ECLI:NL:RBZWB:2026:1665

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
RK 25-025384
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 530 SvArt. 552a SvArt. 534 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning vergoeding kosten rechtsbijstand na intrekking klaagschrift wegens teruggave gegevensdragers

Verzoeker diende op 7 oktober 2025 een verzoekschrift in op grond van artikel 530 Sv Pro voor vergoeding van kosten rechtsbijstand en kosten verbonden aan het verzoekschrift. Dit volgde op een klaagschrift ex artikel 552a Sv dat op 20 augustus 2025 was ingediend vanwege inbeslagname van vier gegevensdragers op 4 augustus 2025.

De gegevensdragers werden op 26 augustus 2025 teruggegeven, waarna het klaagschrift op 8 september 2025 werd ingetrokken. De officier van justitie stelde primair dat het verzoek niet-ontvankelijk was omdat de teruggave niet verband hield met het klaagschrift, en subsidiair dat het klaagschrift prematuur was ingediend omdat de raadsvrouw niet bij het openbaar ministerie om teruggave had gevraagd.

De rechtbank oordeelde dat het verzoek ontvankelijk is omdat het klaagschrift in behandeling was bij de rechtbank en de intrekking gelijkstaat aan een gegrondverklaring. De raadsvrouw had aantoonbaar bij het beslagloket geïnformeerd, waardoor het klaagschrift niet prematuur was. De rechtbank kende een vergoeding van € 894,61 toe voor kosten rechtsbijstand en € 340,00 voor de kosten van het verzoekschrift, totaal € 1.234,61.

De beslissing werd op 24 februari 2026 genomen door rechter J. Bergen en uitgesproken in openbare zitting. Tegen deze beslissing kan hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot vergoeding van kosten rechtsbijstand en kosten van het verzoekschrift toe voor een totaalbedrag van € 1.234,61.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats Middelburg
raadkamernummer : 25-025384
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker] ,
geboren op [datum] 1974 te [plaats] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. F.J. Poppelaars-Hoogenraad advocaat te Breda, (Postbus 4650, 4803 ER Breda),
hierna te noemen: de verzoeker.

1.De procedure

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
 het op 7 oktober 2025 bij de griffie ingediende verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding
ex artikel 530 van Pro het Wetboek van strafvordering(Sv) ten laste van de Staat voor een bedrag van:
  • € 894,61voor vergoeding van kosten rechtsbijstand;
  • € 340,00 als forfaitaire vergoeding voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift dan wel € 680,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
  • de schriftelijke reactie van de officier van justitie;
  • de overige stukken in het raadkamerdossier.
Op 10 februari 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij is de officier van justitie mr. P. Kuipers gehoord. De raadsvrouw van verzoeker heeft telefonisch haar standpunt toegelicht.
Verzoeker is behoorlijk opgeroepen maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
De raadsvrouw van verzoeker heeft aangevoerd dat op 20 augustus 2025 namens verzoeker een klaagschrift ex artikel 552a Sv is ingediend, omdat op 4 augustus 2025 onder verzoeker 4 gegevensdragers in beslag zijn genomen. Alvorens het klaagschrift in te dienen heeft de raadsvrouw op 20 augustus 2025 een e-mail verzonden naar het beslagloket met het verzoek de betreffende goederen te retourneren. Haar werd diezelfde dag medegedeeld dat het onderzoek nog niet was afgerond en dat zij over 4 weken weer contact kon opnemen. Hierna is het klaagschrift ingediend. Op 26 augustus 2025 heeft verzoeker de gegevensdragers teruggekregen, waarna het klaagschrift op 8 september 2025 is ingetrokken. Verzoeker heeft kosten van rechtsbijstand gemaakt en heeft daarom onderhavig verzoekschrift ingediend.
De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het verzoek niet-ontvankelijk is omdat de teruggave van de goederen niet is geschied wegens redenen genoemd in het klaagschrift, maar omdat het onderzoek was afgerond. De teruggave houdt geen verband met het ingediende klaagschrift. Het klaagschrift is volgens de officier van justitie pas op 6 oktober 2025 bij het openbaar ministerie bekend geworden.
Subsidiair stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat het verzoek dient te worden afgewezen omdat de raadsvrouw niet bij het beslagloket had moeten vragen om teruggave van de goederen, maar dat had moeten doen bij het openbaar ministerie. Nu er niet is gevraagd om teruggave aan het openbaar ministerie, is het klaagschrift prematuur ingediend.

2.De beoordeling

De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen omdat het klaagschrift in behandeling was bij de rechtbank.
De rechtbank stelt vast dat uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is gebleken dat verzoeker op 26 augustus 2025 ervan op de hoogte is gesteld dat de goederen kunnen worden opgehaald, waarna het klaagschrift is ingetrokken. De zaak is geëindigd door intrekking van het klaagschrift.
De Hoge Raad heeft op 16 juni 2020 [1] geoordeeld dat op grond van artikel 530 Sv Pro ook vergoeding gevraagd kan worden van de kosten van rechtsbijstand gemaakt in een klaagschriftprocedure. Volgens artikel 534, eerste en vierde lid, Sv wordt een schadevergoeding toegekend als, en voor zover, de rechtbank dat billijk vindt. De rechtbank houdt daarbij rekening met alle omstandigheden.
De Hoge Raad heeft bij het invoeren van de mogelijkheid voor een schadevergoeding ex artikel 530 Wetboek Pro van Strafvordering geoordeeld dat het intrekken van een klaagschrift, omdat het goed is teruggegeven gelijk is te stellen aan een gegrondverklaring. Er is immers een last tot teruggave gekomen en dat is het doel van de klaagschriftprocedure.
Naar het oordeel van de rechtbank doen de redenen die ten grondslag liggen aan de uiteindelijke teruggave daaraan niets af. Het verzoek is dan ook ontvankelijk.
De raadsvrouw heeft alvorens een klaagschrift in te dienen aantoonbaar geïnformeerd bij het beslagloket, een landelijk informatiepunt voor burgers namens onder meer het openbaar ministerie. Nu de raadsvrouw zich nader heeft laten informeren en als reactie kreeg dat het onderzoek nog niet was afgerond, is het ingediende klaagschrift niet prematuur te achten.
Het verzochte bedrag aan kosten van rechtsbijstand ter hoogte van
€ 894,61is naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate onderbouwd en het bedrag komt de rechtbank billijk voor. De rechtbank zal dit bedrag daarom toewijzen.
Voor de kosten verbonden aan de indiening en de behandeling van het verzoekschrift zal de rechtbank eenmaal het forfaitaire bedrag van
€ 340,00toekennen, aangezien de raadsvrouw niet ter zitting is verschenen.

3.De beslissing

De rechtbank:
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv Pro toe tot een bedrag van
€ 1.234,61, bestaande uit:
-
€ 894,61aan kosten van rechtsbijstand;
en
-
€ 340,00de kosten verbonden aan de indiening van het verzoekschrift;
wijst het verzoek voor het overige af;
bepaalt dat een bedrag van
€ 1.234,61zal worden overgemaakt op [rekeningnummer] ten name van Stichting Derdengelden TDNL onder vermelding van “ [verzoeker] /OM”.
Deze beslissing is op 24 februari 2026 genomen door mr. J. Bergen, rechter, in tegenwoordigheid van I.L. Bruijnooge, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 24 februari 2026.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.