ECLI:NL:RBZWB:2026:167

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
BRE 22/2633 en 22/3612
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang na vaststellingsovereenkomst belastingaanslagen 2016

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) over het jaar 2016. De inspecteur heeft een vaststellingsovereenkomst overgelegd waarin partijen overeenkwamen het belastbare inkomen in box 1 voor 2016 te wijzigen van een positief bedrag van € 34.194 naar een negatief bedrag van € 24.361, waardoor over dat jaar geen belasting meer verschuldigd is. De aanslag Zvw werd dienovereenkomstig verlaagd.

Belanghebbende heeft vervolgens de lopende beroepen ingetrokken en ontvangt een immateriële schadevergoeding van € 2.000,-. Tevens heeft belanghebbende afstand gedaan van het recht om aanvullende vergoedingen te vorderen. De rechtbank constateert dat door deze vaststellingsovereenkomst het beroep geen voor belanghebbende gunstiger resultaat meer kan opleveren, waardoor het procesbelang ontbreekt.

De rechtbank verklaart daarom de beroepen niet-ontvankelijk en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van griffierecht, gelet op de gemaakte afspraken tussen partijen. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 16 januari 2026.

Uitkomst: De beroepen tegen de aanslagen IB/PVV en Zvw 2016 worden niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang na vaststellingsovereenkomst.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 22/2633 en 22/3612

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 januari 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over de beroepen van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 13 april 2022. Het beroep ziet op de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) over het jaar 2016 met aanslagnummers [aanslagnummer] H.66.01 en [aanslagnummer] W.66.04.
2. Omdat de beroepen kennelijk niet-ontvankelijk zijn, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

3. Belanghebbende heeft beroepen ingesteld tegen de aanslagen IB/PVV en Zvw 2016. De inspecteur heeft een getekende vaststellingsovereenkomst overgelegd die onder meer ziet op de aanslagen IB/PVV en Zvw 2016. In de vaststellingsovereenkomst is bepaald dat het vastgestelde belastbare inkomen in box 1 in 2016 gaat van € 34.194,- positief naar € 24.361,- negatief. Middels de wijziging van het belastbare inkomen box 1 beogen partijen dat over dat belastingjaar geen belasting is verschuldigd, nu er geen positief maar een negatief inkomen resteert. De aanslag Zvw wordt navenant verlaagd. Belanghebbende trekt de lopende beroepen in en hierbij zal door de inspecteur aan belanghebbende € 2.000,- immateriële schadevergoeding worden toegekend. Belanghebbende heeft in de vaststellingsovereenkomst afstand gedaan van het recht om een (aanvullende) vergoeding van schade, rente, kosten en dergelijke te vorderen.
4. De rechtbank stelt vast dat partijen, nadat beroepen bij de rechtbank zijn ingesteld, tot overeenstemming zijn gekomen over de hoogte van de aanslagen IB/PVV en Zvw 2016. Dit betekent dat deze beroepszaken niet meer tot een voor belanghebbende gunstiger resultaat kunnen leiden. [1] Dit betekent dat er geen procesbelang meer is.
5. De rechtbank verklaart daarom de door belanghebbende ingestelde beroepen wegens gebrek aan belang kennelijk niet-ontvankelijk.
6. De rechtbank ziet ook geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en vergoeding van het griffierecht gelet op de afspraken die partijen zijn overeengekomen.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H.W. Steijn, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier, op 16 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Hoge Raad 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:43.