ECLI:NL:RBZWB:2026:168

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
C/02/437556 / FA RK 25-3574
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Triest
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:204 BWArt. 1:253c BWArt. 1:401 BWArt. 1:404 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning vervangende toestemming erkenning en gezamenlijk gezag met aanhouding zorgregeling en vaststelling kinderalimentatie

De man verzoekt de rechtbank om vervangende toestemming voor de erkenning van zijn twee minderjarige kinderen, gezamenlijk gezag toe te kennen en een zorg- en contactregeling vast te stellen. De vrouw stemt in met de erkenning maar verzet zich tegen gezamenlijk gezag en de omgangsregeling vanwege zorgen over veiligheid en communicatieproblemen.

De rechtbank benoemt een bijzondere curator en ontvangt adviezen van de Raad voor de Kinderbescherming. Er is geen twijfel over het vaderschap en geen contra-indicaties voor erkenning. De rechtbank wijst het verzoek tot vervangende toestemming voor erkenning toe en beëindigt de taak van de bijzondere curator.

Met betrekking tot het gezamenlijk gezag overweegt de rechtbank dat ondanks incidenten en communicatieproblemen, de ouders eerder in staat waren samen afspraken te maken en dat er geen onaanvaardbaar risico is dat de kinderen klem of verloren raken. Het gezamenlijk gezag wordt toegekend onder de voorwaarde dat de man eerst de kinderen erkent.

De zorg- en contactregeling wordt aangehouden voor een (jeugd)hulpverleningstraject via het uniform hulpaanbod (UHA) om de communicatie en omgang te verbeteren. De rechtbank wijzigt de kinderalimentatie op basis van draagkrachtberekeningen en wijst de man een lagere bijdrage toe dan de eerder gemaakte afspraak. Achterstallige alimentatie wordt vastgesteld in overleg tussen partijen.

De rechtbank verwijst de ouders en kinderen naar een zorgtraject en verzoekt de Raad om onderzoek en advies indien het traject niet leidt tot verbetering. De beslissing op de zorgregeling wordt aangehouden voor negen maanden met mogelijkheid tot verlenging.

Uitkomst: Vervangende toestemming erkenning en gezamenlijk gezag toegekend, kinderalimentatie aangepast, zorgregeling aangehouden voor hulpverleningstraject.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/437556 / FA RK 25-3574
datum uitspraak: 14 januari 2026
beschikking over vervangende toestemming erkenning, omgang, gezag en kinderalimentatie
in de zaak van
[de man],
hierna: de man,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat: mr. A. van Tol-Macharoblishvili in Tilburg.
en
[de vrouw],
hierna: de vrouw,
wonende in [plaats 2] ,
advocaat: mr. A. Huseinovic in Breda.
Terzake het afstammingsverzoek worden als belanghebbenden aangemerkt:
de minderjarigen:
[minderjarige 1],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2017, hierna: [minderjarige 1] ,
en
[minderjarige 2],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2019, hierna: [minderjarige 2] ,
vertegenwoordigd door mr. A.C.M. den Ridder- van der Meijden in haar hoedanigheid van bijzondere curator.
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.

1.Het procesverloop

1.1
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- het op 8 juli 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
- de op 8 augustus 2025 gegeven beschikking tot benoeming van een bijzondere curator over de minderjarigen;
- het verslag van de bijzondere curator van 26 augustus 2025;
- het op 17 september 2025 ontvangen verweerschrift mede inhoudende zelfstandig verzoek en verzoek tot provisionele voorziening met bijlagen;
- de brief met bijlagen van mr. Van Tol-Macharoblishvili van 21 november 2025;
- de brief van [minderjarige 1] bij de e-mail van de vrouw van 27 november 2025;
- de brief met bijlagen van mr. Huseinovic van 29 november 2025;
- het F-formulier met bijlage van mr. Van Tol-Macharoblishvili van 2 december 2025;
- de brief met bijlagen van mr. Huseinovic van 3 december 2025.
1.2
De verzoeken zijn mondeling behandeld op 9 december 2025. Bij die behandeling zijn gekomen de man en de vrouw, met hun advocaten. Ook waren aanwezig de bijzondere curator en een vertegenwoordiger van de Raad.
1.3
[minderjarige 1] heeft de mogelijkheid gekregen om te zeggen wat zij van het verzoek vindt. De vrouw heeft een brief van [minderjarige 1] naar de rechtbank gestuurd. De brief is voorgelezen en partijen zijn in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren.

