ECLI:NL:RBZWB:2026:1671

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
C-02-440817 - FA RK 25-5268
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • mr. Vos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:253a BWArt. 1:377e BW
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanhouden beslissing wijziging hoofdverblijfplaats en zorgregeling minderjarige na scheiding

Partijen zijn gescheiden en gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over hun minderjarige kind, die sinds oktober 2019 bij de vader woont. De moeder verzoekt wijziging van het hoofdverblijf naar haar en een aangepaste zorgregeling. De vader verzet zich tegen deze wijziging en betwist de stabiliteit van de moeder en haar zorgcapaciteit.

De Raad voor de Kinderbescherming adviseert een hulpverleningstraject vanwege de complexe voorgeschiedenis en loyaliteitsproblemen van het kind. Partijen en het kind worden verwezen naar het Uniform Hulpaanbod (UHA) voor begeleiding door een kindercoach en hulpverlener om de wensen van het kind te verhelderen en de communicatie tussen ouders te verbeteren.

De rechtbank besluit de beslissing over het hoofdverblijf en de zorgregeling voor zes maanden aan te houden, met de mogelijkheid tot verlenging, en verzoekt rapportages over het hulpverleningstraject en eventueel aanvullend onderzoek door de Raad. De rechtbank benadrukt het belang van gezamenlijke besluitvorming in het belang van het kind.

Uitkomst: De rechtbank houdt de beslissing over wijziging hoofdverblijfplaats en zorgregeling aan en verwijst partijen naar een hulpverleningstraject.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/440817 / FA RK 25-5268
datum uitspraak: 5 februari 2026
beschikking over hoofdverblijf en zorgregeling
in de zaak van
[de vrouw],
hierna te noemen de vrouw,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. J.J. Bronsveld uit Bergen op Zoom,
tegen
[de man] ,
hierna te noemen de man,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. M. Czarnota uit Oosterhout,
over de minderjarige:
-
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2013 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] .
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.

1.Het procesverloop

1.1.
In het dossier zitten de volgende stukken:
  • het op 14 oktober 2025 ontvangen verzoekschrift van de vrouw met 2 producties;
  • het F2-formulier (stelbericht) van mr. Czarnota van 21 oktober 2025;
  • het F9-formulier (indienen overige stukken) van mr. Bronsveld van 10 november 2025 met 1 productie;
  • het op 16 januari 2026 ontvangen verweerschrift tevens houdende een zelfstandig voorwaardelijk verzoek van de man met 17 producties.
1.2.
De zaak is met gesloten deuren behandeld op de zitting van 22 januari 2026. Bij de zitting zijn partijen verschenen samen met hun advocaten. Ook was een medewerkster namens de Raad aanwezig.
1.3.
Voor de zitting heeft een collega kinderrechter mr. Tempel met [minderjarige] gesproken over de verzoeken. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn met elkaar getrouwd geweest. Bij beschikking van deze rechtbank van
20 oktober 2017 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze beschikking is op
17 november 2017 ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.
2.2.
Tijdens het huwelijk van partijen is [minderjarige] geboren.
2.3.
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.4.
In de echtscheidingsbeschikking én in het aan de echtscheidingsbeschikking gehechte ouderschapsplan van 17 mei 2017 is bepaald dat [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw heeft. Daarnaast zijn partijen een regeling in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna te noemen zorgregeling) overeengekomen.
2.5.
[minderjarige] heeft van 13 december 2017 tot 13 juni 2022 onder toezicht gestaan van de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant. Zij is op grond van een daartoe strekkende machtiging vanaf 13 december 2017 uit huis geplaatst, en heeft achtereenvolgend in twee verschillende pleeggezinnen verbleven. Met ingang van 12 oktober 2019 is [minderjarige] (doordeweeks) bij de man gaan verblijven.
2.6.
Bij beschikking van deze rechtbank van 10 maart 2020, aangevuld bij beschikking van 18 maart 2020, is het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de man bepaald.
2.7.
