ECLI:NL:RBZWB:2026:166

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
BRE 24/7661
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdheid van de belastingrechter bij verrekening van omzetbelasting

Op 16 januari 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in de zaak tussen [belanghebbende] B.V. en de ontvanger van de Belastingdienst. Het beroep van belanghebbende was gericht tegen de uitspraak op bezwaar van de ontvanger van 26 september 2024, met betrekking tot de verrekening van een teruggave omzetbelasting over het tijdvak van 1 juni 2024 tot en met 30 juni 2024. De rechtbank heeft zich echter kennelijk onbevoegd verklaard om over deze zaak te oordelen. Dit is gebaseerd op het feit dat de belastingrechter niet bevoegd is om te oordelen over beslissingen van de ontvanger op grond van de Invorderingswet, tenzij er specifieke uitzonderingen zijn gemaakt in de regelgeving. De beslissing tot verrekening van bedragen valt niet onder deze uitzonderingen, waardoor het geschil over de verrekening aan de burgerlijke rechter moet worden voorgelegd. De rechtbank heeft daarom geen inhoudelijke beoordeling van de verrekening kunnen maken en heeft besloten het griffierecht van € 371,- aan belanghebbende te vergoeden. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn op de hoogte gesteld van de beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/7661

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 januari 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., statutair gevestigd in [woonplaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de ontvanger van de Belastingdienst, de ontvanger.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de ontvanger van 26 september 2024. Het beroep ziet op het verrekenen van een teruggave omzetbelasting over het tijdvak 1 juni 2024 tot en met 30 juni 2024 met aanslagnummer [aanslagnummer] O.01.4060 met naheffingsaanslagen omzetbelasting met aanslagnummers [aanslagnummer] F.01.9070 (tijdvak 1 juli 2019 tot en met 31 juli 2019), [aanslagnummer] F.01.1010 (tijdvak 1 januari 2021 tot en met 31 januari 2021) en [aanslagnummer] F.01.1020 (tijdvak 1 februari 2021 tot en met 28 februari 2021).
1.1.
De rechtbank verklaart zich kennelijk onbevoegd. Daarom doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Beoordeling door de rechtbank

2. De belastingrechter is als uitgangspunt niet bevoegd te oordelen over beslissingen van de ontvanger op grond van de IW. [1] Voor bepaalde besluiten is in de regelgeving een uitzondering gemaakt. De beslissing tot verrekening van bedragen valt niet onder een van de uitzonderingen. Een geschil over verrekening van bedragen kan worden voorgelegd aan de burgerlijke rechter.

Conclusie en gevolgen

3. De belastingrechter is dus niet bevoegd om kennis te nemen van het beroep. Dit betekent dat de rechtbank niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de verrekening. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht terug.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart zich onbevoegd;
  • draagt de griffier op het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 371,- aan belanghebbende te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H.W. Steijn, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier, op 16 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:5 van de Awb en artikel 1 van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak die behoort bij de Awb. In dat artikel 1 wordt de Invorderingswet 1990 genoemd.