2.De feiten

2.1
De man en de vrouw hebben een affectieve relatie gehad en zijn op 3 juli 2020 met elkaar gehuwd. Bij beschikking van de rechtbank Overijssel van 6 mei 2022 is de echtscheiding tussen hen uitgesproken, welke beschikking op 27 juni 2022 is ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand. De relatie tussen de man en de vrouw is definitief verbroken in 2024.
2.2
Voor het huwelijk zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (verder: de minderjarigen) geboren.
2.3
De minderjarigen zijn nimmer door de man erkend.
2.4
De vrouw oefent van rechtswege het eenhoofdig ouderlijk gezag over de minderjarigen uit. De minderjarigen wonen bij haar.

3.De verzoeken

3.1
De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de toestemming van de vrouw door de toestemming van de rechtbank te vervangen, zodat de man kan overgaan tot erkenning van [minderjarige 1] ;
II. de toestemming van de vrouw door de toestemming van de rechtbank te vervangen, zodat de man kan overgaan tot erkenning van [minderjarige 2] ;
III. de man te belasten met het gezamenlijk gezag, naast de vrouw, over de minderjarigen;
IV. een zorg- en contactregeling vast te stellen, namelijk dat:
- de kinderen in de oneven weken van vrijdag na het werk van de man rond 18.00
uur tot zondag 18.30 uur bij de man verblijven, alsmede de woensdagen in de even weken van 12.30 uur tot 18.30 uur;
- de kinderen tijdens de zomervakantie twee aaneengesloten weken bij de man verblijven, welke weken in onderling overleg tussen partijen zullen worden bepaald, niet later dan in februari van het lopend jaar;
- tijdens de meivakantie en de herfstvakantie de kinderen de eerste week bij de man en de tweede week bij de vrouw verblijven;
- tijdens de kerstvakantie de kinderen in de even jaren de eerste week bij de man en de tweede week bij de vrouw, in de oneven jaren de eerste week bij de vrouw en de tweede week bij de man verblijven;
- op de verjaardag van de man en Vaderdag de kinderen bij de man zijn, van 10.00 uur tot 18.30 uur;
- op de verjaardag van de vrouw en Moederdag de kinderen bij de vrouw zijn, van 10.00 uur tot 18.30 uur;
- voor de overige vakanties en feestdagen, de reguliere zorg- en contactregeling geldt,
althans een zodanige omgangsregeling te treffen als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren.
3.2
De vrouw heeft verzocht de verzoeken van de man onder I en II toe te wijzen en onder III en IV af te wijzen. Daarnaast heeft de vrouw als zelfstandig verzoek verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair: te bepalen dat de man gehouden is bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen met een bedrag van € 800 per maand voor beide minderjarigen, conform de tussen partijen gemaakte afspraak, met ingang van 1 januari 2025 dan wel 1 mei 2025 dan wel de datum van indiening van het verzoekschrift door de man, telkens te voldoen voor de 25e van de maand en dat de man gehouden is de achterstallige bijdragen over de betreffende perioden te voldoen uiterlijk binnen veertien dagen na de datum van de beschikking;
subsidiair: te bepalen dat de man gehouden is bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen met een bedrag van € 854 per maand voor beide minderjarigen, conform de draagkrachtberekening van de vrouw, met ingang van 1 januari 2025 dan wel 1 mei 2025 dan wel de datum van indiening van het verzoekschrift door de man, telkens te voldoen voor de 25e van de maand en dat de man gehouden is de achterstallige betalingen over de betreffende perioden te voldoende uiterlijk binnen veertien dagen na de datum van de beschikking.
De vrouw heeft de provisionele verzoeken, inhoudende voorgaande zelfstandige verzoeken gedurende de duur van het geding, tijdens de zitting ingetrokken.
3.3
De man heeft verzocht de vrouw niet ontvankelijk te verklaren in haar zelfstandige en provisionele verzoeken, althans de verzoeken van de vrouw af te wijzen.

