ECLI:NL:RBZWB:2026:1678
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Herleving Wajong-uitkering na detentie en toepasselijkheid aanvraagdatum
Eiser ontvangt sinds 2011 een Wajong-uitkering die door het UWV werd beëindigd vanwege detentie vanaf 15 maart 2023. Na zijn vrijlating op 15 november 2024 verzocht eiser op 20 november 2024 schriftelijk om herleving van de uitkering. Het UWV stelde de herleving vast per 7 december 2024, de datum van ontvangst van het verzoek.
Eiser betwist de herlevingsdatum en stelt dat de uitkering per dag van vrijlating of in ieder geval per datum van zijn brief (20 november 2024) had moeten ingaan. Hij beroept zich op wettelijke bepalingen en het gelijkheidsbeginsel, verwijzend naar een vergelijkbare zaak. Het UWV handhaaft dat de herleving pas ingaat op de datum van ontvangst van het verzoek, conform het regime van Hoofdstuk 2 van de Wajong 2015.
De rechtbank stelt vast dat het recht op herleving van de Wajong-uitkering na detentie een aanvraag vereist en dat de wet geen terugwerkende kracht toestaat. De aanvraagdatum is bepalend voor de ingangsdatum van de herleving. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt wegens gebrek aan bewijs van gelijke gevallen. Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor de herleving per 7 december 2024 blijft staan.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de herleving van de Wajong-uitkering per 7 december 2024.