De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 10 februari 2026 het klaagschrift van de beslagene tegen het strafvorderlijk beslag op meerdere telefoons en voertuigen, gelegd op 1 september 2025. De beslagene vorderde teruggave van de in beslag genomen goederen, met name de telefoons, omdat deze al vijf maanden in beslag waren en nog niet waren uitgelezen, wat volgens hem disproportioneel was.
De officier van justitie voerde aan dat de telefoons nog onderzocht moesten worden en dat de verdachte weigerde de codes te verstrekken. Tevens werd gewezen op het feit dat de voertuigen verborgen ruimtes bevatten en dat het niet onwaarschijnlijk was dat de rechter later verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer zou bevelen. De rechtbank overwoog dat het onderzoek nog niet was afgerond en dat het voortduren van het beslag gerechtvaardigd was door het strafvorderlijk belang.
De rechtbank oordeelde dat het klaagschrift ongegrond moest worden verklaard omdat het beslag op de telefoons en voertuigen noodzakelijk bleef voor de waarheidsvinding en het voorkomen van onttrekking aan het verkeer. De beslagene werd ontvankelijk verklaard, maar het belang van strafvordering woog zwaarder dan het belang van teruggave op dit moment.
Tegen deze beslissing staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad binnen veertien dagen na betekening.