4.De beoordeling

Verzoek tot vervangende toestemming tot erkenning
4.1
Bij beschikking van 8 augustus 2025 heeft de rechtbank mr. A.C.M. den Ridder- van der Meijden benoemd tot bijzondere curator over de minderjarigen. De rechtbank heeft de bijzondere curator verzocht schriftelijk verslag te doen van haar bevindingen en daarbij een standpunt over het verzoek in te nemen.
4.2.
De man heeft aangegeven dat de minderjarigen tijdens de relatie van partijen niet door hem zijn erkend, omdat dit ten koste zou gaan van de bijstandsuitkering en de toeslagen van de vrouw. Na de verbreking van de relatie hebben partijen afspraken gemaakt bij ‘ [hulpverlening 1] ”. In de schriftelijke afspraken van 20 juni 2024 staat aangegeven dat de vrouw het goed vindt als de man de minderjarigen erkent. Ook daarna heeft de vrouw via whatsapp aangegeven mee te zullen werken aan de erkenning. De erkenning heeft echter nimmer plaatsgevonden. Op 26 november 2025 zouden partijen mogelijk een afspraak voor de erkenning bij de gemeente hebben, maar de vrouw heeft aangegeven dat dit niet door zou gaan, omdat er vanwege door de vrouw gestelde veiligheidsrisico’s extra maatregelen genomen moesten worden. De vrouw heeft aangegeven dat dit door angsten voor de man komt. De vrouw heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de erkenning van de minderjarigen door de man.
4.3.
De bijzondere curator adviseert het verzoek van de man onder I en II toe te wijzen. Tussen de man en de vrouw staat niet ter discussie dat de man de verwekker van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is. De man en de minderjarigen hebben het recht dat hun biologische relatie wordt erkend als familierechtelijke betrekking. Er zijn geen contra-indicaties voor de erkenning van de minderjarigen door de man. De weerstand van de vrouw is gericht op de zeggenschap van de man over de minderjarigen en dat is onvoldoende om het verzoek niet toe te wijzen. De bijzondere curator had het de minderjarigen gegund dat de ouders de erkenning in onderling overleg hadden geregeld en er geen rechterlijke beslissing op de akte van erkenning zou komen te staan. Het lijkt er echter op dat de vrouw niet de wil had om het daadwerkelijk samen te regelen. De bijzondere curator heeft daarbij aangegeven dat het een vooropgezet plan van de vrouw lijkt te zijn geweest om het te doen lijken dat er sprake was van gezamenlijk gezag door het huwelijk van partijen.
4.4.
De Raad heeft geadviseerd het afstammingsverzoek toe te wijzen. Het is belangrijk dat de minderjarigen weten van wie zij afstammen.
4.5
De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 1:204, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat, voor zover hier van belang, dat de toestemming van de moeder wier kind de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt op verzoek van de persoon die het kind wil erkennen door de toestemming van de rechtbank kan worden vervangen, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt en die persoon de verwekker is van het kind.
4.6
De rechtbank overweegt dat de minderjarigen er een groot belang bij hebben dat hun biologische verwantschap met de man wordt erkend als familierechtelijke betrekking. Er is geen twijfel bij partijen over het verwekkerschap van de man. De vrouw heeft geen bezwaar tegen de erkenning van de minderjarigen door de man, maar tot een daadwerkelijke erkenning komt het niet. Er zijn geen contra-indicaties die de erkenning in de weg staan.
4.7
De rechtbank zal het verzoek van de man onder I en II om aan hem vervangende toestemming te verlenen voor de erkenning van de minderjarigen dan ook toewijzen. De man moet de minderjarigen dan nog wel met deze beschikking bij de gemeente gaan erkennen. Dat kan pas als deze beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.
Beëindiging taak van de bijzondere curator
4.8
De rechtbank is van oordeel dat de taak van de bijzondere curator in deze procedure als beëindigd kan worden beschouwd. Mocht een van partijen echter een rechtsmiddel instellen ter zake van de erkenning, dan herleeft de taak van de bijzondere curator.
