ECLI:NL:RBZWB:2026:1649

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
11646981 \ CV EXPL 25-1722 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Jansen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsachterstand zorgpremies en afwijzing terugvordering te veel betaalde premie

In deze zaak staat een zorgverzekeringsovereenkomst centraal waarbij eiseres, VGZ, betaling van achterstallige premies vordert van gedaagde. Gedaagde betwist de betalingsachterstand en stelt dat de verzekering per 1 juli 2023 is beëindigd en dat hij juist een bedrag tegoed heeft wegens te veel betaalde premies.

De kantonrechter oordeelt dat gedaagde onvoldoende heeft onderbouwd dat de verzekering per 1 juli 2023 is geëindigd. De door VGZ overgelegde beëindigingsbrief van december 2023 en het feit dat gedaagde premies na juli 2023 heeft betaald, maken aannemelijk dat de verzekering tot december 2023 liep. Daarom is gedaagde gehouden de achterstallige premies tot en met december 2023 gedeeltelijk te voldoen.

De vordering van gedaagde tot terugbetaling van te veel betaalde premies wordt afgewezen omdat VGZ heeft toegelicht dat de betalingen ook betrekking hadden op zorgkosten en afbetalingsregelingen, waardoor de berekening van gedaagde onjuist is. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de hoofdsom, wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van achterstallige premies, incassokosten en proceskosten, terwijl zijn vordering tot terugbetaling wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 11646981 \ CV EXPL 25-1722
Vonnis van 11 maart 2026
in de zaak van
VGZ ZORGVERZEKERAAR N.V., H.O.D.N. BEWUZT VAN VGZ,
te Arnhem,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: VGZ,
gemachtigde: Flanderijn Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[persoon],
te [plaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [persoon] ,
procederend in persoon.

1.De zaak in het kort

1.1.
In deze zaak gaat het om een zorgverzekeringsovereenkomst. Volgens VGZ heeft [persoon] een betalingsachterstand laten ontstaan. Zij vordert betaling van de achterstallige premies. [persoon] betwist een achterstand te hebben. Hij heeft de zorgverzekeringsovereenkomst opgezegd en deze is per 1 juli 2023 geëindigd. Daarbij stelt hij juist nog een bedrag van VGZ tegoed te hebben doordat hij te veel premie heeft betaald. De kantonrechter wijst de vordering van VGZ toe. De kantonrechter kan niet vaststellen dat de zorgverzekeringsovereenkomst per 1 juli 2023 is geëindigd. [persoon] moet de achterstand (gedeeltelijk) betalen. Ook is niet vast komen te staan dat [persoon] te veel premie heeft betaald. De vordering van [persoon] wordt daarom afgewezen.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 14 maart 2025;
- de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie;
- de conclusie van repliek in conventie, tevens antwoord in reconventie;
- de conclusie van dupliek in conventie, tevens repliek in reconventie;
- de conclusie van dupliek in reconventie.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
[persoon] heeft met VGZ een zorgverzekeringsovereenkomst gesloten. Op grond van deze overeenkomst is [persoon] maandelijks een premie aan VGZ verschuldigd.
3.2.
[persoon] heeft de premie over de maanden juli, september, oktober, november, december 2023 en januari 2024 niet betaald.

