ECLI:NL:RBZWB:2026:1650

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
02-277516-24
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 38 SrArt. 38a SrArt. 38d SrArt. 38z Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling zware mishandeling met tbs en gedragsbeïnvloedende maatregel

Op 29 augustus 2024 heeft verdachte [slachtoffer] mishandeld door hem met een scherp en/of puntig voorwerp in het gezicht te steken, wat een blijvend ontsierend litteken heeft veroorzaakt, en door hem te slaan. De rechtbank achtte de poging tot doodslag niet bewezen, maar wel zware mishandeling en mishandeling.

Verdachte lijdt aan schizofrenie en een stoornis in het gebruik van alcohol en cannabis, wat zijn gedragskeuzes aanzienlijk beïnvloedde. De rechtbank achtte de feiten verminderd toerekenbaar en vond een tbs met voorwaarden noodzakelijk vanwege het hoge recidiverisico en de ernst van de stoornis.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 560 dagen op met aftrek van het voorarrest, een tbs met voorwaarden die dadelijk uitvoerbaar is, en een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z Sr. De voorlopige hechtenis werd geschorst onder voorwaarden bij opname in een forensisch psychiatrische kliniek.

[Slachtoffer] werd een schadevergoeding toegekend van €2.739,00 plus wettelijke rente, en verdachte werd veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partij. De rechtbank benadrukte de noodzaak van intensieve behandeling en toezicht om herhaling te voorkomen.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 560 dagen gevangenisstraf met aftrek voorarrest, tbs met voorwaarden en een gedragsbeïnvloedende maatregel ex artikel 38z Sr.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-277516-24
vonnis van de meervoudige kamer van 12 maart 2025
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1994 te [geboorteplaats] (Somalië),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting in [locatie] ,
raadsman mr. J. van Rooijen, advocaat te Tilburg.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 26 februari 2026, waarbij de officier van justitie, mr. A. Verhoeven, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I van dit vonnis opgenomen. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
feit 1: heeft geprobeerd [slachtoffer] te doden. Dit is subsidiair ten laste gelegd als zware mishandeling en meer subsidiair als een poging tot zware mishandeling.
feit 2: [slachtoffer] heeft mishandeld.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vordert vrijspraak van de onder feit 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag. Verdachte heeft één keer met glas gestoken, waarbij [slachtoffer] boven zijn slaap is geraakt. Dit levert geen aanmerkelijke kans op de dood op. De onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling en feit 2 acht de officier van justitie bewezen.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit vrijspraak van de onder feit 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag, omdat er geen aanmerkelijke kans was op de dood. Voor het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde en feit 2 is geen bewijsverweer gevoerd.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II van dit vonnis opgenomen.
4.3.2
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feit 1
Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte op 29 augustus 2024 met een scherp en/of puntig voorwerp in het gezicht van [slachtoffer] heeft gestoken. Hierdoor heeft [slachtoffer] een litteken in zijn gezicht opgelopen. Met de verdediging en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het handelen van verdachte niet kan worden gekwalificeerd als een poging tot doodslag, maar wel als een zware mishandeling. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van het primair ten laste gelegde en acht het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
Feit 2
Op grond van de bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 29 augustus 2024 [slachtoffer] heeft mishandeld.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1