Bij beschikking van deze rechtbank van 23 april 2021 is, voor zover op dit moment nog van belang, bepaald dat de vrouw en [minderjarige] gerechtigd zijn tot contact met elkaar:
- wekelijks op woensdagmiddag na schooltijd van 12:30 uur tot 19:00 uur, waarbij de vrouw [minderjarige] van school haalt en de man [minderjarige] ophaalt bij de vrouw;
- éénmaal in de veertien dagen in de weekenden, te weten in de even weken van vrijdag 15:30 uur uit school tot zondagavond 19:00 waarbij de vrouw [minderjarige] uit school haalt en de man [minderjarige] bij de vrouw ophaalt;
- de helft van de schoolvakanties en algemeen erkende feestdagen.

3.De verzoeken

3.1.
De vrouw verzoekt de rechtbank om bij beschikking het hoofdverblijf van [minderjarige] bij haar te bepalen en om een zorgregeling tussen de man en [minderjarige] vast te stellen op grond waarvan de man en [minderjarige] gerechtigd zijn tot contact met elkaar één keer in de veertien dagen van vrijdag tot zondag en eventueel in de weken waarin er geen contact is op de woensdag, dan wel een andere nadere dag in die week in overleg te bepalen, dan wel door de rechtbank te bepalen.
3.2.
De man is het niet eens met de verzoeken van de vrouw en verzoekt deze verzoeken af te wijzen.
In het geval het verzoek van de vrouw om het hoofdverblijf van [minderjarige] bij haar te bepalen wordt toegewezen, verzoekt de man bij wijze van voorwaardelijk zelfstandig verzoek een zorgregeling tussen hem en [minderjarige] te bepalen op grond waarvan zij gerechtigd zijn tot contact met elkaar één weekend in de veertien dagen van vrijdag na school tot zondagavond en in de even weken waarop er geen omgang is van woensdag na school tot donderdag voor school.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de vrouw is in het verzoekschrift en tijdens de zitting het navolgende aangevoerd.
Sinds de geboorte van [minderjarige] heeft de vrouw het grootste deel van de zorg en opvoeding van [minderjarige] op zich genomen. Na de scheiding van partijen is dit veranderd. Er is sprake geweest van intensieve hulpverlening. [minderjarige] is op 13 december 2017 onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming Brabant. Uiteindelijk heeft dit ertoe geleid dat [minderjarige] haar hoofdverblijf bij de man heeft gekregen. In oktober 2019 is [minderjarige] bij de man gaan wonen en is een zorgregeling tussen de vrouw en [minderjarige] vastgesteld.
De vrouw heeft in het verleden te kampen gehad met psychische problemen, maar daar heeft zij al enkele jaren geen last meer van. Zij is niet meer in therapie en gebruikt, naast oxazepam, geen andere medicatie. Er is sprake van een stabiele situatie en de vrouw voelt zich goed. Zij heeft haar leven op orde.
De vrouw speelt de laatste jaren een belangrijke rol in het leven van [minderjarige] . [minderjarige] heeft in de afgelopen jaren meerdere malen aan de vrouw te kennen gegeven dat zij liever bij de vrouw zou willen wonen. De vrouw heeft deze door [minderjarige] uitgesproken wens, gelet op de beladen geschiedenis waarbij veel hulpverlening betrokken is geweest, lange tijd naast zich neergelegd en heeft geprobeerd toe te werken naar een optimalisering van de zorgregeling tussen haar en [minderjarige] . Desondanks blijft [minderjarige] aan haar wens vasthouden, en wel zodanig dat de vrouw dit niet langer kan negeren. De vrouw acht het van belang dat [minderjarige] in haar wens wordt gehoord. [minderjarige] is sinds de vaststelling van haar hoofdverblijfplaats bij de man inmiddels zes jaar ouder. Vanuit de man is er veel liefde voor [minderjarige] , maar hij is onvoldoende in staat om zich te verhouden tot de huidige belevingswereld van [minderjarige] . [minderjarige] leeft in feite in een quasi sociaal isolement bij de man. Er is weinig ruimte voor [minderjarige] om met de man bepaalde zaken te bespreken of te delen, en [minderjarige] heeft het gevoel dat zij meer voor de man zorgt dan andersom. Daarnaast wordt alles tussen partijen door de man één op één gedeeld met [minderjarige] . [minderjarige] vindt dit heel ingewikkeld. Zij wordt hierin als een volwassene behandeld door de man, terwijl [minderjarige] nog een kind is.
