AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens onvoldoende bewijs vermogen in Irak
Eisers hadden een bijstandsuitkering die werd beëindigd nadat het college meldingen ontving over mogelijk vermogen van eiser in Irak, waar hij ook het grootste deel van de tijd verbleef. Het college startte een onderzoek en vond een Facebook-account waarop onroerend goed in Irak te koop werd aangeboden, vermoedelijk eigendom van eiser. Eisers vroegen opnieuw bijstand aan, maar konden niet aannemelijk maken dat zij geen vermogen hadden, waardoor het college de aanvraag afwees.
Eisers leverden later verklaringen van familieleden en documenten aan, maar de rechtbank vond deze onvoldoende overtuigend en constateerde inconsistenties in de verklaringen en het gebruik van het Facebook-account. Het college mocht daarom de aanvraag afwijzen. Daarnaast werd bijstand toegekend op grond van artikel 16 PWPro wegens dringende redenen, maar eisers hadden geen belang bij een beoordeling van dit besluit.
De rechtbank concludeerde dat het college terecht de aanvraag afwees vanwege onvoldoende bewijs van het vermogen en dat het beroep tegen de toekenning niet-ontvankelijk was. Eisers kregen geen gelijk en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep tegen de afwijzing van de bijstandsaanvraag af en verklaart het beroep tegen de toekenning op grond van artikel 16 PW niet-ontvankelijk.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 24/8457 en 24/8458 PW
uitspraak van de meervoudige kamer van 11 maart 2026 in de zaken tussen
[eiser] (eiser) en [eiseres] (eiseres), uit [plaats] , tezamen eisers
(gemachtigde: mr. D. Marcus),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gilze en Rijen (het college), verweerder.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college tot afwijzing van een aanvraag van eisers voor een bijstandsuitkering en een besluit tot toekenning van een bijstandsuitkering op grond van artikel 16 vanPro de Participatiewet (PW). Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden zal de rechtbank beide zaken beoordelen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag op juiste gronden heeft afgewezen en dat eisers geen belang hebben bij een beoordeling van het toekenningsbesluit. Eisers krijgen dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eisers ontvingen een bijstandsuitkering van het college. Het college heeft in mei 2021 een fraudemelding ontvangen dat eiser vermogend is in Irak en daar veel onroerend goed bezit en dat hij daar het grootste deel van de tijd verblijft. In januari 2022 is een soortgelijke melding ontvangen. Naar aanleiding van deze meldingen is het college een onderzoek gestart. In dat kader zijn meerdere gesprekken gevoerd met eiseres en eiser en is er onderzoek gedaan op internet. Daarbij is een Facebook-account gevonden op naam van eiser, waarop een boerderij met grond, een woning, een villa en een commercieel gebouw met drie winkels en een appartement (alle in Irak) te koop werden aangeboden.
2.1.
Nog voor de afronding van het onderzoek heeft het college de bijstandsuitkering van eisers beëindigd per 13 augustus 2023 omdat zij langer dan vier weken in het buitenland verbleven.
2.2.
Op 4 september 2023 hebben eisers opnieuw een bijstandsuitkering aangevraagd. Vanwege het nog niet afgeronde onderzoek, waaruit een vermoeden voortkwam van vermogen in het buitenland, heeft het college eisers gevraagd om stukken waaruit blijkt wie de eigenaar is van het onroerend goed in Irak dat op Facebook te koop werd aangeboden. In een gesprek met eisers hebben zij verklaard dat zij geen vermogen hebben in Irak, alles is van de familie van eiser.
2.3.
Met een besluit van 19 december 2023 (primair besluit I) heeft het college de aanvraag afgewezen. De reden hiervoor is dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld omdat het vermogen van eisers niet kan worden vastgesteld. Nu eisers geen bewijzen hebben overgelegd wie de eigenaar is van het onroerend goed in Irak, hebben zij volgens het college ook niet aannemelijk gemaakt dat zij recht hebben op een uitkering. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
2.4.