op 29 augustus 2024 te [plaats], [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een blijvend ontsierend litteken in het gezicht, heeft toegebracht door met een scherp en/of puntig voorwerp, in het gezicht van die [slachtoffer] te steken;
2
op 29 augustus 2024 te [plaats], [slachtoffer] heeft mishandeld door in het gezicht van die [slachtoffer] te slaan.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 560 dagen met aftrek van het voorarrest. Daarnaast vordert zij oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met voorwaarden, met daaraan verbonden alle voorwaarden die door de reclassering zijn geadviseerd en de dadelijke uitvoerbaarheid daarvan. Ook dient aan verdachte te worden opgelegd de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (hierna: GVM). Verder is verzocht de voorlopige hechtenis te schorsen met ingang van het moment dat verdachte wordt opgenomen in een zorginstelling.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt om aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest en de tbs met voorwaarden. Indien de tbs met voorwaarden wordt opgelegd, vindt de verdediging de oplegging van de GVM niet noodzakelijk.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich op 29 augustus 2024 schuldig gemaakt aan zware mishandeling en mishandeling van [slachtoffer] . [slachtoffer] zat met vrienden in een skatepark. Verdachte is toen op [slachtoffer] afgelopen, omdat hij dacht [slachtoffer] en zijn vrienden naar hem keken en over hem spraken, en heeft hem in zijn gezicht geslagen. [slachtoffer] en zijn vrienden hebben vervolgens geprobeerd om verdachte weg te jagen. Verdachte liep ook weg, maar kwam terug met een puntig en/of scherp voorwerp en heeft daarmee in het gezicht van [slachtoffer] gestoken. Hierdoor heeft [slachtoffer] een blijvend litteken op zijn slaap opgelopen. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring van [slachtoffer] blijkt dat hij maanden last heeft gehad van hoofdpijn. Tot de dag van vandaag is hij oplettend en gaat hij het liefst niet alleen naar buiten. [slachtoffer] is erg gespannen en bang om verdachte tegen te komen. Voor de psychische klachten wordt [slachtoffer] behandeld door een psycholoog.
Persoon van verdachte
Uit de pro-justitia rapportage van 8 december 2025 blijkt dat bij verdachte sprake is van schizofrenie. Ook is er een stoornis in het gebruik van alcohol en cannabis, beide in remissie binnen de gereguleerde setting van detentie. De stoornissen van verdachte hebben zijn gedragskeuzes en gedragingen tijdens de bewezenverklaarde feiten in aanzienlijke mate beïnvloed. Het is zeer aannemelijk dat het handelen van verdachte door waanachtige , paranoïde interpretaties gedreven is geweest, waarbij hij de situatie in het skatepark vanuit een gestoorde realiteitstoetsing heeft ingeschat en op zichzelf heeft betrokken. Daarom wordt geadviseerd om de feiten verminderd aan hem toe te rekenen. De rechtbank neemt deze conclusie over en stelt vast dat de feiten verminderd aan verdachte kunnen worden toegerekend. Verder volgt uit het rapport dat het risico op recidive hoog is als er geen behandeling is voor de stoornissen. Het risico op gewelddadig gedrag wordt in belangrijke mate bepaald door de kans op een psychotische ontregeling. Daarom is een specialistische geïntegreerde behandeling nodig, waarin medische, gedragsmatige en psychosociale interventies worden gecombineerd binnen een klinisch en gestructureerd kader. Hiervoor achten de pro-justitia rapporteurs een tbs met voorwaarden het meest aangewezen kader. Verdachte toont beginnende motivatie voor begeleiding en behandeling, maar dit wordt negatief beïnvloed door het gebrekkig ziekte- en probleembesef. In de komende periode moet worden bekeken of verdachte met voldoende bereidwilligheid in staat is om zich aan voorwaarden te houden.
Het reclasseringsrapport van 27 december 2025 is van gelijke strekking als de pro-justitia rapportage. De reclassering adviseert voorzichtig positief over een tbs met voorwaarden. Verdachte heeft zich bereid verklaard om mee te werken aan de voorwaarden. Naast de tbs met voorwaarden acht de reclassering een GVM passend om verdachte, ook na de tbs, te ondersteunen bij het stabiel inrichten van zijn leven en dit zo te houden.