4.Het geschil

in conventie
4.1.
VGZ vordert - samengevat - veroordeling van [persoon] tot betaling van € 761,10, vermeerderd met rente en kosten.
4.2.
VGZ legt aan de vordering ten grondslag dat [persoon] uit hoofde van de gesloten zorgverzekeringsovereenkomst gehouden is maandelijks zijn premie te betalen. VGZ stelt dat de premie over de maanden juli, september, oktober, november, december 2023 en januari 2024 niet is betaald. De achterstand is daardoor € 761,10. VGZ heeft [persoon] meerdere keren verzocht om tot betaling over te gaan. Dit heeft niet geleid tot betaling, waardoor [persoon] ook de wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten aan VGZ moet betalen.
4.3.
[persoon] voert verweer. Hij betwist nog enig bedrag verschuldigd te zijn aan VGZ. De zorgverzekering is per 1 juli 2023 stopgezet en dit is ook bevestigd door VGZ. Daarnaast stelt [persoon] zich op het standpunt dat hij alle verschuldigde premies heeft betaald.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
4.5.
[persoon] vordert - samengevat - veroordeling van VGZ tot betaling van € 252,33, vermeerderd met rente en kosten.
4.6.
[persoon] legt aan de vordering ten grondslag dat hij over de maanden januari tot en met juni 2023 te veel premie heeft betaald. Volgens [persoon] bedroeg de maandelijkse premie in 2023 € 127,45 per maand. Dit betekent dat hij voor de periode van zes maanden een totaalbedrag van € 764,70 aan premie verschuldigd is. Uit het betalingsoverzicht dat door [persoon] is overlegd, blijkt dat hij een bedrag van € 1.017,03 heeft betaald over de periode januari tot en met juni 2023. Volgens [persoon] is dit gelegen in een fout in de automatische incasso. Dit betekent dat hij € 252,33 te veel aan premie heeft betaald. Dit bedrag wordt door [persoon] van VGZ teruggevorderd.
4.7.
VGZ voert verweer. Zij stelt dat de vordering van [persoon] onvoldoende is onderbouwd. [persoon] gaat er ten onrechte vanuit dat de facturen waar hij naar verwijst enkel betrekking hebben op de maandelijkse premie. Dat is volgens VGZ niet het geval. Uit de specificatie die hoort bij de facturen blijkt volgens VGZ dat deze ook gedeeltelijk zien op betaling van termijnen van een afbetalingsregeling die met [persoon] is getroffen. De rekensom die [persoon] maakt, is dus onjuist. De vordering moet daarom worden afgewezen en [persoon] moet veroordeeld worden in de proceskosten.
4.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

