In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, gedateerd 15 januari 2026, wordt de beëindiging van de WIA-uitkering van eiser beoordeeld. Eiser, die eerder als heftruckchauffeur werkte, heeft zijn uitkering aangevraagd na uitval door gezondheidsklachten. De rechtbank onderzoekt of het UWV terecht heeft besloten de uitkering te beëindigen op basis van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Eiser betwist de beëindiging en voert verschillende beroepsgronden aan. De rechtbank concludeert dat het UWV de WIA-uitkering terecht heeft beëindigd, omdat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is. De rechtbank legt uit dat de medische en arbeidskundige beoordelingen door het UWV zorgvuldig zijn uitgevoerd en dat de beperkingen van eiser correct zijn vastgesteld. Eiser heeft onvoldoende bewijs geleverd om aan te tonen dat zijn situatie ernstiger is dan door het UWV is aangenomen. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wat betekent dat de beslissing van het UWV in stand blijft en eiser geen recht heeft op een WIA-uitkering.