Oplegging gevangenisstraf
Gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden en de straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd, acht de rechtbank een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest passend en geboden. Zij legt aan verdachte dus op een gevangenisstraf van 560 dagen met aftrek van het voorarrest.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Oplegging tbs met voorwaarden
De rechtbank stelt vast dat wordt voldaan aan de eisen die de wet stelt aan oplegging van de tbs. Bij verdachte bestond ten tijde van het plegen van de feiten een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Op de gepleegde zware mishandeling is een gevangenisstraf van meer dan vier jaren gesteld. Daarnaast eist de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van de maatregel, omdat bij verdachte sprake is van een ernstige stoornis en er in de toekomst opnieuw gewelddadig gedrag kan plaatsvinden, indien de stoornis niet langdurig en intensief wordt behandeld. Gelet op de bevindingen van de pro-justitiarapporteurs en de reclassering is de rechtbank van oordeel dat oplegging van de tbs ook noodzakelijk is. Er is dan een stevig kader waarin behandeling van verdachte kan plaatsvinden. De rechtbank zal de tbs dan ook aan verdachte opleggen. Aan de tbs zal de rechtbank de door de reclassering geadviseerde en in het dictum nader omschreven voorwaarden verbinden. Gelet op de noodzaak van behandeling en het gevaar voor recidive van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zal de rechtbank bevelen dat de tbs met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.
Schorsing voorlopige hechtenis
Zoals hiervoor overwogen zal de rechtbank verdachte een gevangenisstraf van 560 dagen opleggen en de tbs met voorwaarden. De tbs met voorwaarden is dadelijk uitvoerbaar. Een van de voorwaarden is dat verdachte zich laat opnemen in een door de afdeling Indicatiestelling Forensische Zorg (hierna: IFZ) geïndiceerde kliniek. De reclassering heeft op de zitting laten weten dat op dit moment geen plaats is in de beoogde kliniek ( [kliniek] ) en dat de Divisie Individuele Zaken (DIZ) niet kan garanderen dat er na de gevangenisstraf meteen (aansluitend op detentie) een overbruggingsplek is. De kans bestaat dat DIZ verdachte niet tijdig kan plaatsen. Daarom overweegt de rechtbank in het kader van de voorlopige hechtenis het volgende.
Artikel 72 lid 3 van Pro het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat bij alle einduitspraken het bevel voorlopige hechtenis wordt opgeheven, indien, ter zake van het feit waarvoor dat bevel is verleend, aan de verdachte noch een vrijheidsstraf van langere duur dan de reeds door hem in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd, noch een maatregel welke vrijheidsbeneming medebrengt of kan medebrengen, onvoorwaardelijk is opgelegd.
De rechtbank beantwoordt de vraag of sprake is van oplegging van een sanctie als bedoeld in artikel 72 lid 3 Sv Pro aan de hand van de op te leggen tbs, en niet aan de hand van de door de rechtbank gekozen modaliteit van die maatregel. De rechtbank is van oordeel dat met de oplegging van de tbs sprake is van oplegging van een maatregel die vrijheidsbeneming kan medebrengen. De rechtbank is daarom niet gehouden het bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen. In plaats daarvan zal de rechtbank de voorlopige hechtenis schorsen. Het met onmiddellijke ingang schorsen van dat bevel zou leiden tot een periode waarin verdachte onbehandeld terugkeert in de samenleving en effectieve handhaving van de gestelde voorwaarden onvoldoende zeker gesteld kan worden. De rechtbank zal daarom het bevel tot voorlopige hechtenis schorsen (onder dezelfde voorwaarden als gesteld in het kader van artikel 38 Sr Pro) met ingang van het moment dat verdachte zal worden opgenomen in de door het IFZ geïndiceerde kliniek. De rechtbank is zich ervan bewust dat dat betekent dat verdachte, ook als er geen beroep wordt ingesteld, mogelijk na ommekomst van zijn gevangenisstraf enige tijd in voorarrest zal verblijven. Hoewel dat langere verblijf in voorarrest dienstig is aan de noodzakelijk geachte afdoening, is de rechtbank zich bewust van de voor verdachte onwenselijke gevolgen daarvan op korte termijn. De rechtbank verzoekt daarom de bij plaatsing, behandeling en tenuitvoerlegging betrokken instanties al het redelijkerwijs mogelijke in het werk te stellen om verdachte op zo kort mogelijke termijn te laten opnemen.
Voor het geval de voorwaarden worden overtreden en er alsnog dwangverpleging wordt bevolen, overweegt de rechtbank reeds het volgende:
De maatregel van terbeschikkingstelling zal worden opgelegd voor een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De totale duur van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.
