Uitspraak
1.De procedure
- de dagvaarding in kort geding van 15 januari 2026 met producties,
- de mondelinge behandeling van 25 februari 2026.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Op 1 april 2023 is een huurovereenkomst gesloten voor een kantoorruimte, die per 1 april 2024 is overgenomen door de huidige huurder. Vanaf 1 april 2025 is de huur niet tijdig betaald, waardoor een achterstand van €22.800,14 is ontstaan. De verhuurder vordert ontruiming van de bedrijfsruimte wegens deze aanzienlijke huurachterstand.
De huurder verschijnt niet op de mondelinge behandeling van 25 februari 2026, ondanks behoorlijke dagvaarding, en verzoekt ook geen uitstel. De kantonrechter verleent verstek. Hoewel de huurder de achterstand één dag voor de zitting volledig heeft betaald, acht de kantonrechter dit onvoldoende om het ernstige betalingsverzuim te compenseren.
De kantonrechter oordeelt dat de langdurige en structurele betalingsachterstand een ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming rechtvaardigt. De verhuurder heeft geen vertrouwen meer in de voortzetting van de huurrelatie. De vordering tot ontruiming wordt toegewezen met een termijn van 14 dagen na betekening. Daarnaast wordt de huurder veroordeeld tot betaling van de proceskosten en wettelijke rente.
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en is op 11 maart 2026 in het openbaar uitgesproken door kantonrechter Eijssen-Vruwink.
Uitkomst: De huurder wordt veroordeeld tot ontruiming van de bedrijfsruimte binnen 14 dagen en betaling van proceskosten wegens een huurachterstand van tien maanden.