In een besluit van 7 maart 2024 (primair besluit II) heeft het college herhaald wat in primair besluit I staat: omdat niet vastgesteld kan worden wat het vermogen van eisers is, kan ook niet vastgesteld worden of zij recht hebben op bijstand. Op grond van een bericht van het Sociaal Team (uitvoering Jeugdwet) vindt het college de gezinsomstandigheden echter zodanig dat er een dringende reden is om toch bijstand te verlenen. Daarom wordt met ingang van 4 september 2023 bijstand toegekend op grond van artikel 16 vanPro de PW. Ook tegen dit besluit hebben eisers bezwaar gemaakt.
2.5.
Met het bestreden besluit van 12 november 2024 heeft het college het bezwaar van eisers tegen beide primaire besluiten ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat onvoldoende is aangetoond dat eisers niet beschikken over vermogen boven de vermogensgrens. Bovendien acht het college niet aannemelijk dat eiser, die lange tijd in Irak verblijft, zonder inkomen in zijn levensonderhoud kan voorzien. Dit versterkt het vermoeden van bezit van vastgoed in Irak en het kunnen beschikken over inkomen.
2.6.
Eisers hebben hiertegen twee beroepen ingesteld. Het beroep met zaaknummer 24/8457 ziet op de afwijzing van de aanvraag en het beroep met zaaknummer 24/8458 ziet op de toekenning van bijstand.
2.7.
Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
2.8.
De rechtbank heeft de beroepen op 26 februari 2026 gelijktijdig op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers met [tolk] als tolk en mr. T.J.A. Schillings als waarnemend gemachtigde en namens het college drs. [vertegenwoordiger college 1] en [vertegenwoordiger college 2] .
Beoordeling door de rechtbank
Wet- en regelgeving
3. De voor de beoordeling van de beroepen van belang zijnde wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak
Standpunt eisers
4. Eisers hebben aangevoerd dat de Facebook-pagina waarop het onroerend goed is aangeboden ook wordt gebruikt door eisers broers en zussen en dat de aangeboden objecten van hen waren. Ter onderbouwing hebben zij verklaringen van drie broers en een zus en vertaalde (ver)koopaktes overgelegd. Ten onrechte neemt het college die verklaringen niet in aanmerking als objectieve deugdelijke bewijsstukken en hecht het onvoldoende waarde aan de aktes. Volgens eisers stelt het college onredelijk hoge eisen aan het te overleggen bewijs. Zij verkeren in bewijsnood, aangezien het kadastrale systeem in Irak zeer gebrekkig is. De informatie is vaak achterhaald, het actualiseren van registers wordt bemoeilijkt door vertragende bureaucratie en corruptie. Daarnaast is het systeem niet gecentraliseerd en in sommige gebieden niet gedigitaliseerd. Bovendien zijn kadastrale gegevens soms niet meer beschikbaar vanwege verwoestingen van registers in de Golfoorlog, de Irakoorlog en de opkomst van IS. Volgens eisers hebben zij, gelet op de beperkte mogelijkheden, voldoende aannemelijk gemaakt dat de aanvraag moet worden ingewilligd. Verder stellen eisers dat voor zover eiser al een bron van inkomsten zou hebben waarmee hij zijn verblijf in Irak financiert, dit geen invloed heeft op de financiële situatie van eiseres omdat zij aantoonbaar niet meedeelt in die inkomsten. Ook had het recht op bijstand van eiseres apart beoordeeld moeten worden, omdat het college stelt dat eiser een niet-rechthebbende partner is (geworden) door zijn lange verblijf in Irak.
Verder stellen eisers dat het besluit in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het fair-play-beginsel.
Standpunt college
5. Het college stelt dat als belanghebbenden niet aannemelijk maken dat zij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeren, dit een grond is voor afwijzing van de aanvraag. De afwijzing van de aanvraag ziet niet alleen op het ontbreken van bewijsstukken uit het kadastrale systeem. De onderzoeksbevindingen, waaronder fraudemeldingen, het veelvuldig en langdurig verblijf in Irak en het overleggen van twijfelachtige verklaringen van familieleden hebben niet aannemelijk gemaakt dat eisers in bijstandbehoevende omstandigheden verkeren. De stukken die zijn overgelegd geven geen beeld van oprechtheid ten aanzien van de verstrekte inlichtingen.