Verzoek tot gezamenlijk gezag
4.9
De man heeft ter onderbouwing van zijn verzoek onder III aangegeven dat het uitgangspunt is dat ouders gezamenlijk het gezag over hun kinderen dragen. De man en de vrouw hebben tijdens hun relatie en hun huwelijk jarenlang geleefd alsof zij beiden het gezag over de minderjarigen droegen. De man was verbaasd toen na de echtscheiding bleek dat hij niet het gezag over hen had. Na verbreking van de relatie zijn partijen met behulp van [hulpverlening 1] in juni 2024 afspraken overeengekomen over de zorg over de minderjarigen, waaronder dat de minderjarigen om het weekend en om de week op woensdag bij de man verblijven. De ouders konden met elkaar communiceren over de minderjarigen. Eerdere discussies tussen hen gingen over de erkenning en de kinderalimentatie, maar er waren verder geen punten in de verdeling van de zorg over de minderjarigen waar de ouders een discussie over hadden. Er hebben in het verleden wel incidenten tussen de ouders plaatsgevonden, maar dat was voordat partijen afspraken bij [hulpverlening 1] hebben gemaakt en het heeft niets te maken hoe de man met de minderjarigen omgaat. De omgangsregeling is in maart 2025 zonder enige reden door de vrouw stopgezet. De situatie dat de man op dit moment geen contact heeft met de minderjarigen en er geen communicatie is tussen partijen, is gecreëerd door de vrouw. Partijen moeten gaan werken aan hun onderlinge communicatie, maar dit vormt geen reden om niet aan de man het gezag toe te kennen. De man betwist dat de kinderen klem of verloren zouden raken bij gezamenlijk gezag tussen de ouders. Hij kan nu geen informatie opvragen over de kinderen bij instanties en is afhankelijk van de beknopte informatie die hij van de vrouw krijgt.
4.1
De vrouw acht het niet in het belang van de minderjarigen als de man mede met het gezag over hen wordt belast. De ouders zijn niet in staat met elkaar te communiceren. Er is geen gelijke verhouding tussen partijen. De man is dominant en de vrouw is daar niet tegenop gewassen. Er is structureel sprake (geweest) van bedreigingen en verbaal en fysiek geweld van de man tegen de vrouw. Zij heeft aangifte gedaan tegen de man vanwege mishandeling en bedreiging. Ook heeft zij een zedenmelding gedaan. De vrouw leeft in angst voor de man. De dreigingen vanuit de man zijn niet gestopt. Ook de minderjarigen laten angsten voor de man zien. De basis voor het gezamenlijk gezag ontbreekt. De ouders zijn niet in staat samen beslissingen over de minderjarigen te nemen. Er is volgens de vrouw een risico dat de man zijn gezagspositie zal misbruiken om de vrouw te controleren en te belemmeren. Er is een risico dat de minderjarigen klem of verloren raken tussen de ouders bij gezamenlijk gezag. Ook zou het gezamenlijk gezag de rust en de veiligheid, die de minderjarigen nu ervaren, ernstig in gevaar brengen en hun ontwikkeling schaden. De vrouw verzoekt daarom primair het verzoek van de man onder III af te wijzen en subsidiair het aan te houden.
4.11
De Raad heeft geadviseerd het verzoek van de man tot gezamenlijk gezag toe te wijzen. De Raad ziet geen contra-indicaties hiervoor. De vrouw benoemt dat zij angst voor de man heeft. Dit kan de uitoefening van het gezamenlijke gezag bemoeilijken. Echter, tot maart 2025 is de overeengekomen omgangsregeling uitgevoerd en hebben partijen gecommuniceerd met elkaar. Zij hebben in juni 2024 nog afspraken met elkaar gemaakt over de minderjarigen. De Raad ziet geen reden om de man niet een gelijke positie te geven aan de vrouw in het gezag over de minderjarigen.
4.12
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:253c BW kan de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Uit het tweede lid van voornoemd artikel volgt dat indien dit verzoek ertoe strekt de ouders gezamenlijk met het gezag te belasten en de andere ouder met dit gezamenlijk gezag niet instemt, het verzoek slechts wordt afgewezen indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