Het contact tussen de vrouw en [minderjarige] is uitstekend en de vrouw kan goed aansluiten bij de behoeften van [minderjarige] . Zij hebben gezamenlijke hobby’s en de vrouw is betrokken bij de school van [minderjarige] , die gelegen is in de woonplaats van de vrouw. De vrouw is in staat om de dagelijkse opvoedtaken op zich te nemen. Gelet hierop, en gezien de persisterende wens van [minderjarige] om bij de vrouw te wonen, heeft de vrouw uiteindelijk besloten om een verzoek tot wijziging van het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de rechtbank in te dienen.
Omdat de communicatie tussen partijen nog steeds erg lastig is, zag de vrouw geen mogelijkheid om het verzoek met de man te bespreken. Ook [minderjarige] durfde dit niet. Zij is heel loyaal naar beide ouders en zij wil de man geen verdriet doen. [minderjarige] vindt het heel lastig om haar wens tot wonen bij de vrouw uit te spreken naar de man. Ze wil het voor beide ouders goed doen. De vrouw wil de man ook geenszins diskwalificeren in zijn rol als vader. Zij ziet dat de man het beste voor heeft met [minderjarige] en betrokken is bij haar. Belangrijk is dan ook dat in het geval het verzoek tot wijziging hoofdverblijf wordt toegewezen, er een ruime zorgregeling komt tussen [minderjarige] en de man. Daarbij kan de vrouw instemmen met de zorgregeling zoals door de man voorwaardelijk wordt verzocht, waarbij de vakanties en feestdagen bij helfte worden verdeeld. Ook over studiedagen kan overlegd worden. Wel acht de vrouw het van belang dat de wens van [minderjarige] hierin centraal staat en dat voor de vrouw en [minderjarige] de ruimte bestaat om doordeweeks samen een hobby uit te oefenen.
4.2.
Door en namens de man is in het verweerschrift en tijdens de zitting het navolgende aangevoerd.
De vrouw heeft in het verzoekschrift belangrijke feiten en omstandigheden weggelaten. Er is sprake van een lange geschiedenis waarin veel is gebeurd.
Nadat partijen uit elkaar zijn gegaan, is [minderjarige] bij beschikking van 13 december 2017 voorlopig onder toezicht gesteld en is zij met een spoedmachtiging uit huis geplaatst in een netwerkpleeggezin. Reden hiervoor was de situatie bij de vrouw thuis en de omstandigheid dat zij zichzelf en [minderjarige] onttrok aan de door [hulpverlening] geadviseerde gezinsopname bij [accommodatie] . [minderjarige] was op dat moment vier jaar oud en kreeg al jarenlang onvoldoende stabiliteit, rust, duidelijkheid en voorspelbaarheid aangeboden. Bij [minderjarige] is daardoor sprake van een reactieve hechtingsstoornis. Bij de vrouw is sprake van een borderline persoonlijkheidsstoornis.
De vrouw is destijds onvoldoende in staat gebleken om [minderjarige] de basale zorg, stabiliteit en structuur te bieden die zij nodig had. Ook was zij emotioneel onvoldoende beschikbaar vanwege haar eigen psychiatrische problematiek. Toen [minderjarige] anderhalf jaar oud was heeft de vrouw een psychose gehad en een suïcidepoging gedaan. Er is in die tijd een melding van (vermoedens van) kindermishandeling en/of huiselijk geweld gedaan. Vanuit haar psychiatrische problematiek kan de vrouw onvoorspelbaar reageren op [minderjarige] .
In het kader van de ondertoezichtstelling zijn de thuissituaties van zowel de man als de vrouw onderzocht. Er hebben veel gerechtelijke procedures plaatsgevonden. Uiteindelijk is [minderjarige] na onderzoek door [persoon] bij de man geplaatst en is een zorgregeling vastgesteld voor het contact tussen de vrouw en [minderjarige] . Bij beschikking van 23 april 2021 is de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld zoals die op dit moment geldt. Gaandeweg de jaren heeft de man wel toegestaan dat [minderjarige] vaker bij de vrouw verblijft dan in de zorgregeling is vermeld. Dit om de vrouw tegemoet te komen omdat zij aangaf [minderjarige] zo te missen. Ook wilde [minderjarige] haar moeder graag zien. Dit ging dan om een uitbreiding in de schoolvakanties en op studiedagen.