Verder is onduidelijk gebleven hoe eiser in Irak in zijn levensonderhoud voorziet, waarom hij daar het merendeel van de tijd verblijft en waar hij verblijft. Door het sterke vermoeden van vermogen in Irak acht het college het niet onaannemelijk dat hij verblijft in onroerend goed dat bezit van eisers is. Het is niet aannemelijk dat hij in die lange periode van het inkomen van derden leeft.
Volgens het college is er een andere inkomstenbron. Daarnaast zijn eisers gehuwd en niet voornemens te scheiden. Dat eiser als niet-rechthebbende partner wordt aangemerkt ontslaat eiseres niet van haar inlichtingenplicht, ook omtrent inkomen of vermogen van haar niet-rechthebbende partner.
Beoordeling door de rechtbank
De afwijzing van de aanvraag van 4 september 2023 (24/8457)
6. Eisers hebben, na de beëindiging van hun bijstandsuitkering, op 4 september 2023 opnieuw bijstand aangevraagd. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) moet iemand die bijstand aanvraagt aannemelijk maken dat hij recht heeft op bijstand. De bewijslast van de bijstandbehoevendheid rust dus in beginsel op de aanvrager. Een aanvrager moet daarom feiten en omstandigheden aannemelijk maken die duidelijkheid geven over zijn woon- en leefsituatie en over zijn financiële situatie. Daarna moet het college in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid controleren. Als de aanvrager niet aannemelijk maakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert, is dit een grond voor afwijzing van de aanvraag. Als het college aannemelijk maakt dat een aanvrager de inlichtingen- of medewerkingsverplichting heeft geschonden, is dit een grond voor afwijzing van de aanvraag als daardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. [1]
6.1.
De rechtbank stelt voorop dat het college terecht aanleiding heeft gezien om aan eisers bewijsstukken te vragen over mogelijk vermogen in Irak. Uit het onderzoek naar aanleiding van de ontvangen fraudemeldingen (waarin staat dat eiser veel vermogen in Irak zou hebben) is namelijk gebleken dat er een Facebook-account op eisers naam stond waarop grond en onroerend goed te koop is aangeboden in de periodes waarin hij in Irak verbleef. Eisers betwisten ook niet dat het college hier nadere vragen over mocht stellen.
6.2.
De grief dat het onderzoek onvoldoende zorgvuldig was slaagt niet. Het college heeft eisers voldoende in de gelegenheid gesteld om bewijsstukken over het onroerend goed in Irak aan te leveren. Het is aan eisers om de benodigde inspanningen te leveren om documenten aan te leveren en om eventuele bewijsnood nader te onderbouwen en niet aan het college om hier onderzoek naar te doen. Als er informatie ingewonnen had kunnen worden bij de Irakese ambassade in Nederland, zoals ter zitting door eisers is gesteld, lag dat op de weg van eisers, niet van het college.
6.3.
De rechtbank stelt vast dat eisers voordat primair besluit I werd genomen geen enkel (bewijs)stuk hebben overgelegd over het onroerend goed in Irak. Op dat moment was er dan ook voldoende reden om de aanvraag af te wijzen.
6.4.
In het vervolg van de procedure zijn echter wel stukken aangeleverd. Dit betreft onder andere verklaringen van drie broers en een zus van eiser, een verklaring van een advocaat van de familie, plus een eigendomsakte van de villa (in het Arabisch) en een aantal koopovereenkomsten met vertalingen.
6.5.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college echter terecht geconcludeerd dat hiermee onvoldoende duidelijkheid is geschapen over het vermogen van eiser in Irak. Nu het onroerend goed te koop werd aangeboden op het Facebook-account van eiser, mag er in beginsel van worden uitgegaan dat het bezittingen van eiser betreffen en ligt het op de weg van eisers om het tegendeel aannemelijk te maken. De rechtbank is, met het college, van oordeel dat eisers daarin niet zijn geslaagd.