4.13
De rechtbank zal het verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag over de minderjarigen toewijzen. De ouders hebben tot de verbreking van hun relatie in 2024 samen voor de minderjarigen gezorgd. Gezien het huwelijk tussen de ouders en hetgeen de bijzondere curator in de afstammingskwestie daarover heeft aangegeven, vindt de rechtbank het zeer waarschijnlijk dat er tussen partijen destijds sprake was van een situatie alsof er sprake was van gezamenlijk gezag. Er hebben zich tijdens de relatie van de ouders incidenten voorgedaan. De ouders verschillen echter over de uitleg hiervan. Zij zijn in juni 2024 in ieder geval in staat geweest met ondersteuning van [hulpverlening 1] in onderling overleg afspraken met elkaar te maken over de verdeling van de zorg voor de minderjarigen en zij hebben zich in de maanden daarna daaraan gehouden. Beide ouders hebben stukken over hun communicatie overgelegd. Daar komt een wisselend beeld uit naar voren. De ouders hebben klaarblijkelijk met elkaar kunnen communiceren over de minderjarigen, maar na het stopzetten van de omgang door de vrouw in maart 2025 is er sprake geweest van frustratie en boosheid. De vrouw heeft aangegeven dat ook na juni 2024 de man zich richting haar bedreigend heeft geuit. De man ontkent dit. De vrouw heeft pas later, namelijk in maart 2025, de omgang stopgezet. Onduidelijk is gebleven wat op dat moment de aanleiding daarvan was. Uit de door de man overgelegde whatsappberichten (productie 11) blijkt dat de vrouw in juni 2025 zich nog liefdevol uitlaat richting de man en bij hem aandringt op verzoening. De man heeft hier juist afwerend op gereageerd. De vrouw heeft hierover aangegeven dat zij dit uit angst heeft gedaan, maar dat blijkt niet uit de overgelegde berichten. Haar aangifte dateert van 19 augustus 2025 (productie 2), pas nadat haar bekend is geworden dat de man een verzoek had ingediend bij de rechtbank. De rechtbank constateert dat er sprake van een inconsistent beeld. De rechtbank kan enkel vaststellen dat de ouders tot maart 2025 in staat waren in onderling overleg afspraken over de verdeling van de zorg over de minderjarigen te maken en te communiceren daarover. Dat dit na maart 2025 is verslechterd, is grotendeels gelegen in het feit dat de vrouw de omgang tussen de man en de minderjarigen heeft gestopt. De ouders zullen ten aanzien van de omgangsregeling met een verwijzing via het uniform hulpaanbod (UHA) hulpverlening gaan krijgen. Daar kunnen zij ook weer gaan werken aan verbetering van de onderlinge communicatie en verhouding. Dit staat niet in de weg aan toekenning van het gezamenlijk gezag. Aangezien de ouders eerder jaren in staat zijn geweest met elkaar de zorg over de minderjarigen te delen, ziet de rechtbank geen onaanvaardbaar risico dat de minderjarigen klem of verloren raken tussen de ouders als zij samen het gezag zouden uitoefenen en ook geen andere redenen waarom afwijzing van het verzoek van de man in het belang van de minderjarigen zou zijn. De man heeft nimmer het gezag over de minderjarigen kunnen dragen, omdat de vrouw onvoldoende heeft meegewerkt aan de erkenning van de minderjarigen door de man. Hij heeft net zoveel recht om het gezag over zijn kinderen te dragen als de vrouw.
4.14
De man moet eerst de kinderen erkennen, voordat hij mede het gezag over hen kan dragen. De rechtbank bepaalt daarom dat de ouders voortaan gezamenlijk het gezag over de minderjarigen dragen, onder de voorwaarde dat de man de minderjarigen heeft erkend. Om een aantekening in het gezagsregister te kunnen maken, heeft de rechtbank de akte van erkenning nodig. De rechtbank zal daarom bepalen dat (de advocaat van) de man na de erkenning de akte van erkenning dient te overleggen aan de rechtbank.
Verzoek tot het vaststellen van een zorgregeling
4.15