in conventie
5.1.
Het gaat in conventie allereerst om de vraag of [persoon] gehouden is het bedrag van € 761,10 aan VGZ te betalen. [persoon] betwist dit bedrag verschuldigd te zijn. De kantonrechter overweegt daarover het volgende.
[persoon] moet de achterstallige premie (gedeeltelijk) betalen
5.2.
VGZ vordert betaling van de achterstallige premie over de maanden juli, september, oktober, november, december 2023 en januari 2024. [persoon] stelt over deze periode geen premie verschuldigd te zijn, omdat hij de zorgverzekering per 1 juli 2023 heeft opgezegd.
5.3.
Ter onderbouwing van de opzegging heeft [persoon] een brief van VGZ van 22 juli 2023 overgelegd. Uit deze brief volgt volgens [persoon] dat VGZ de opzegging per 1 juli 2023 heeft bevestigd. VGZ heeft gemotiveerd betwist dat deze brief van haar afkomstig is en betwist daarnaast de authenticiteit van de brief. Volgens VGZ is de zorgverzekering wel opgezegd, maar met een opzegdatum in december 2023. Ter onderbouwing wordt door VGZ de beëindigingsbrief van 22 december 2023 overgelegd. De kantonrechter merkt op dat VGZ terecht aanvoert dat de brieven afwijkende kenmerknummers hebben en tekstuele verschillen vertonen. VGZ stelt voorts dat ook uit de acties van [persoon] volgt dat de zorgverzekering niet per 1 juli 2023 is opgezegd. Zo heeft [persoon] de premie voor augustus 2023 wel betaald. Ook heeft [persoon] op 24 september 2023 zijn betaalgegevens nog gewijzigd. Gelet op het feit dat [persoon] niets heeft ingebracht tegen de gemotiveerde betwisting van VGZ, levert de door [persoon] overgelegde brief naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende onderbouwing op voor de stelling van [persoon] dat de overeenkomst per 1 juli 2023 is opgezegd. Bij deze beoordeling speelt ook mee dat [persoon] pas voor het eerst bij zijn conclusie van antwoord van 16 april 2025 heeft gesteld dat de zorgverzekering per 1 juli 2023 is geëindigd. Nu [persoon] zijn stelling dat hij per 1 juli 2023 heeft opgezegd niet met andere stukken heeft onderbouwd en ook geen bewijs heeft aangeboden van die stelling, wordt aan het verweer van [persoon] voorbij gegaan.
5.4.
Het voorgaande betekent dat [persoon] premie is verschuldigd tot het moment dat de zorgverzekering is geëindigd. De kantonrechter stelt vast dat uit de brief van 22 december 2023 volgt dat de zorgverzekering in december 2023 is opgezegd en geëindigd. Dat betekent dat [persoon] premie verschuldigd is tot en met december 2023. Daarom zal een bedrag van € 622,15 worden toegewezen.
5.5.
Door VGZ is onvoldoende toegelicht waarom zij ook aanspraak kan maken op de premie van januari 2024 ter hoogte van € 138,95 nu, zoals hierboven reeds is geconstateerd, de zorgverzekering in december 2023 is geëindigd. Dit deel van de vordering wordt dan ook afgewezen. De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom is eveneens toewijsbaar nu [persoon] de premie niet tijdig heeft betaald en er sprake is van verzuim. Nu een deel van de hoofdsom wordt afgewezen, zal de wettelijk rente worden toegewezen over het toegewezen bedrag. Dit komt neer op een bedrag van € 54,78.
[persoon] moet buitengerechtelijke incassokosten betalen
5.6.
VGZ vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [persoon] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. VGZ heeft aan [persoon] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. De gevorderde vergoeding is hoger dan het tarief dat volgens het Besluit past bij de toe te wijzen hoofdsom. Dat is het gevolg van het deels afwijzen van het gevorderde bedrag. De kantonrechter zal de gevorderde vergoeding daarom toewijzen tot het wettelijke tarief dat aansluit bij de toe te wijzen hoofdsom. VGZ heeft het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met btw. Omdat VGZ niet btw-plichtig is en de btw over de buitengerechtelijke kosten niet kan verrekenen, wordt de vergoeding verhoogd met btw. Daarom zal een bedrag van € 112,92 worden toegewezen.
[persoon] moet de proceskosten in conventie betalen
5.7.
[persoon] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van VGZ worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
146,14
- griffierecht
340,00
- salaris gemachtigde
288,00
(2 punten × € 144,00)
- nakosten
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
846,14
5.8.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in reconventie
5.9.
In reconventie gaat het om de vraag of VGZ gehouden is de door [persoon] te veel betaalde premie ter hoogte van € 252,33 terug te betalen. VGZ betwist de vordering van [persoon] . De kantonrechter overweegt daarover het volgende.
VGZ hoeft niets aan [persoon] te betalen
5.10.
[persoon] stelt over de periode januari 2023 tot en met juni 2023 te veel premie betaald te hebben, namelijk een bedrag van € 1.017,03, terwijl hij slechts € 764,70 aan premie verschuldigd was. De kantonrechter gaat niet mee in de stelling van [persoon] .
5.11.
VGZ heeft terecht gesteld dat [persoon] er in zijn berekening ten onrechte vanuit gaat dat hij slechts de maandelijkse premies was verschuldigd. Uit de specificaties van de aanmaningen die door VGZ zijn overgelegd, volgt dat [persoon] ook zorgkosten en termijnen van een overeengekomen afbetalingsregeling verschuldigd was. [persoon] was daarom niet alleen de maandelijkse premie verschuldigd, maar ook de aanvullende bedragen. De bedragen die [persoon] heeft betaald, komen overeen met de bedragen genoemd in de door VGZ verstuurde aanmaningen. [persoon] heeft tegen deze gemotiveerde betwisting van de vordering door VGZ niets ingebracht. Dit leidt tot het oordeel dat
[persoon] niet meer heeft betaald dan dat hij was verschuldigd. De kantonrechter wijst de vordering van [persoon] tot terugbetaling van € 252,33 dan ook af.
[persoon] moet de proceskosten in reconventie betalen
5.12.
[persoon] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van VGZ worden begroot op:
- salaris gemachtigde
144,00
(1 punt × € 144,00)
Totaal
144,00

6.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
6.1.
veroordeelt [persoon] om aan VGZ te betalen een bedrag van € 676,93, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over € 622,15 vanaf 14 maart 2025 tot de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt [persoon] om aan VGZ te betalen een bedrag van € 112,92 aan buitengerechtelijke kosten,
6.3.
veroordeelt [persoon] in de proceskosten van € 846,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
6.4.
wijst het anders of meer gevorderde af,
in reconventie
6.4.
wijst de vorderingen van [persoon] af,
6.5.
veroordeelt [persoon] in de proceskosten van € 144,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in conventie en in reconventie
6.6.
veroordeelt [persoon] tot betaling van de kosten van betekening als [persoon] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.7.
veroordeelt [persoon] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.8.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Jansen en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.