In augustus 2025 is de moeder van de man na een kort ziekbed vrij plotseling overleden. In die periode heeft [minderjarige] gedurende ruim anderhalf week bij de vrouw verbleven. Kort daarna ontving de man het verzoek van de vrouw om het hoofdverblijf van [minderjarige] bij haar te
bepalen. De man kan zich niet verenigen met dit verzoek en acht dit niet in het belang van
[minderjarige] . Er is geen reden waarom er iets voor [minderjarige] zou moeten veranderen. Het gaat goed met [minderjarige] en [minderjarige] heeft behoefte aan rust en stabiliteit. De man is en blijft de stabiele factor in het leven van [minderjarige] . De man zou zich er wel mee kunnen verenigen indien de zorgregeling wordt uitgebreid met de dinsdag met een eventuele overnachting naar de woensdag. Dit in verband met de kooklessen die [minderjarige] op dinsdagavond op school heeft waardoor zij op dit moment ‘extra’ op dinsdag uit school tot aan de kooklessen bij de vrouw verblijft. Wel wijst de man erop dat de kooklessen niet eindeloos zullen duren.
Verder voert de man aan dat er nog steeds geen zicht is op de psychische gesteldheid van de vrouw. Er kan niet gewoonweg van de vrouw worden aangenomen dat er geen psychische problematiek meer speelt. Het is ook maar de vraag of de vrouw de zorg voor [minderjarige] gedurende de gehele week aan kan en haar gedurende langere tijd kan bieden waar zij behoefte aan heeft. De vrouw heeft met name contact met [minderjarige] in de weekenden en in de vakanties, dus wanneer de teugels wat gevierd kunnen worden en niet alles strikt volgens de regels hoeft te gaan. De man maakt zich daarnaast zorgen over de opvoedingssituatie bij de vrouw thuis. Zo slaapt [minderjarige] nog steeds bij de vrouw in bed, douchen zij samen, vapet de vrouw waar [minderjarige] bij is, mag [minderjarige] bij de vrouw energiedrank drinken en wordt er bij de vrouw voornamelijk friet gegeten. Echt structuur en ouderlijke verantwoordelijkheid is er dus niet.
De man betwist dat de vrouw sinds de geboorte van [minderjarige] het grootste gedeelte van de zorg en opvoeding van [minderjarige] voor haar rekening heeft genomen, dat hij zich niet zou kunnen inleven in de belevingswereld van [minderjarige] , dat [minderjarige] bij de man in een isolement zou wonen en dat [minderjarige] meer voor de man zou zorgen dan andersom. De man ziet het verzoek van de vrouw wel als een diskwalificatie van de man als ouder. In het verleden heeft de vrouw diverse aantijgingen gedaan aan het adres van de man en ook nu probeert zij de man in een kwaad daglicht te stellen, om ervoor te zorgen dat [minderjarige] bij haar komt wonen.
Gelet op de problematiek in het verleden, het gebrek aan inzicht in de thuissituatie van de vrouw en het feit dat [minderjarige] al op meerdere plekken heeft gewoond, acht de man het in het belang van [minderjarige] dat het verzoek van de vrouw wordt afgewezen.
Verder wijst de man erop dat [minderjarige] tegen hem zegt dat ze juist bij hem wil blijven wonen. [minderjarige] vertelt tegen haar beide ouders dus iets anders, waardoor het niet duidelijk is wat nu daadwerkelijk de wens van [minderjarige] is. Ook betwist de man dat er voor de vrouw geen mogelijkheid bestond om met hem te communiceren over het verzoek. De man heeft altijd open gestaan voor communicatie met de vrouw over [minderjarige] . De onderlinge communicatie tussen partijen verliep de laatste periode juist beter. Het verzoek van de vrouw tot wijziging van het hoofdverblijf kwam voor de man dan ook als een donderslag bij heldere hemel.
Voor zover de rechtbank zich onvoldoende geïnformeerd acht, acht de man het van belang dat de Raad een onderzoek zal doen voor de beantwoording van de vraag waar [minderjarige] haar hoofdverblijf zal hebben en welke zorgregeling er zal gelden indien het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vrouw wordt bepaald.
4.3.