De vrouw heeft daartoe aangegeven dat zij omgang met de man niet in het belang van de minderjarigen vindt vanwege zorgen over hun veiligheid door het gedrag van de man en de gevolgen daarvan voor de minderjarigen. De minderjarigen zijn getuige geweest van fysiek en verbaal geweld door de man. Dit is schadelijk voor de minderjarigen. De vrouw heeft in augustus 2025 aangifte tegen de man gedaan vanwege bedreigingen en mishandelingen en zedenmelding in de periode vanaf 2022. De vrouw heeft getuigenverklaringen overgelegd van familieleden en vrienden over het gedrag van de man. Zij heeft tevens een melding gemaakt bij Veilig Thuis. Veilig Thuis heeft de zaak overgedragen aan [hulpverlening 2] . Volgens de vrouw heeft [hulpverlening 2] geadviseerd de omgang tussen de man en de minderjarigen te stoppen. [hulpverlening 2] heeft verder nog geen stappen ondernomen, omdat ze de uitkomst van deze procedure willen afwachten. De vrouw heeft therapie gevolgd en daardoor ingezien dat zij afstand moet nemen van de man en de minderjarigen een veilige, stabiele haven moet bieden. De vrouw heeft angsten voor de man. Vanwege de kosten heeft zij nu begeleiding van de praktijkondersteuner van de huisarts. Ook de minderjarigen hebben angsten voor de man laten zien. De minderjarigen zullen nog speltherapie krijgen om hun trauma’s te verwerken, maar eerst moet de vrouw haar traumabehandeling afronden, aldus de vrouw. Sinds zij geen contact meer hebben met de man gaat het beter met hen. De vrouw verstrekt tweemaal per maand per e-mail informatie aan de man over de minderjarigen. De vrouw wil dat de Raad onderzoek zal gaan doen naar onder welke voorwaarden en in welke vorm veilig contact tussen de minderjarigen en de man mogelijk is.
4.16
De man betwist de door de vrouw beschreven incidenten en de overgelegde getuigenverklaringen. Er zijn in het verleden wel incidenten geweest, maar die hebben een andere context dan de vrouw beschrijft. De zogenoemde incidenten hebben veelal voor juni 2024 plaatsgevonden en de ouders hebben daarna nog bij [hulpverlening 1] afspraken met elkaar gemaakt en de man heeft de minderjarigen nog tot maart 2025 conform de onderling overeengekomen regeling gezien. Er was geen reden om de omgang tussen hem en de minderjarigen stop te zetten. De uitspraken van de vrouw komen ook niet overeen met haar gedrag. Zij heeft namelijk nadien nog meermaals aangegeven weer een relatie met hem te willen en zij heeft pas in augustus 2025 aangifte tegen de man gedaan. De man voelt zich vals beschuldigd. Hij is geen slechte vader. De man vreest dat de vrouw de minderjarigen beïnvloedt. Het is in het belang van de minderjarigen dat zij onbelast contact kunnen hebben met hun beide ouders.
4.17
De moeder heeft een brief van [minderjarige 1] naar de rechtbank gestuurd. In de brief van [minderjarige 1] staat, kort samengevat, aangegeven dat haar moeder dacht dat alles goed ging als zij en haar broertje bij hun vader waren, maar dat dit niet zo was. Ze vindt het niet normaal wat papa heeft gedaan met hen en met mama. Hij sloeg hen en zij mochten niet huilen. Hij gooide tafels omver waar zij bij was en bedreigde mama met een mes. Als ze thuiskwam zat ze vol met blauwe plekken. Zij wilde hem niet zien, omdat hij zo deed.
4.18
De Raad heeft over de brief van [minderjarige 1] aangegeven dat het een heftige inhoud heeft, maar dat het ook uit het niets lijkt te komen. Het is niet bekend hoe deze brief tot stand is gekomen en welke informatie [minderjarige 1] heeft gekregen over deze procedure. De Raad adviseert niet om een raadsonderzoek plaats te laten vinden. Daar gaat te veel tijd mee verloren, terwijl duidelijk is dat de ouders en hun kinderen hulpverlening nodig hebben. De hulpverlening kan ook vaker en intensiever met de kinderen praten, dan de Raad kan. Er moet rekening worden gehouden met de angsten van de vrouw, maar er moet ook voor opgepast worden dat de man door wat de vrouw aangeeft geen eerlijke kans krijgt. De Raad vindt het niet in het belang van de minderjarigen om te wachten met het contactherstel met de man tot zij speltherapie hebben gehad. Vooral ook omdat de vrouw aangeeft dat de kinderen pas therapie zullen krijgen als zij zelf haar traumatherapie heeft afgerond. Gezien het verloop van de omgangsregeling conform de afspraken die de ouders met elkaar hebben gemaakt, ziet de Raad op dit moment geen reden om de man geen contact met de minderjarigen te laten hebben. Met hulpverlening moet worden gekeken wat de minderjarigen nodig hebben voor het contactherstel met de man en welke vorm van contact daarbij passend is.