6.6.
In de eerste plaats hebben eisers onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het Facebook-account niet door eiser werd gebruikt. De verklaringen van eisers over de totstandkoming van, de toegang tot en het gebruik van het account zijn niet consistent.
Ook komt het voor eisers rekening en risico dat hij zijn Facebook-account – zoals hij stelt – door anderen laat gebruiken en dat er in de berichten geen melding van wordt gemaakt dat de berichten niet van eiser afkomstig zijn en dat de te koop aangeboden onroerende goederen niet van hem zijn.
6.7.
Eisers stellen dat sprake is van bewijsnood. In dit verband overweegt de rechtbank dat bewijs van eigendom van onroerend goed in de eerste plaats te vinden is in het kadaster. Ook Irak kent een kadaster en het ligt dus in de rede dat eisers uittreksels uit het kadaster zouden overleggen. Dat is echter niet gebeurd. Gesteld noch gebleken is dat eisers überhaupt hebben geprobeerd uittreksels uit het kadaster te verkrijgen. De enkele stelling van eisers dat het kadaster in Irak onvolledig en onbetrouwbaar is, is onvoldoende.
6.8.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat aan kopieën van eigendomsbewijzen of koopovereenkomsten minder waarde kan worden gehecht, nu het college geen inzicht heeft gehad in de originele documenten. Eisers stellen dat niet van hen verlangd kan worden om originele eigendomsbewijzen aan anderen te vragen om die mee te nemen uit Irak en te overleggen aan het college. Maar zeker nu het onroerend goed volgens eisers eigendom is van directe familieleden, had het op hun weg gelegen om dan bijvoorbeeld verklaringen van die familieleden te overleggen dat zij niet bereid zijn hieraan mee te werken.
6.9.
Ook aan de verklaringen van de broers en zus van eiser en hun Irakese advocaat heeft het college geen doorslaggevende waarde hoeven hechten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college terecht kanttekeningen geplaatst bij die verklaringen omdat ze in het Nederlands zijn opgesteld, afkomstig zijn van familieleden en omdat pas in tweede instantie is verklaard dat een neef de data en handtekeningen erop heeft geschreven. Er is weinig steunbewijs voor wat er in die verklaringen staat, buiten de overgelegde koopovereenkomsten, maar zoals hiervoor is overwogen kan ook daaraan niet de waarde worden gehecht die eisers eraan toekennen. Het college heeft dan ook terecht geconcludeerd dat de inhoud van die verklaringen onvoldoende verifieerbaar is.
6.10.
Bovendien mocht het college bij de beoordeling betrekken dat eisers tijdens verschillende gesprekken inconsistente en/of tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd over de toegang tot en het beheer van het Facebook-account en het onroerend goed. In dit verband verwijst de rechtbank naar het rapport rechtmatigheidsonderzoek van 13 december 2023, met name de vermelde ‘verwonderingen’ bij de afgelegde verklaringen. Deze inconsistenties zijn gedurende het onderzoek en ook tijdens de bezwaar- en beroepsprocedure niet weggenomen.
Daarbij komt nog dat eisers het (langdurige) verblijf van eiser in Irak niet (altijd) hebben gemeld bij het college en daarover ook tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd. Zo vertelde eiseres voorafgaand aan het huisbezoek aanvankelijk dat haar man ziek was, maar erkende zij later dat hij in Irak was. Ook over de reden van dat verblijf verklaarden eisers verschillend: volgens eiseres vanwege zijn ernstige zieke moeder, maar volgens eiser omdat een oom op sterven lag. Verder is een aantal keer verteld dat eiser in Irak bij zijn zus verbleef, terwijl eisers ter zitting verklaarden dat hij altijd bij zijn moeder verbleef.
6.11.