GVM
Naast de tbs met voorwaarden zal de rechtbank ook de door de reclassering geadviseerde GVM opleggen. Daarmee wordt de mogelijkheid gecreëerd om verdachte ook na afloop van de terbeschikkingstelling onder toezicht te stellen, indien dat in verband met dan bestaande risico's noodzakelijk is. Naar het oordeel van de rechtbank is de oplegging van de maatregel in het belang van de bescherming van de veiligheid van anderen. Aan de wettelijke vereisten voor oplegging van de maatregel, als bedoeld in artikel 38z, lid 1, sub a, van het Wetboek van Strafrecht, is voldaan. De rechtbank gelast immers de terbeschikkingstelling van verdachte. Daarbij overweegt de rechtbank dat volgens de pro-justitia rapporteurs en de reclassering bij verdachte langdurige begeleiding en medicamenteuze behandeling noodzakelijk is. De problematiek van verdachte blijft zijn leven lang aanwezig, waardoor gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende voorwaarden na de tbs passend en geboden kunnen zijn.

7.De [slachtoffer]

De [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 8.596,61, bestaande uit € 596,61 aan materiële schade en € 8.000,00 aan immateriële schade. Daarnaast vordert [slachtoffer] vergoeding van zijn proceskosten conform het liquidatietarief.
Materiële schade
De materiële schade bestaat uit:
* kledingschade (jas, schoenen, zonnebril, horloge en ketting): € 504,00;
* medische kosten: € 5,00;
* ziekenhuisdaggeldvergoeding: € 28,00;
* telefoonkosten: € 25,00;
* reiskosten: € 34,61.
De rechtbank is van oordeel dat de schade aan de jas, schoenen en zonnebril en de medische kosten voldoende zijn onderbouwd en een rechtstreeks gevolg zijn van de bewezenverklaarde feiten. De rechtbank zal het bedrag van € 239,00 dan ook toewijzen.
Voor de schade aan de horloge en de ketting, de ziekenhuisdaggeldvergoeding en de telefoonkosten is de rechtbank van oordeel dat de schade onvoldoende is onderbouwd. Verdere behandeling van dat deel van de vordering levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op, zodat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk zal worden verklaard. De benadeelde partij zal ook niet-ontvankelijk worden verklaard voor de gevorderde reiskosten, nu er geen wettelijke basis is om deze te vergoeden.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft aangevoerd dat hij immateriële schade heeft ondervonden van het bewezenverklaarde handelen van verdachte. Verdachte is in zijn gezicht geslagen en met een scherp en/of puntig voorwerp in zijn gezicht gestoken. Door dit laatste heeft de benadeelde partij een blijvend ontsierend litteken op zijn slaap.
Gelet op de omstandigheden van het geval en de bedragen die in vergelijkbare zaken zijn toegekend, acht de rechtbank een vergoeding van € 2.500,00 billijk. Voor het overige zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard.
Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal ten aanzien van de toegewezen schade (in totaal: € 2.739,00,) de wettelijke rente toewijzen, gerekend vanaf 29 augustus 2024. De rechtbank zal ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
Proceskosten
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de proceskosten van de benadeelde partij tot nu toe begroot op € 720,00 (conform het liquidatietarief 2 punten x tarief €360,00). De rechtbank overweegt hierbij dat zij aansluiting heeft gezocht bij het in Nederlandse civiele procedures voor proceskosten gebruikelijke liquidatietarief voor kantonzaken. Daarbij is de rechtbank uitgegaan van een salaris van € 360,- per punt, passend bij een vordering in de categorie € 5.000,- tot en met € 10.000,-. Voor de door advocaat mr. Marcus verrichte werkzaamheden zijn twee punten gehanteerd, namelijk één voor het indienen van de vordering en één voor het bijwonen van de zitting.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 38, 38a, 38d, 38z, 57 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1:zware mishandeling;
feit 2:mishandeling
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 560 dagen;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Maatregel
- gelast de
terbeschikkingstellingvan verdachte en stelt daarbij als
voorwaarden:
1. Verdachte maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit.
2. Verdachte werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:
* Verdachte meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is;
* Verdachte laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van verdachte vast te stellen;
* Verdachte houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan
aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om verdachte te
helpen bij het naleven van de voorwaarden;
* Verdachte helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid;
* Verdachte werkt mee aan huisbezoeken;
* Verdachte geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling
door andere instellingen of hulpverleners;
* Verdachte vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering.
