ECLI:NL:RBZWB:2026:1601

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
C/02/440777 / FA RK 25-5254
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Oomes
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorzieningen in zorgregeling en toewijzing kinderalimentatie na relatiebeëindiging

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 30 januari 2026 een verzoek tot voorlopige voorzieningen in een familierechtelijke zaak tussen een vrouw en een man. De vrouw verzocht onder meer om toevertrouwing van de kinderen, beschikbaarstelling van goederen en vaststelling van kinderalimentatie. De man verzocht om een zorgregeling en informatieregeling.

De rechtbank wees de toevertrouwing van de kinderen aan de vrouw toe, omdat de man hiertegen geen verweer voerde en het belang van de kinderen zich niet tegen toewijzing verzette. De man kreeg eenmaal per week begeleid contact met de kinderen onder toezicht van een hulpverlenende instantie, en beeldbellen werd geregeld op maandag en vrijdag. De Raad voor de Kinderbescherming kreeg opdracht een uitgebreid onderzoek te doen naar de zorgregeling en ouderlijke omgang.

De rechtbank stelde de kinderalimentatie vast op €500 per kind per maand met ingang van de datum van de beschikking, omdat de man geen verweer voerde tegen de hoogte maar wel tegen de ingangsdatum. Ook werd bepaald dat de vrouw de man maandelijks informeert over de kinderen en geen gezagsbeslissingen neemt zonder schriftelijke toestemming van de man. Tot slot werd de man bevolen de persoonlijke spullen van de vrouw en kinderen beschikbaar te stellen, waarbij de vrouw deze onder politiebegeleiding mag ophalen.

Uitkomst: De rechtbank wijst de toevertrouwing van de kinderen aan de moeder toe, stelt een begeleide zorgregeling vast en bepaalt kinderalimentatie van €500 per kind per maand vanaf datum beschikking.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/440777 / FA RK 25-5254
datum uitspraak 13 februari 2026
beschikking over het treffen van voorlopige voorzieningen
in de zaak van
[de vrouw],
wonende in [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. M. Czarnota,
en
[de man],
wonende in [woonplaats 2] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. J.M. Wigman,
voormalig advocaat mr. M.H.C. Karens.
1. Het procesverloop
1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 13 oktober 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen van de vrouw;
- de brieven van mr. Czarnota van 22 januari 2026 en 27 januari 2026, beide met bijlagen;
- het op 28 januari 2026 ontvangen verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen van de man.
1.2. De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 30 januari 2026. Daarbij waren partijen aanwezig. Zij werden bijgestaan door hun advocaat. Ook was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad.

2.De verzoeken

2.1.
De vrouw verzoekt, samengevat:
- toevertrouwing van de kinderen aan haar;
- beschikbaarstelling van goederen aan haar;
- vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de kinderen van € 500,= per maand per kind.
2.2.
De man verzoekt, samengevat:
- vaststelling van een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken;
- vaststelling van een informatieregeling.

