a SrArt. 77g SrArt. 77i Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewezenverklaring poging tot zware mishandeling minderjarige met werkstraf en jeugddetentie

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 11 maart 2026 de strafzaak tegen een minderjarige verdachte die op 2 mei 2025 tweemaal met een mes in het bovenbeen van het slachtoffer had gestoken. Primair werd poging tot doodslag ten laste gelegd, subsidiair zware mishandeling en meer subsidiair poging tot zware mishandeling. Daarnaast werd bedreiging via TikTok ten laste gelegd.

De rechtbank achtte de poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen, maar sprak verdachte vrij van poging tot doodslag, zware mishandeling en bedreiging via TikTok. De rechtbank baseerde dit op medische informatie, getuigenverklaringen en de bekennende verklaring van verdachte. Het letsel werd niet als zwaar lichamelijk letsel gekwalificeerd, en opzet op doodslag ontbrak.

De strafoplegging hield rekening met de ernst van het feit, het langlopende conflict tussen de betrokken groepen, en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder een licht verstandelijke beperking en foetaal alcoholsyndroom. De rechtbank legde een werkstraf van 50 uur op, een onvoorwaardelijke jeugddetentie van 8 dagen (gelijk aan het voorarrest) en 60 dagen voorwaardelijke jeugddetentie met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden. Een vrijheidsbeperkende maatregel werd niet opgelegd.

De benadeelde partij vorderde € 2.558,95 schadevergoeding, waarvan de rechtbank € 808,95 aan materiële en € 750,- aan immateriële schade toewijst, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 2 mei 2025. De rest van de vordering werd niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank legde ook een schadevergoedingsmaatregel op en veroordeelde verdachte in de kosten van de benadeelde partij.

Het vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer met kinderrechters en uitgesproken in openbare zitting. De bijzondere voorwaarden omvatten onder meer locatieverbod, medewerking aan hulpverlening en reclasseringstoezicht, en het verbod om een mes bij zich te dragen.

Uitkomst: Verdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf van 50 uur en 68 dagen jeugddetentie, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden, wegens poging tot zware mishandeling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
parketnummers: 02-135565-25 en 02-284599-25 (gev. ttz)
vonnis van de meervoudige kamer van 11 maart 2026
in de strafzaak tegen de minderjarige
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 2010 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonadres] ,
raadsman mr. H. Goedegebure, advocaat te Middelburg.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld met gesloten deuren op de zitting van 25 februari 2026, waarbij de officier van justitie, mr. J. Verschuren, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
Ter zitting zijn overeenkomstig artikel 285 van Pro het Wetboek van Strafvordering de zaken
onder de voormelde parketnummers gevoegd.