* Verdachte werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die
contact hebben met verdachte, als dat van belang is voor het toezicht.
3. Als de reclassering dat nodig vindt en verdachte daarmee instemt, kan verdachte voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum, Kliniek of Afdeling (FPC), (FPK) of (FPA) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of verdachte deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar;
4. Verdachte gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering.
5. Verdachte laat zich opnemen in een door het IFZ geïndiceerde kliniek, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname start aansluitend aan detentie en duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing.
6. Verdachte laat zich, aansluitend op de klinische behandeling, behandelen door een ambulante zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt.
7. Verdachte verblijft, indien nodig, aansluitend aan de klinische behandeling, in een instelling voor beschermd of begeleid wonen, te bepalen door de reclassering. Het duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.
8. Verdachte dient zich op het gebied van druggebruik te houden aan de richtlijnen van de reclassering, ook ingeval dit inhoudt volledige abstinentie. Hij werkt mee aan controle op dit verbod. De controle gebeurt met urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd.
9. Verdachte dient zich op het gebied van alcoholgebruik te houden aan de richtlijnen van de
reclassering, ook ingeval dit inhoudt volledige abstinentie. Hij werkt mee aan controle op dit
alcoholverbod. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd. Mogelijke controlemiddelen zijn urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest).
10. Verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van passende dagbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
11. Verdachte werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen of meewerken aan budgetbeheer of bewindvoering. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.
- beveelt dat de
terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaaris;
- legt aan verdachte op
de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z Sr;
Benadeelde partij
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de [slachtoffer] van € 2.739,00, waarvan € 239,00 aan materiële schade en € 2.500,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 augustus 2024 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij voor rechtsbijstand heeft gemaakt, te weten €720,00;
Schadevergoedingsmaatregel
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het [slachtoffer] , € 2.739,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 augustus 2024 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 27 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Voorlopige hechtenis
- schorst de voorlopige hechtenis met ingang van het moment waarop verdachte wordt opgenomen in een door IFZ geïndiceerde kliniek. Aan deze schorsing zijn dezelfde voorwaarden verbonden zoals hiervoor bij de opgelegde maatregel van terbeschikkingstelling.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.H.M. Pastoors, voorzitter, mr. J.F.C. Janssen en
mr. S.C.S. van Bree, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Andraws, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 12 maart 2025.
Bijlage I
De tenlastelegging
1
hij of op omstreeks 29 augustus 2024 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,
- met (kracht) een glazen (drink)fles op het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen, en/of
- met (kracht) een gebroken glazen (drink)fles en/of glasscherf, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het gezicht en/of in het hoofd van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
(art. 287 j. 45 Wetboek van Strafrecht)
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden
hij op of omstreeks 29 augustus 2024 te [plaats], [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een blijvend ontsierend litteken in het gezicht/op het hoofd, heeft toegebracht door met (kracht) een gebroken glazen (drink)fles en/of glasscherf, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het gezicht en/of in het hoofd van die [slachtoffer] te slaan/steken;
(art. 302 Wetboek Pro van Strafrecht)
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden
hij, op of omstreeks 29 augustus 2024 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- met (kracht) een glazen (drink)fles op het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of
- met (kracht) een gebroken glazen (drink)fles en/of glasscherf, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het gezicht en/of in het hoofd van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
(art. 302, 45 Wetboek van Strafrecht);
2
hij op of omstreeks 29 augustus 2024 te [plaats] [slachtoffer] heeft mishandeld door (met kracht) op/in het gezicht en/of het hoofd van die [slachtoffer] te stompen/slaan;
(art. 300 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht).