ECLI:NL:RBZWB:2026:167
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang in belastingzaak
In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 16 januari 2026, wordt er beslist over de beroepen van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de inspecteur van de Belastingdienst, die betrekking heeft op aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) over het jaar 2016. De zaak betreft de zaaknummers BRE 22/2633 en 22/3612.
De rechtbank constateert dat de beroepen kennelijk niet-ontvankelijk zijn, omdat belanghebbende en de inspecteur een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten. In deze overeenkomst is het belastbare inkomen in box 1 voor het jaar 2016 aangepast van € 34.194,- positief naar € 24.361,- negatief, wat betekent dat er over dat belastingjaar geen belasting verschuldigd is. Belanghebbende trekt zijn lopende beroepen in, en de inspecteur kent een immateriële schadevergoeding van € 2.000,- toe aan belanghebbende. Tevens heeft belanghebbende afstand gedaan van het recht om aanvullende vergoedingen te vorderen.
De rechtbank oordeelt dat, aangezien partijen overeenstemming hebben bereikt over de hoogte van de aanslagen, de beroepszaken niet meer tot een gunstiger resultaat voor belanghebbende kunnen leiden. Hierdoor ontbreekt het procesbelang, en verklaart de rechtbank de beroepen kennelijk niet-ontvankelijk. Er wordt geen proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht opgelegd, gezien de gemaakte afspraken tussen partijen. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn op de hoogte gesteld van de beslissing.