2.De tenlasteleggingen

De tenlasteleggingen zijn als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
parketnummer 02-135565-25
op 2 mei 2025 [benadeelde] meermalen met een mes in zijn bovenbeen heeft gestoken. Dit is primair tenlastegelegd als poging tot doodslag, subsidiair als zware mishandeling en meer subsidiair als poging tot zware mishandeling.
parketnummer 02-284599-25op 12 juni 2025 [benadeelde] via TikTok heeft bedreigd.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
parketnummer 02-135565-25
De officier van justitie acht het primair en subsidiair tenlastegelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen. Wel acht hij de meer subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft [benadeelde] twee keer met een mes in zijn bovenbeen gestoken en daardoor heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat [benadeelde] zwaar gewond zou kunnen raken.
parketnummer 02-284599-25
De officier van justitie is van mening dat onvoldoende overtuigend bewijs is dat verdachte [benadeelde] via TikTok heeft bedreigd en meent dat verdachte moet worden vrijgesproken.
4.2
Het standpunt van de verdediging
parketnummer 02-135565-25
De verdediging stelt zich op het standpunt dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van het primair en subsidiair tenlastegelegde feit kan komen. Gelet op de aangifte, de getuigenverklaringen en de bekennende verklaring van verdachte ter zitting kan de rechtbank wel tot een bewezenverklaring van de poging tot zware mishandeling komen.
parketnummer 02-284599-25
De verdediging meent dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en verzoekt om die reden verdachte van dit feit vrij te spreken.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
De bewijsmiddelen
Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht.
4.3.2
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
parketnummer 02-135565-25
Op grond van de bewijsmiddelen in het dossier en de bekennende verklaring van verdachte ter zitting acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 2 mei 2025 in [plaats] tweemaal met een mes in het bovenbeen van [benadeelde] heeft gestoken, waarbij door verdachte letsel aan [benadeelde] is toegebracht. Uit de medische informatie in het dossier volgt dat [benadeelde] twee steekwonden van ongeveer 2,5 centimeter in zijn rechterbovenbeen had.
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of het handelen van verdachte gekwalificeerd kan worden als een poging tot doodslag (primair), zware mishandeling (subsidiair) of een poging tot zware mishandeling (meer subsidiair).
De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat de primair tenlastegelegde poging tot doodslag en de subsidiair tenlastegelegde zware mishandeling niet wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Uit het dossier en de behandeling op de zitting is niet gebleken van opzet bij verdachte op de dood van [benadeelde] en het letsel dat hij heeft opgelopen kan niet worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken. De gedraging van verdachte levert naar het oordeel van de rechtbank wel een poging tot zware mishandeling op. Voor een poging tot zware mishandeling is vereist het (voorwaardelijk) opzet om de ander zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De rechtbank is van oordeel dat door het tweemaal steken met een mes in het bovenbeen naar de algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans bestaat dat die persoon ernstig letsel oploopt, onder andere bestaande in de kans op het raken van pezen of spieren, ernstige weefselschade en/of een blijvend litteken. Ook voor verdachte moet dit duidelijk zijn geweest. Door zo te handelen heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij zwaar lichamelijk letsel bij [benadeelde] had kunnen veroorzaken, zodat sprake is van voorwaardelijk opzet. De rechtbank acht de poging tot zware mishandeling dan ook wettig en overtuigend bewezen, zoals meer subsidiair ten laste is gelegd.
parketnummer 02-284599-25
De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat niet overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde bedreiging via TikTok. De rechtbank zal verdachte van dit feit vrijspreken.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
parketnummer 02-135565-25
hij op 2 mei 2025 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een mes, meermalen, in het bovenbeen van die [benadeelde] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van 100 uur en een jeugddetentie voor de duur van 98 dagen, met aftrek van voorarrest (die hij op 8 dagen berekent), waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) en zoals tijdens de zitting besproken met uitzondering van het locatieverbod. Daarnaast vordert hij voor de duur van de proeftijd een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), inhoudende een locatieverbod voor [plaats] centrum en een contactverbod met de [benadeelde] met uitzondering van eventuele contacten in het kader van mediation dan wel Perspectief Herstelbemiddeling, met de bepaling dat bij iedere overtreding van deze maatregel 1 week vervangende jeugddetentie wordt toegepast. Ook vordert de officier van justitie dat de bijzondere voorwaarden, het jeugdreclasseringstoezicht en de vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar zijn.