4.19
De ouders hebben, na een korte schorsing, ermee ingestemd dat de rechtbank hen en hun minderjarige kinderen voor (jeugd)hulpverlening verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Midden-Brabant. De rechtbank vindt het met de ouders en de Raad nodig dat voor deze ouders en hun minderjarige kinderen een passend (jeugd)hulpverleningstraject (UHA-traject) bij een zorgaanbieder wordt ingezet. De verwijzing heeft op 12 december 2025 plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Deze beschikking geldt als bevestiging dat ouders met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd.
4.2
Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan de ouders, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten:
- de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind;
- het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund.
Gebleken is dat ouders daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de rechter na overleg met de ouders besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van de volgende resultaten:
- de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind;
- het kind en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar;
- er is inzicht in de mogelijkheden/belemmeringen van beide ouders en de hulp die nodig is om een stabiele opvoedsituatie voor het kind te realiseren (binnen de scheidingssituatie);
- de nieuwe gezinssituaties zorgen gezamenlijk voor een goede basis voor de ontwikkeling van het kind.
De resultaten heeft de rechtbank ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is bij de verwijzing op 12 december 2025 bijgevoegd.
4.21
Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de toegang op te maken rapport gevoegd. De rechtbank verzoekt het loket om de volledige UHA-rapportage uiterlijk op na te noemen pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk is, bij de rechtbank in te dienen.
4.22
Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een mondelinge behandeling nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de verzoeken met betrekking tot de minderjarigen.
4.23
Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de rechtbank het loket de volledige UHA-rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten.
4.24
Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA-rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten.
4.25
Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover bij de rechtbank een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen:
- Welke vorm van contact met de man komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarigen?
- Hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?
- Zijn er contra-indicaties voor het contact met de man en zo ja, welke?
- In hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen; hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn?
- Welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door de ouders komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarigen?
- Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld en zijn wel van belang om te vermelden?
4.26
Deze beschikking is een verzoek aan de Raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
4.27
Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid op de rapportage van de Raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop.
4.28
De ouders zijn tijdens de mondelinge behandeling geïnformeerd over de privacy aspecten van de doorverwijzing. Zij hebben met het delen van de privacy gegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt ingestemd.