3.De beoordeling

Toevertrouwing
3.1.
De vrouw verzoekt om toevertrouwing van de kinderen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , aan haar. In het kader van deze procedure voert de man geen verweer tegen dit verzoek.
3.2.
De rechtbank wijst het verzoek als onweersproken en op de wet gegrond toe, nu ook niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich hiertegen verzet.
Zorgregeling
3.3.
De man verzoekt vaststelling van een voorlopige regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling), inhoudende dat de kinderen bij de man verblijven:
- in de ene week van vrijdag vanuit school tot zaterdag 19.00 uur;
- in de andere week van vrijdag vanuit school tot zondag 16.00 uur;
- op woensdag vanuit school tot 17.00 uur;
- gedurende de helft van de gebruikelijke schoolvakanties (in onderling overleg concreet te verdelen);
- waarbij de man het halen en brengen van de kinderen zal regelen.
Daarnaast verzoekt de man om de afspraken tussen partijen over de beeldbelmomenten met
de kinderen in de beschikking op te nemen.
Voor de onderbouwing van zijn verzoek geeft de man aan dat hij al een hele periode geen fysiek contact heeft met de kinderen. De vrouw is in december 2024 met de kinderen naar [woonplaats 1] vertrokken waarna de man de kinderen wekelijks op woensdag heeft gezien. In de periode van februari 2025 tot juni 2025 zijn partijen weer bij elkaar gekomen en is de man veel in [woonplaats 1] geweest. Vervolgens heeft de vrouw besloten de relatie definitief te beëindigen. Vanaf dat moment is er geen fysiek contact meer geweest tussen de man en de kinderen. Hij mist de kinderen verschrikkelijk en hij vindt het belangrijk dat het contact zo snel mogelijk wordt hersteld. Volgens de man zijn er geen gronden om de contacten met de kinderen te begeleiden. De man ervaart dat de vrouw hem op allerlei fronten in een negatief daglicht probeert te stellen en dat de betrokken instanties haar verhaal als waarheid zien. Hij herkent zich in ieder geval niet in het beeld dat de vrouw van hem schetst.
3.4.
Op de mondelinge behandeling heeft de vrouw ingestemd met het opnemen van de afspraken over het beeldbellen. Ten aanzien van de gevraagde zorgregeling heeft zij uitdrukkelijk verweer gevoerd. Volgens de vrouw is sprake van dwingende controle. Er heeft vaak huiselijk geweld plaatsgevonden en inmiddels heeft de vrouw ook aangifte gedaan van stalking. Daarnaast is er bij de man sprake van middelengebruik. Voor de onderbouwing van haar standpunt heeft de vrouw een groot aantal stukken ingediend. Nu de vrouw heeft aangegeven te willen scheiden en met de kinderen is vertrokken naar [woonplaats 1] , zijn de kinderen voor de man een controlemiddel geworden. De vrouw vindt het belangrijk dat wordt onderzocht wat op dit moment haalbaar is in het contact tussen de man en de kinderen, waarbij de veiligheid van de kinderen voorop staat. De vrouw vraagt dan ook om de Raad te gelasten een onderzoek te doen en het rapport in te brengen in de bodemprocedure.
3.5.
De Raad heeft op de mondelinge behandeling aangegeven dat er veel zorgen zijn. In de stukken wordt gesproken over structurele onveiligheid. Er zijn twee huisverboden geweest. Ook zijn er veel zorg- en politiemeldingen geweest. De Raad vindt dit een bijzonder risicovolle situatie voor de ontwikkeling van de kinderen. Het is belangrijk dat wordt gekomen tot een gedegen feitenonderzoek en er nauwkeurig wordt gekeken naar de ontwikkeling van de kinderen. Op dit moment staat het gezin al op de wachtlijst voor een beschermingsonderzoek. De Raad adviseert ook de opdracht te geven dit onderzoek uit te breiden naar een gezags-/omgangsonderzoek. De Raad geeft aan dat in afwachting van het onderzoek het helpend kan zijn als de betrokken instanties (Veilig Thuis of het [hulpverlening 1] ) bij ouders een zogenoemde ‘MASIC’ afnemen. Wanneer de ‘MASIC’ in een eerder stadium wordt afgenomen, beschikt de Raad bij de start van zijn onderzoek al over veel informatie. Wat betreft het contact tussen de man en de kinderen geeft de Raad aan dat de kinderen hun vader al enige tijd niet meer fysiek hebben gezien. Mede hierdoor is het belangrijk om het contact op te starten onder begeleiding van het [hulpverlening 1] . Op die manier is het contact tussen de man en de kinderen gewaarborgd. Aan de andere kant kan zo objectief informatie worden verkregen over de kwaliteit van het contact tussen de man en de kinderen, komt er zicht op de ouder-kind relatie en kan worden gemonitord of de man voldoende aansluit bij de kinderen. Deze bevindingen kunnen ook worden meegenomen in het onderzoek van de Raad.
3.6.
De rechtbank heeft op de zitting haar zorgen geuit over de situatie tussen partijen en wat dat betekent voor hun jonge kinderen. De verhalen van partijen staan lijnrecht tegenover elkaar en zij betwisten over en weer elkaars standpunten, maar allebei de partijen geven aan dat er veel ruzies en spanningen zijn geweest. De kinderen zijn hiervan ook getuige geweest. Uit de stukken blijkt dat tweemaal een huisverbod aan de man is opgelegd en dat er meerdere politiemeldingen zijn gedaan. Daarnaast zijn in de afgelopen jaren verschillende zorgmeldingen over het gezin gedaan en is er intensief hulpverlening ingezet in het vrijwillig kader. Door een eerdere verhuizing van het gezin is het dossier overgedragen, maar vanaf dat moment is de hulpverlening niet goed meer van de grond gekomen. Nu de vrouw met de kinderen in [woonplaats 1] verblijft, zijn Veilig Thuis West-Brabant en het [hulpverlening 1] betrokken. Op 5 januari 2026 is er een jeugdbeschermingstafel geweest waarin afspraken zijn gemaakt en is de noodzaak benoemd om de Raad een beschermingsonderzoek te laten doen.
3.7.