De officier van justitie heeft bij zijn strafreis rekening gehouden met de aard en ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de duur en het verloop van zijn schorsingsperiode.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en dat hij zich gedurende de schorsingsperiode aan een strak kader en een uitvoerige lijst aan bijzondere voorwaarden heeft gehouden. Verdachte heeft spijt en staat ervoor open om met de jeugdreclassering en de hulpverlening verder te werken, net als dat hij openstaat voor mediation dan wel Perspectief Herstelbemiddeling met de [benadeelde] . De verdediging meent dat de oplegging van een werkstraf en een voorwaardelijk strafdeel, als stok achter de deur, met aftrek van het voorarrest en daaraan gekoppeld de door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden passend is. De verdediging kan zich hierbij in de strafeis van de officier van justitie vinden.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
De aard en ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door tweemaal met een mes in het bovenbeen van [benadeelde] te steken. Het is de rechtbank gebleken dat er, met name via sociale media, tussen de groep waartoe verdachte behoort en de groep waartoe benadeelde behoort sprake is van een langlopend conflict en dat er over en weer zeer ernstige dreigingen naar elkaar zijn en nog steeds worden geuit. Het feit is daarmee een gevolg van een langlopend conflict tussen de groepen en dat vindt de rechtbank zeer zorgelijk. Met zijn handelen heeft verdachte een inbreuk op de lichamelijk integriteit van [benadeelde] gemaakt. Het handelen van verdachte getuigt van een gebrek aan respect voor de veiligheid van [benadeelde] , maar ook voor het gevoel van veiligheid in de maatschappij. Het geweldsincident heeft zich op klaarlichte dag buiten op straat in het centrum van [plaats] afgespeeld. Andere mensen zijn niets vermoedend geconfronteerd met geweld in wat voor hen een veilige omgeving moet zijn. De rechtbank neemt dit verdachte kwalijk.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van verdachte van 8 januari 2026, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten strafrechtelijk is veroordeeld.
Ook slaat de rechtbank acht op het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 6 februari 2026 dat over verdachte is opgemaakt en de toelichting en het advies dat door de vertegenwoordigster van de Raad tijdens de zitting is gegeven. De vertegenwoordigster handhaaft het advies zoals weergegeven in het rapport met ten aanzien van de bijzondere voorwaarden de aanvullingen dat verdachte ook openheid over zijn online contacten moet geven en dat een contactverbod met [benadeelde] passend is, nu dit helpend voor verdachte kan zijn. Verdachte is gediagnostiseerd met het foetale-alcoholsyndroom en een licht verstandelijke beperking. Hij is beïnvloedbaar, impulsief, ziet geen oorzaak-gevolg en lijkt onvoldoende oplossingen in probleemsituaties in te kunnen zetten. Het algemeen recidiverisico wordt als hoog ingeschat. Gelet daarop vindt de Raad het belangrijk dat de jeugdreclassering langere tijd betrokken blijft. De Raad adviseert een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met de bijzondere voorwaarden zoals geformuleerd in het rapport en de aanvullingen zoals deze tijdens de zitting zijn besproken. Verder adviseert de Raad een proeftijd van 2 jaar en om de bijzondere voorwaarden en het jeugdreclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Daarnaast vindt de Raad een onvoorwaardelijke werkstraf passend. Tot slot ziet de Raad meerwaarde in de inzet van mediation dan wel Perspectief Herstelbemiddeling, als blijkt dat de [benadeelde] hier ook voor openstaat.
De vertegenwoordiger van de jeugdreclassering heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat verdachte zeer beïnvloedbaar en impulsief is, mede door zijn diagnoses. Gedurende de schorsingsperiode heeft verdachte met momenten de grenzen opgezocht en is hij een aantal keer teruggemeld, maar op dit moment gaat het goed op school en op zijn stage. Het is belangrijk dat het toezicht doorloopt, zodat de begeleiding en hulpverlening voor verdachte wordt voorgezet en de duidelijke kaders blijven. De jeugdreclasseerder vindt de bijzondere voorwaarden passend zoals door de Raad in haar rapport zijn geformuleerd en zoals deze tijdens de zitting zijn besproken met de aanvulling dat de jeugdreclassering het geldende avondklok schema kan aanpassen indien en zolang dat noodzakelijk wordt geacht. Tot slot vindt de jeugdreclasseerder een proeftijd van 2 jaar passend.
Oplegging van de straf
Bij de strafoplegging neemt de rechtbank de hiervoor genoemde adviezen en omstandigheden in aanmerking, alsook de straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de landelijke oriëntatiepunten van het LOVS voor minderjarigen. Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde is de rechtbank van oordeel dat een straf dient te volgen. Om recht te doen aan de ernst en als signaal naar de maatschappij is de rechtbank van oordeel dat niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen een jeugddetentie. De rechtbank is van oordeel dat het onvoorwaardelijke deel van de jeugddetentie niet langer moet zijn dan de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. Dat betekent dat de verdachte niet terug naar een justitiële jeugdinrichting hoeft. De rechtbank zal naast de onvoorwaardelijke jeugddetentie (gelijk aan het voorarrest) ook een gedeelte voorwaardelijke jeugddetentie aan verdachte opleggen. Mede gelet op adviezen van de deskundigen vindt de rechtbank het belangrijk dat verdachte door middel van bijzondere voorwaarden verder wordt begeleid door onder andere de jeugdreclassering. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke werkstraf passend en geboden is. Gelet op de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte en zijn volle dagprogramma zal de rechtbank een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd. Daarnaast heeft verdachte tijdens de zitting aangegeven dat hij openstaat voor mediation dan wel Perspectief Herstelbemiddeling met de [benadeelde] . Dat vindt de rechtbank een stap in de goede richting. Tijdens de zitting heeft de officier van justitie toegezegd om de mogelijkheden van mediation dan wel Perspectief Herstelbemiddeling te gaan onderzoeken.
Alles overwegend is de rechtbank van oordeel dat 68 dagen jeugddetentie, met aftrek van het voorarrest welke de rechtbank op 8 dagen begroot, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, alsmede een werkstraf van 50 uur passend en geboden is. De rechtbank zal hierbij bepalen dat verdachte, gelet op zijn volle dagprogramma en in afwijking van artikel 77m lid 3 Sr, de werkstraf binnen een termijn van 9 maanden dient te verrichten. Verder zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden opleggen zoals door de Raad is geadviseerd en (deels) met de aanvullingen zoals deze tijdens de zitting zijn besproken. Als bijzondere voorwaarden worden opgelegd dat verdachte voor de duur van zes maanden moet meewerken aan het ITB HKA kader, dat hij op geen enkel moment een mes bij zich zal hebben, dat hij moet meewerken aan dagbesteding en continuering van school en stage, dat hij moet meewerken aan urinecontroles, dat hij moet meewerken aan hulpverlening omtrent gebruik verdovende middelen en ambulante hulpverlening door [stichting] , dat hij zal meewerken aan beschermd wonen als dit noodzakelijk wordt geacht, dat verdachte openheid geeft over zijn netwerk en zijn online contacten en actief meewerkt aan ondersteuning die is gericht op het afstand nemen van antisociale contacten en dat hij zal meewerken aan het reeds geldende avondklok schema welke door de jeugdreclassering kan worden aangepast als dit noodzakelijk wordt geacht. Daarnaast zal als bijzondere voorwaarde worden opgelegd dat verdachte zich houdt aan een locatieverbod voor het gebied [plaats] centrum. Dit betekent dat verdachte wel bij [hulpverlening] , het [orthodontiepraktijk] en zijn stage in [plaats] mag komen en dat hij op het trein- en/of busstation van [plaats]
enkel en kortdurend als doorreisnaar huis of naar een van de bovengenoemde plekken mag komen.
De rechtbank ziet geen aanleiding om naast het locatieverbod voor [plaats] centrum een contactverbod met [benadeelde] op te leggen, zoals door de Raad is geadviseerd en door de officier van justitie – samen met het locatieverbod – is gevorderd in de vorm van een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr. De rechtbank is van oordeel dat de oplegging van de gevorderde vrijheidsbeperkende maatregel in het geval van verdachte niet passend is, nu vrijwel niet te controleren is op wiens initiatief eventueel contact tot stand is gekomen en bovendien het risico bestaat dat verdachte bij elke overtreding zal worden opgepakt hetgeen de rechtbank niet in het belang van verdachte vindt. Om die reden zal de rechtbank deze maatregel dan ook niet opleggen.
Dadelijke uitvoerbaarheid
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf die gericht is tegen en gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Gelet op het voornoemd advies, dat het recidiverisico als hoog wordt ingeschat en dat het conflict tussen de groepen nog steeds actueel blijkt te zijn, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte zonder de juiste hulp, structuur en begeleiding opnieuw een dergelijk misdrijf zal begaan. Zij vindt het daarom van belang dat de noodzakelijk geachte begeleiding en behandeling ook bij een eventueel in te stellen hoger beroep wordt voortgezet. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de bijzondere voorwaarden en het toezicht door de jeugdreclassering dadelijk uitvoerbaar zijn.
Voorlopige hechtenis
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

7.De benadeelde partij

parketnummer 02-135565-25
Namens de benadeelde partij [benadeelde] is een vordering tot schadevergoeding ingediend van € 2.558,95 voor de schade die hij als gevolg van het tenlastegelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering is opgebouwd uit een bedrag van € 808,95 aan materiële schade en € 1.750,- aan immateriële schade.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde schadevergoeding voldoende met stukken is onderbouwd en om die reden voor toewijzing vatbaar is. Voor wat betreft de hoogte van de immateriële schadevergoeding refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging voert ten aanzien van de materiële schadevergoeding geen verweer. Gelet op de confrontatie tussen verdachte en aangever in januari 2026 en waarvan verdachte aangifte bij de politie heeft gedaan, verzoekt de verdediging primair om de immateriële schade te parkeren in afwachting van de inzet van mediation dan wel Perspectief Herstelbemiddeling. Subsidiair verzoekt de verdediging om het totale bedrag aan schadevergoeding te matigen tot € 1.500,-.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde feit heeft gepleegd. Dit betekent dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover het slachtoffer en dat hij verplicht is zijn schade te vergoeden.
Materiële schade
De benadeelde partij heeft een bedrag van € 808,95 gevorderd aan materiële schade, bestaande uit € 139,- aan een broek, € 79,95 aan een jas en € 590,- aan schoenen.
De rechtbank zal de vordering voor een bedrag van
€ 808,95toewijzen. De rechtbank is van oordeel dat deze kosten in voldoende rechtstreeks verband staan met het bewezenverklaarde en met stukken is onderbouwd. De verdediging heeft op dit punt ook geen verweer gevoerd.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft een bedrag van € 1.750,- gevorderd aan immateriële schade.
De door het slachtoffer geleden immateriële schade acht de rechtbank toewijsbaar tot een bedrag van
€ 750,-gelet op de omstandigheden, de onderbouwing die aan de vordering ten grondslag ligt en de hoogte van de schadevergoedingen die in min of meer vergelijkbare gevallen zijn toegekend, maar ook in het licht van het aandeel van de benadeelde in het langer lopende conflict tussen de benadeelde en verdachte, en in de confrontatie met verdachte in januari 2026. De rechtbank is van oordeel dat deze schade in een voldoende verband staat met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit. Uit de toelichting op de vordering van de benadeelde partij en de schriftelijke slachtofferverklaring van de moeder van de benadeelde partij blijkt dat het incident een grote impact op het slachtoffer en zijn psychisch welbevinden heeft (gehad). Het slachtoffer is ten tijde van het misdrijf angstig geweest en heeft gedurende een week last van nachtmerries en herbelevingen gehad. De rechtbank acht het dan ook aannemelijk dat het incident ingrijpende gevolgen voor het slachtoffer heeft gehad. Voor het overige deel van de vordering zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren. Dat deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Wettelijke rente
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 2 mei 2025.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen. De rechtbank zal geen vervangende gijzeling verbinden aan de schadevergoedingsmaatregel (aantal dagen: 0). De rechtbank houdt daarbij rekening met de landelijke afspraken die hieromtrent zijn gemaakt ten aanzien van jeugdzaken en ziet geen aanleiding om daarvan af te wijken.
Kostenveroordeling
Ook zal de rechtbank verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, nu er geen proceskosten zijn gevorderd tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 45, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa en 302 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9.De beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
-
spreekt verdachte vrijvan het primair en subsidiair tenlastegelegde feit onder
02-135565-25 en het tenlastegelegde feit onder 02-284599-25;
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
parketnummer 02-135565-25
Meer subsidiair: poging tot zware mishandeling;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 50 (vijftig) uren;
- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht,
vervangende jeugddetentiezal worden toegepast van
25 (vijfentwintig) dagen;
- bepaalt dat verdachte deze
50 (vijftig) urendient te verrichten binnen een termijn van
9 (negen) maanden;
- veroordeelt verdachte tot
een jeugddetentie van 68 (achtenzestig) dagen, waarvan 60 (zestig) dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht, in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie;
- bepaalt dat deze jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd na te melden voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als
bijzondere voorwaardendat verdachte:
* zal meewerken aan het ITB HKA kader voor de duur van zes maanden;
* zich zal houden aan een locatieverbod voor het gebied [plaats] centrum;
* op geen enkel moment een mes bij zich zal hebben;
* zal meewerken aan dagbesteding, alsmede continuering van schoolgang en het eventueel continueren van een passende stage;
* zal meewerken aan afname van urinecontroles;
* zal meewerken aan hulpverlening omtrent gebruik verdovende middelen indien en zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
* zal meewerken aan ambulante hulpverlening door [stichting] of een soortgelijke instelling indien en zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
* zal meewerken aan beschermd wonen indien en zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
* openheid geeft over zijn netwerk, ook in online contacten, en actief mee zal werken aan ondersteuning die gericht is op het afstand nemen van antisociale contacten;
* zal meewerken aan het reeds geldende avondklok schema te weten:
Maandag: 3 uur onbegeleid naar buiten, 20:00 uur thuis;Dinsdag: 3 uur onbegeleid naar buiten, 20:00 uur thuis;Woensdag: 3 uur onbegeleid naar buiten, 20:00 uur thuis;Donderdag: 3 uur onbegeleid naar buiten, 20:00 uur thuis;Vrijdag: 3 uur onbegeleid naar buiten, 22:00 uur thuis;Zaterdag: 5 uur onbegeleid naar buiten, 22:00 uur thuis;Zondag: 5 uur onbegeleid naar buiten, 20:00 uur thuis;
en dat dit schema door de jeugdreclassering kan worden aangepast indien en zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
- bepaalt dat
van rechtswege gelden de bijzondere voorwaarden:
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
* dat verdachte medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, de medewerking van huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- geeft hierbij opdracht aan de gecertificeerde instelling William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering te Amsterdam tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- beveelt dat voormelde voorwaarden en het uit te oefenen reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;
Benadeelde partij
parketnummer 02-135565-25
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij
[benadeelde]van
€ 1.558,95, waarvan € 808,95 aan materiële schade en € 750,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 2 mei 2025 tot aan de dag der voldoening;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
Schadevergoedingsmaatregel
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[benadeelde] , € 1.558,95te betalen, waarvan € 808,95 aan materiële schade en € 750,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 mei 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling
0 dagen gijzelingkan worden toegepast;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Voorlopige hechtenis
parketnummer 02-135565-25
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.E. Verschoor-Bergsma, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. P.W.G. de Beer en mr. G.E. van der Pols, (kinder)rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.G. Vork, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 11 maart 2026.
Mr. Van der Pols is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.