De medewerkster van de Raad heeft aangevoerd dat de voorgeschiedenis van [minderjarige] behoorlijk turbulent is geweest. Na de plaatsing van [minderjarige] bij de man in oktober 2019 is er meer rust voor [minderjarige] ontstaan. Zij woont bij de man en staat in goed contact met de vrouw. Volgens de vrouw heeft [minderjarige] naar haar meermaals de wens uitgesproken om bij de vrouw te wonen. Deze wens heeft [minderjarige] niet met de man gedeeld. De Raad maakt zich daarover zorgen. Dit kan er namelijk op duiden dat sprake is van een situatie waarin [minderjarige] klem zit tussen partijen en met haar loyaliteit worstelt. Dit is voorstelbaar. [minderjarige] heeft veel meegemaakt en heeft in haar hechting een moeilijke ontwikkeling moeten doormaken. Hierdoor kan het zijn dat het voor haar lastig is om haar eigen wensen, gevoelens en gedachten vorm te geven en te bespreken.
Een wijziging van het hoofdverblijf van [minderjarige] van de man naar de vrouw biedt niet de oplossing. Integendeel, dit kan juist de loyaliteitsproblematiek waarmee [minderjarige] lijkt te worstelen groter maken. Dit omdat [minderjarige] over een wijziging van haar hoofdverblijf weliswaar heeft gesproken met de vrouw, maar niet met de man. Hierover is geen open gesprek gevoerd. Dit kan maken dat [minderjarige] zich bezwaard gaat voelen naar de man. Met een toewijzing van het verzoek van de vrouw is [minderjarige] op dit moment dan ook niet geholpen.
Het is belangrijk om te weten wat er in [minderjarige] omgaat, meer specifiek wat haar wensen en behoeften zijn ten aanzien van het wonen bij partijen. Daarop dient nader ingezet te worden. [minderjarige] moet ook gaan leren dat zij mag zeggen wat zij denkt en voelt en dat zij daarin serieus genomen wordt. Zij moet daarvoor de tijd en ruimte krijgen. Een kindercoach zou haar hierin kunnen ondersteunen. Voorkomen moet worden dat bij [minderjarige] het gevoel ontstaat dat zij de verantwoordelijkheid draagt voor een eventuele wijziging van haar hoofdverblijf. Die ballast moet zij niet dragen. Het zou [minderjarige] ook steunen als partijen over een eventuele wijziging van het hoofdverblijf en/of zorgregeling met elkaar het gesprek aangaan.
Dit alles zou plaats kunnen vinden in een hulpverleningstraject in het kader van het Uniform Hulpaanbod (hierna te noemen UHA). Dit zou zowel [minderjarige] als partijen houvast kunnen bieden. Ook kan middels een hulpverleningstraject in het kader van het UHA goed gemonitord worden welke stappen [minderjarige] en partijen in dit proces samen maken en kan, daar waar nodig, regie worden gevoerd.

5.De beoordeling

5.1.
Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen BW) kunnen geschillen omtrent de gezagsuitoefening aan de rechtbank worden voorgelegd. Dit kunnen onder andere geschillen zijn over de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling.
Verder kan de rechtbank op grond van artikel 1:377e juncto artikel 1:253a, vierde lid, van het BW op verzoek van de ouders of één van hen een beslissing inzake de zorgregeling en een door de ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen als daarna de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
De rechtbank is op grond van de door partijen geschetste feiten en omstandigheden van oordeel dat sprake is van voldoende relevante wijzigingen van omstandigheden die een beoordeling van het hoofdverblijf en de zorgregeling rechtvaardigen. De vrouw kan dan ook worden ontvangen in haar verzoeken.
5.2.
Op de zitting hebben partijen aangegeven dat zij het met de Raad belangrijk vinden dat de wensen en behoeften van [minderjarige] over het wonen bij partijen duidelijk worden, waarbij haar de mogelijkheid moet worden geboden om hierover vrij en open te kunnen spreken zonder dat zij het gevoel heeft één van de ouders te kort te doen en/of af te vallen. [minderjarige] houdt namelijk veel van haar ouders, en wil het voor hen beiden goed doen. Partijen kunnen achter het voorstel van de Raad staan om ter ondersteuning van [minderjarige] een kindercoach voor haar aan te stellen. Daarnaast hebben partijen, (eveneens) in reactie op het advies van de Raad, aangegeven het belangrijk te vinden dat zij met elkaar het gesprek over [minderjarige] aangaan, meer specifiek of een wijziging van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] en/of de zorgregeling past bij de belangen van [minderjarige] . Partijen oefenen samen het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit. Dit betekent dat zij gezagsbeslissingen over [minderjarige] , zoals een eventuele wijziging van haar hoofdverblijfplaats en/of de zorgregeling, in gezamenlijkheid - met inachtneming van de belangen van [minderjarige] - dienen te nemen. Partijen zijn bereid hierin hun verantwoordelijkheid te nemen en staan open voor deelname aan gezamenlijke (ouder)gesprekken onder begeleiding van de hulpverlening om de communicatie hierover tussen hen op gang te brengen binnen een voor beide partijen helder en richtinggevend kader. Dit alles met als doel om samen tot passende besluiten met betrekking tot [minderjarige] te komen.
