ECLI:NL:RBZWB:2026:1656

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
12023710 VV EXPL 25-101
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Eijssen-Vruwink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming bedrijfsruimte wegens langdurige huurachterstand ondanks betaling vlak voor zitting

Op 1 april 2023 is een huurovereenkomst gesloten voor een kantoorruimte, die per 1 april 2024 is overgenomen door de huidige huurder. Vanaf 1 april 2025 is de huur niet tijdig betaald, waardoor een achterstand van €22.800,14 is ontstaan. De verhuurder vordert ontruiming van de bedrijfsruimte wegens deze aanzienlijke huurachterstand.

De huurder verschijnt niet op de mondelinge behandeling van 25 februari 2026, ondanks behoorlijke dagvaarding, en verzoekt ook geen uitstel. De kantonrechter verleent verstek. Hoewel de huurder de achterstand één dag voor de zitting volledig heeft betaald, acht de kantonrechter dit onvoldoende om het ernstige betalingsverzuim te compenseren.

De kantonrechter oordeelt dat de langdurige en structurele betalingsachterstand een ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming rechtvaardigt. De verhuurder heeft geen vertrouwen meer in de voortzetting van de huurrelatie. De vordering tot ontruiming wordt toegewezen met een termijn van 14 dagen na betekening. Daarnaast wordt de huurder veroordeeld tot betaling van de proceskosten en wettelijke rente.

Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en is op 11 maart 2026 in het openbaar uitgesproken door kantonrechter Eijssen-Vruwink.

Uitkomst: De huurder wordt veroordeeld tot ontruiming van de bedrijfsruimte binnen 14 dagen en betaling van proceskosten wegens een huurachterstand van tien maanden.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 12023710 \ VV EXPL 25-101
Vonnis in kort geding van 11 maart 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. V.T. Acar,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding in kort geding van 15 januari 2026 met producties,
  • de mondelinge behandeling van 25 februari 2026.

2.De feiten

2.1.
Met ingang van 1 april 2023 is tussen [eiseres] en de rechtsvoorganger van [gedaagde] een huurovereenkomst tot stand gekomen voor een kantoorruimte aan de [adres] te [plaats 2] . [gedaagde] heeft deze huurovereenkomst met ingang van 1 april 2024 overgenomen. De huur moet per voortuitbetaling voor of op de eerste dag van de periode waarop de betaling betrekking heeft worden betaald.
2.2.
Vanaf 1 april 2025 heeft [gedaagde] de huur niet (tijdig) betaald. Ten tijde van dagvaarding is sprake van een huurachterstand van € 22.800,14.
2.3.
[gedaagde] heeft de huurachterstand één dag voor de mondelinge behandeling betaald.

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert - samengevat en na vermindering van eis - ontruiming van de bedrijfsruimte aan [adres] te [plaats 2] met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. [eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van haar betalingsverplichting uit de huurovereenkomst.
3.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 februari 2026. Ter zitting waren namens [eiseres] aanwezig [naam 1] en [naam 2] , bijgestaan door mr. V.T. Acar.
3.3.
[gedaagde] is ondanks dat zij behoorlijk is gedagvaard volgens de bij wet bepaalde termijnen en formaliteiten niet ter zitting verschenen en heeft ook niet om uitstel verzocht. Tegen [gedaagde] wordt verstek verleend.

4.De beoordeling

Spoedeisend belang
4.1.
Voldoende is gebleken dat [eiseres] een spoedeisend belang heeft bij haar gevorderde voorziening tot ontruiming van de bedrijfsruimte. De kantonrechter is van oordeel dat het ten tijde van dagvaarding gaat om een aanzienlijke huurachterstand die maar blijft oplopen, zodat van [eiseres] niet kan worden gevraagd om de uitkomst van een bodemprocedure af te wachten.
Toetsingskader
4.2.
In dit kort geding is het de vraag of op basis van de nu aanwezige feiten in een eventuele bodemprocedure zeer waarschijnlijk zal worden geoordeeld dat de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst met [gedaagde] en ontruiming van de bedrijfsruimte zullen worden toegewezen en vooruitlopend hierop de vordering tot ontruiming in dit kort geding kan worden toegewezen.
Ontruiming
4.3.
Nu [gedaagde] niet is verschenen en de stellingen van [eiseres] niet zijn weersproken, moet er van uit worden gegaan dat er ten tijde van dagvaarding sprake was van een huurachterstand ter hoogte van 10 maanden. De kantonrechter is van oordeel dat deze tekortkoming van [gedaagde] zodanig ernstig is dat het zeer aannemelijk is dat dit een ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de bedrijfsruimte rechtvaardigt in een eventuele bodemprocedure. Dat [gedaagde] de huurachterstand één dag voor de mondelinge behandeling volledig heeft betaald maakt het oordeel in dit geval niet anders. Hierbij weegt de kantonrechter mee dat [gedaagde] zonder duidelijke reden vanaf 1 april 2025 structureel de huur niet (tijdig) heeft betaald en de huurachterstand aanzienlijk heeft laten oplopen. Ter zitting heeft [eiseres] toegelicht dat op eerdere pogingen tot contact niet door [gedaagde] werd gereageerd en zelfs niet na het toesturen van de (concept) dagvaarding. Gelet op deze houding heeft [eiseres] geen vertrouwen meer in het voortzetten van de huurrelatie en zij heeft belang bij een huurder die wel op tijd de huur betaalt.
4.4.
De vordering tot ontruiming in dit kort geding komt de kantonrechter verder niet onrechtmatig of ongegrond voor. Gelet op het voorgaande zal de kantonrechter vooruitlopend op een eventuele bodemprocedure de vordering tot ontruiming van de bedrijfsruimte toewijzen. Daarbij acht de kantonrechter een ontruimingstermijn van 14 dagen na datum van dit vonnis een redelijke termijn.
Proceskosten
4.5.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
128,65
- griffierecht
1.461,00
- salaris gemachtigde
577,00
- nakosten
108,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.275,15
4.6.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de bedrijfsruimte aan [adres] te [plaats 2] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [eiseres] zijn, en de sleutels af te geven aan [eiseres] ,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.275,15, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Eijssen-Vruwink en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.