De rechtbank maakt zich zorgen hoe op dit moment een voor de kinderen onbelast contact met hun vader kan bestaan, met alles wat er speelt en de beschuldigingen die er liggen. Daarbij speelt ook dat er al enige tijd geen fysiek contact is geweest tussen de kinderen en de man. Met de Raad is de rechtbank van oordeel dat het belangrijk is om het contact tussen de man en de kinderen snel weer op te starten, maar dit moet wel op een voor de kinderen onbelaste manier gebeuren. De rechtbank is van oordeel dat bij het contact begeleiding nodig is van een hulpverlenende instantie, bijvoorbeeld het [hulpverlening 2] , zoals door de Raad is geadviseerd. Deze begeleiding kan ervoor zorgen dat het contact rustig wordt opgestart en goed wordt gemonitord. Als blijkt dat het contact goed verloopt, kan op aanwijzing van de begeleiding worden toegewerkt naar uitbreiding van het contact. Mocht het contact niet goed verlopen, dan kan direct worden aangestuurd en kunnen handvatten worden gegeven. Verder is het noodzakelijk dat er een zorgvuldig en objectief onderzoek komt naar in ieder geval de vraag welke zorgregeling het meest in het belang van de kinderen is. Partijen hebben allebei aangegeven achter een onderzoek door de Raad te staan.
3.8.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank aan de Raad dan ook de opdracht geven om het aanstaande beschermingsonderzoek uit te breiden met, althans een onderzoek in te stellen naar, in ieder geval de volgende onderzoeksvragen:
- welke hoofdverblijfplaats komt het meest tegemoet aan de belangen van de kinderen?
- welke zorgregeling althans welke vorm van contact met de man komt het meest tegemoet aan de belangen van de kinderen?
- hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?
- of zijn er contra-indicaties voor contact en zo ja, welke?
- in hoeverre zijn die contra-indicaties op te heffen; hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn?
- zijn er tijdens het onderzoek nog andere feiten/omstandigheden naar voren gekomen die van belang zijn?
Aan de Raad wordt verzocht te rapporteren in de bodemprocedure met zaaknummer
C/02/442865 /FA RK 25-6353.
3.9.
De rechtbank ziet met de Raad het belang om bij partijen een ‘MASIC’ af te doen nemen en geeft de betrokken hulpverlening in overweging om hier spoedig toe over te gaan.
3.10.
Voor de invulling van een voorlopige zorgregeling zijn partijen het er over eens geworden dat de man eenmaal per week op woensdag na (voor)school voor de duur van twee uur contact heeft met de kinderen onder begeleiding. Het is mogelijk om in overleg een andere dag af te spreken. Op aanwijzing van de hulpverlening kan deze voorlopige zorgregeling worden uitgebreid of ingeperkt, indien dit in het belang is van de kinderen. Deze afspraken zal de rechtbank opnemen in de beschikking. Het is aan partijen om bij de betrokken hulpverlening de hulpvraag neer te leggen om de contacten tussen de man en de kinderen te begeleiden.
3.11.
Verder zal de rechtbank de afspraak van partijen over het beeldbellen in de beschikking opnemen. Gebleken is dat partijen met elkaar hebben afgesproken dat de man en de kinderen iedere maandag en vrijdag om 15.30 uur met elkaar beeldbellen. Ook hiervoor geldt dat in overleg een andere dag (of tijd) mogelijk is. De rechtbank benadrukt het belang dat deze beeldbelmomenten voor de kinderen op een onbelaste manier verlopen.
Informatieregeling
3.12.
De man verzoekt te bepalen dat de vrouw hem deugdelijk informeert over de kinderen, in ieder geval met een maandelijks verslag per e-mail op de eerste van de maand en onverwijld bij medische en spoedeisende zaken en dat de vrouw geen gezagsbeslissingen kan en mag nemen zonder de uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van de man. De vrouw heeft op de mondelinge behandeling met de door de man gevraagde informatie- en consultatieregeling ingestemd.
3.13.
De rechtbank zal het verzoek van de man als onweersproken en op de wet gegrond toewijzen, nu ook niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich hiertegen verzet.
Kinderalimentatie
3.14.
De vrouw verzoekt om vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van € 500,= per kind per maand, met ingang van 1 januari 2025, dan wel datum indiening verzoekschrift.
3.15.
De man voert in het kader van deze procedure geen verweer tegen de (hoogte van de) verzochte bijdrage, maar stelt dat de ingangsdatum niet eerder kan zijn gelegen dan de datum van deze beschikking.
3.16.
De rechtbank acht het in het kader van deze voorlopige voorzieningen redelijk om de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie van € 500,= per kind per maand te bepalen met ingang van de datum van de beschikking. Het verzoek van de vrouw wordt tot zover toegewezen.
Beschikbaar stellen van goederen
3.17.
De vrouw verzoekt de man te veroordelen tot afgifte van de persoonlijke spullen van de vrouw en de kinderen waaronder hun kleding en het speelgoed van de kinderen. De man heeft hiertegen verweer gevoerd.
3.18.
Op de mondelinge behandeling zijn partijen het er over eens geworden dat de man aan de vrouw al haar kleding en schoenen en de helft van het speelgoed van de kinderen (het speelgoed in de doorzichtige dozen in de garage en de helft van het speelgoed in de woonkamer) zal afgeven. Tussen partijen blijft discussie bestaan op welke manier deze spullen aan de vrouw toekomen.
3.19.
De vrouw wil de spullen zelf ophalen. Zij geeft aan dat zij de woning halsoverkop onder politiebegeleiding heeft moeten verlaten. Daardoor heeft zij bijna niets mee kunnen nemen. De vrouw wil zelf haar spullen inpakken. Om dit proces in goede banen te leiden, stelt de vrouw voor dat de betrokken wijkagent en de vriend van haar dochter hierbij aanwezig zijn. De man stelt voor dat hij de spullen naar de vrouw brengt dan wel laat brengen. De man geeft aan de vrouw niet te vertrouwen en hij wil niet dat zij nog in de woning komt.
3.20.
De rechtbank zal ook op dit punt een beslissing nemen nu beide partijen hier om hebben verzocht. De rechtbank acht het meest redelijk dat de vrouw – zo spoedig mogelijk – zelf haar kleding en schoenen en de helft van het speelgoed van de kinderen (al het speelgoed in de doorzichtige dozen in de garage en de helft van het speelgoed in de woonkamer) op kan halen bij de man, onder begeleiding van de betrokken wijkagent. Onder die voorwaarde gaat de rechtbank ervan uit dat de toetreding van de vrouw in de woning en het inpakken en meenemen van de betreffende spullen op correcte wijze zal verlopen, waarmee in zoverre ook tegemoet wordt gekomen aan de bezwaren van de man.

4.De beslissing

De rechtbank
4.1.
bepaalt dat aan de vrouw worden toevertrouwd de minderjarigen
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 1] 2023 in [geboorteplaats 1] ;
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 2] 2021 in [geboorteplaats 2] ;
4.2.
bepaalt dat de man en de kinderen in het kader van een
voorlopigezorgregeling gerechtigd zijn tot het hebben van begeleid contact eenmaal per week op woensdag na (voor)school voor de duur van twee uur, met inachtneming van rechtsoverweging 3.10.;
4.3.
bepaalt dat de man en de kinderen iedere maandag en vrijdag om 15.30 uur met elkaar beeldbellen, met inachtneming van rechtsoverweging 3.11.;
4.4.
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, een onderzoek in te stellen voor de beantwoording van de onder rechtsoverweging 3.6. opgenomen vragen en daarover te rapporteren en te adviseren, en bepaalt dat het hiervoor door de Raad op te maken rapport bij de rechtbank moet worden ingediend in de hoofdzaak met kenmerk C/02/442865 / FA RK 25-6353;
4.5.
bepaalt dat de vrouw de man in ieder geval met een maandelijks verslag per e-mail informeert over de kinderen, op de eerste van de maand en onverwijld bij medische en spoedeisende zaken, en dat de vrouw geen gezagsbeslissingen neemt zonder uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van de man;
4.6.
bepaalt dat de door de man te betalen bijdrage voor de verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van de datum van deze beschikking
voorlopigwordt vastgesteld op € 500,= per maand per kind, aan de vrouw bij vooruitbetaling te voldoen;
4.7.
beveelt de man de goederen strekkende tot dagelijks gebruik van de vrouw en de kinderen aan de vrouw beschikbaar te stellen, zoals is overwogen in rechtsoverweging 3.20.;
4.8.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Oomes, rechter, en, in tegenwoordigheid van mr. Hurkmans, griffier, in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2026.