Voor zover eisers stellen dat het college het recht van eiseres op bijstand apart had moeten beoordelen en dat eventueel vermogen van eiser geen invloed heeft op de financiële situatie van eiseres, geldt dat eiser, als hij langere tijd in Irak is, moet worden aangemerkt als niet-rechthebbende partner. Eisers blijven in dat geval gehuwden in de zin van de PW. Met het vermogen van een niet-rechthebbende partner moet altijd rekening worden gehouden. Voor een toekenning van bijstand aan eiseres zonder rekening te houden met eventueel vermogen van eiser is geen plaats.
6.12.
Dit alles leidt de rechtbank tot de conclusie dat het college op goede gronden heeft geoordeeld dat onduidelijk is gebleven aan wie het onroerend goed in Irak toebehoort en dat daardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Bij primair besluit I is de aanvraag dan ook op goede gronden afgewezen.
6.13.
Gelet op het voorgaande behoeft het standpunt van het college over mogelijke inkomsten van eiser geen bespreking meer.
De toekenning op grond van artikel 16 vanPro de Participatiewet (24/8458)
7. Bij primair besluit II is alsnog bijstand toegekend vanaf de datum van de aanvraag. Dit besluit is dan ook een wijziging van primair besluit I, dat op grond van artikel 6:19 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van rechtswege wordt betrokken in de reeds lopende bezwaarprocedure.
7.1.
De rechtbank stelt vast dat eisers het er mee eens zijn dat er alsnog een bijstandsuitkering is toegekend, maar dat zij het alleen niet eens zijn met de grondslag daarvan. Volgens eisers bestaat er namelijk wel recht op bijstand op grond van artikel 11 vanPro de PW en had dit niet toegekend moeten worden op grond van dringende redenen (artikel 16 vanPro de PW).
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat eisers geen procesbelang hebben bij een beoordeling van dit besluit. Eisers hebben op grond van dit toekenningsbesluit bijstand ontvangen van 4 september 2023 tot 23 november 2024. Een gegrond beroep over de wettelijke grondslag van de toekenning kan niet leiden tot een andere of hogere uitkering en heeft daarom geen feitelijke betekenis voor eisers.
7.3.
In zoverre is het beroep dan ook niet-ontvankelijk.
Conclusie en gevolgen
8. Het college heeft op goede gronden de aanvraag van 4 september 2023 afgewezen. Het beroep daartegen is dan ook ongegrond. Omdat eisers geen procesbelang hebben bij een beoordeling van hun beroep tegen de latere toekenning van bijstand, is het beroep daartegen niet-ontvankelijk. Voor eisers verandert er dus niets.
8.1.
Dit betekent ook dat er geen grond is voor een vergoeding van de proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep voor zover gericht tegen de handhaving van primair besluit I ongegrond;
verklaart het beroep voor zover gericht tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen het primair besluit II niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 11 maart 2026 door mr. M. Breeman, voorzitter, en mr. I.M. Josten en mr. M. Snoeks, rechters, in aanwezigheid van mr. E.A. Vermunt, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Bijlage: wettelijk kader
Participatiewet
Artikel 11, lid 1
Iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege.
Artikel 16, lid 1
Aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, kan het college, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van deze paragraaf, bijstand verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.
Artikel 17, lid 1 (voor zover hier van belang)
De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.
Artikel 19, lid 1
Onverminderd paragraaf 2.2, heeft de alleenstaande of het gezin recht op algemene bijstand indien:
a. het in aanmerking te nemen inkomen lager is dan de bijstandsnorm; en
b. er geen in aanmerking te nemen vermogen is.
Artikel 31, lid 1 (voor zover hier van belang)
Tot de middelen worden alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Tot de middelen worden mede gerekend de middelen die ten behoeve van het levensonderhoud van de belanghebbende door een niet in de bijstand begrepen persoon worden ontvangen.
Artikel 34, lid 1, aanhef en onder a
Onder vermogen wordt verstaan de waarde van bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden. De waarde van de bezittingen wordt vastgesteld op de waarde in het economisch verkeer bij vrije oplevering.