5.3.
Binnen een hulpverleningstraject in het kader van het UHA kan de ondersteuning van een kindercoach voor [minderjarige] en de gezamenlijke (ouder)gesprekken tussen partijen onder begeleiding van een hulpverlener worden georganiseerd. Gelet hierop hebben partijen er zitting mee ingestemd dat de rechtbank hen en [minderjarige] verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant Oost voor een hulpverleningstraject zoals hierboven onder r.o. 5.2. beschreven. Naar het oordeel van de rechtbank laten partijen hiermee zien in het belang van [minderjarige] te handelen. Daarbij spreekt de rechtbank de hoop uit dat partijen er samen uit komen, met gezamenlijk gedragen besluiten over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] en de zorgregeling. Dit zal [minderjarige] namelijk ontlasten en er zorg voor dragen dat zij met haar beide ouders een onbelast kan hebben.
5.4.
De verwijzing heeft op 26 januari 2026 plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Deze beschikking geldt als bevestiging dat partijen met de doorverwijzing en de voorwaarden hebben ingestemd. Daarbij wijst de rechtbank partijen erop dat deelname aan het hulpverleningstraject weliswaar vrijwillig, maar niet vrijblijvend is. Van partijen wordt dan ook een serieuze inspanning verwacht om het traject tot een goed einde te brengen.
5.5.
Met de inzet van het hulpverleningstraject gaan partijen, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten:
- de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind;
- het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund.
5.6.
Gebleken is dat partijen daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de rechter na overleg met partijen besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van het volgende resultaat:
- het kind en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar.
De resultaten heeft de rechtbank ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is bij deze beschikking gevoegd (bijlage 1).
5.7.
Na afloop van het hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd. De rechtbank verzoekt het loket om de volledige UHA rapportage uiterlijk op na te noemen pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk is, bij de rechtbank in te dienen.
5.8.
Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank partijen en hun advocaten in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een mondelinge behandeling nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de verzoeken met betrekking tot [minderjarige] .
5.9.
Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de rechtbank het loket de volledige UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten.
5.10.
Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank partijen en hun advocaten in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten.
5.11.
Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover bij de rechtbank een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen:
- Past een wijziging van de hoofdverblijfplaats bij de belangen van [minderjarige] ?
- Welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door partijen past het beste bij de belangen van [minderjarige] ?
- Hoe moet die regeling eruit gaan zien (aard, duur en frequentie)?
- Welke andere feiten/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld en zijn wel van belang om te vermelden?
5.12.
Deze beschikking is een verzoek aan de Raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
5.13.
Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank partijen en hun advocaten in de gelegenheid op de rapportage van de Raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop.
5.14.
Partijen zijn tijdens de zitting geïnformeerd over de privacy aspecten van de doorverwijzing (bijlage 2). Zij hebben met het delen van de privacy gegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt ingestemd.
5.15.
Omdat partijen en [minderjarige] in de gelegenheid worden gesteld deel te nemen aan het hulpverleningstraject beslist de rechtbank nu niet op verzoeken van de vrouw met betrekking tot de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling, maar houdt zij de beslissing daarover voor de duur van zes maanden aan. Op verzoek van het loket en/of de gemeente/toegang kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan, dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door.
5.16.
In het kindgesprek is aan [minderjarige] gevraagd hoe zij op de hoogte wil worden gesteld van de beslissing. [minderjarige] heeft daarop aangegeven graag in een brief een terugkoppeling van de beslissing te krijgen. Daarom zal in een aparte brief aan [minderjarige] kort worden uitgelegd wat de beslissing is. De kinderrechter acht het van belang dat partijen op de hoogte zijn van de inhoud van de brief die [minderjarige] ontvangt. Vandaar dat de tekst van de brief hieronder wordt weergegeven:
Beste [minderjarige] ,
Jij bent op 20 januari 2026 uitgenodigd voor kindgesprek op de rechtbank. Jij hebt toen gesproken met mr. Tempel. Zij is een collega van mij. Met mr. Tempel heb je gepraat over het verzoek dat jouw moeder bij de rechtbank heeft ingediend. Jouw moeder heeft gevraagd of jij voortaan bij haar kan komen wonen, en om een contactregeling tussen jou en jouw vader vast te stellen. Mr. Tempel heeft mij laten weten dat zij een fijn gesprek met jou heeft gehad.
Op 22 januari 2026 was de zitting waarvoor jouw ouders waren uitgenodigd. Ook de Raad voor de Kinderbescherming was uitgenodigd. Zij zijn allemaal naar de zitting gekomen. Ik heb met iedereen kunnen praten. Het was een prettige zitting.
Jij woont vanaf oktober 2019 bij je vader. Dat is al best een lange tijd. Jij hebt ook goed contact met jouw moeder. Jij hebt aan mijn collega verteld dat jij het bij allebei jouw ouders fijn vindt. Als jij bij je moeder gaat wonen, zoals jouw moeder heeft gevraagd, gaat er best veel voor je veranderen. Ik vind het belangrijk dat hierover goed met jou gepraat wordt. Ook vind ik het belangrijk dat jouw ouders hierover goed samen gaan praten. Dit is nog niet gebeurd.
Op de zitting hebben jouw ouders aangegeven het een goed idee te vinden als er voor jou een kindercoach komt. Dat is iemand die bij de hulpverlening werkt, en met wie je kan praten over jouw ouders en het wonen. De kindercoach gaat samen met jou kijken hoe jij het graag zou willen. Op de zitting hebben jouw ouders gezegd dat zij zelf ook samen met een hulpverlener willen gaan praten over het wonen van jou bij hen. Dat is nog niet gebeurd. Het is beter dat jouw ouders dat samen beslissen. Dan is het wel nodig dat zij eerst goed met elkaar hebben gepraat.
Er komt dus iemand die met jou gaat praten, een kindercoach. Ook komt er een hulpverlener die jouw ouders gaat helpen bij de gesprekken die zij samen gaan voeren. Ik wil afwachten wat uit deze gesprekken komt. Dat betekent dat ik nog geen beslissing neem op de vraag van jouw moeder dat jij voortaan bij haar komt wonen. Die beslissing stel ik uit. Ik hoop dat er over zes maanden meer duidelijkheid is.
Dit betekent dat er op dit moment niets voor je verandert. Jij blijft de komende tijd bij je vader wonen, en gaat naar je moeder toe zoals dat tot nu toe is afgesproken. Misschien kan je op dinsdagavond na de kookles een extra nachtje bij je moeder slapen, als jij dat fijn vindt en je ouders dat goed vinden. Daarover is op de zitting kort gepraat. Over zes maanden hoop ik meer informatie te hebben en wel een beslissing te kunnen nemen op de vraag van jouw moeder.
Ik wens je de komende tijd veel succes toe. Ik hoop dat je snel een kindercoach krijgt met wie je fijne gesprekken kan voeren over wat jij belangrijk vindt.
Met vriendelijke groet,
De kinderrechter mr. Vos.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
verwijst partijen en de minderjarige [minderjarige] voor een hulpverleningstraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-Oost. Het loket zal partijen en de minderjarige [minderjarige] vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de minderjarige [minderjarige] verwijzen naar de zorgaanbieder;
6.2.
verzoekt het loket om uiterlijk op
4 augustus 2026 pro forma, of zoveel eerder als mogelijk is, de UHA rapportage over het verloop en de resultaten van het hulpverleningstraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen;
6.3.
verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;
6.4.
verzoekt de Raad binnen veertien dagen na binnenkomst van de UHA rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;
6.5.
verzoekt de Raad, regio Zeeland, West- en Midden-Brabant, locatie Breda wanneer het hulpverleningstraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in r.o. 5.11. vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;
6.6.
verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen;
6.7.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. Vos, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2026 in aanwezigheid van mr. Snatersen, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.