4.29
Omdat ouders en hun kinderen in de gelegenheid worden gesteld deel te nemen aan het (jeugd)hulpverleningstraject beslist de rechtbank nu niet op het verzoek van de man onder IV met betrekking tot het vaststellen van een zorgregeling, maar houdt zij de beslissing daarover voor de duur van negen maanden aan. Op verzoek van het loket en/of de gemeente/toegang kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door.
Kinderalimentatie
4.3
De vrouw verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair: te bepalen dat de man gehouden is bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen met een bedrag van € 800 per maand voor beide minderjarigen, conform de tussen partijen gemaakte afspraak, met ingang van 1 januari 2025 dan wel 1 mei 2025 dan wel de datum van indiening van het verzoekschrift door de man, telkens te voldoen voor de 25e van de maand en dat de man gehouden is de achterstallige bijdragen over de betreffende perioden te voldoen uiterlijk binnen veertien dagen na de datum van de beschikking;
subsidiair: te bepalen dat de man gehouden is bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen met een bedrag van € 854 per maand voor beide minderjarigen, conform de draagkrachtberekening van de vrouw, met ingang van 1 januari 2025 dan wel 1 mei 2025 dan wel de datum van indiening van het verzoekschrift door de man, telkens te voldoen voor de 25e van de maand en dat de man gehouden is de achterstallige betalingen over de betreffende perioden te voldoende uiterlijk binnen veertien dagen na de datum van de beschikking.
Nakoming van de afspraak - primair
4.3
De vrouw geeft aan dat partijen onder begeleiding van “ [hulpverlening 1] ” onder andere afspraken hebben gemaakt over een door de man te betalen bijdrage in de kosten van de kinderen. Deze afspraken zijn door mevrouw [persoon] (systeemtherapeutisch werker) opgenomen in een bijlage bij een aan partijen verstuurd e-mailbericht van 20 juni 2024 (productie 8 zijde man). Op grond van deze afspraak betaalt de man een bedrag van € 800,= per maand in de kosten van de kinderen. Op de zitting heeft de vrouw toegelicht dat de man dit bedrag ook al betaalde toen hierover nog geen afspraken waren gemaakt. Vandaar dat partijen bij het maken van de afspraken over de kinderalimentatie bij dit bedrag hebben aangesloten. Vanaf juni 2024 heeft de man deze bijdrage telkens voldaan, maar sinds mei 2025 is hij gestopt om deze bijdrage structureel te betalen.
4.31
De man voert gemotiveerd verweer. Hij geeft aan dat de overeengekomen kinderalimentatie nooit is berekend. Partijen hebben dit bedrag bepaald zonder overleg met of advies van een deskundige. De man stelt zich dan ook op het standpunt dat de overeengekomen bijdrage is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven.
4.32
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:404, eerste lid, BW zijn ouders verplicht om naar draagkracht te voorzien in de kosten van de kinderen. De contractsvrijheid van ouders bij afspraken over kinderalimentatie wordt begrensd door de dwingendrechtelijke regel dat de kinderalimentatie ten minste moet voldoen aan de wettelijke maatstaven van ‘behoefte’ en ‘draagkracht’. De rechter oordeelt zelfstandig over de afspraken tussen de ouders met inachtneming van deze maatstaven zonder hierbij gebonden te zijn aan hetgeen de ouders onderling hebben afgesproken.
4.33
Een afspraak over de kinderalimentatie kan worden gewijzigd als deze afspraak is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven (artikel 1:401, vijfde lid, BW). Het betreft dan gevallen waarin partijen onopzettelijk door onjuist inzicht of onjuiste gegevens van de wettelijke maatstaven zijn afgeweken. Om te kunnen beoordelen of de afspraak tussen partijen is aangegaan met
grovemiskenning van de wettelijke maatstaven, zoals de man stelt, moet worden berekend welke bijdrage voor de kosten van de kinderen in 2024, het jaar waarin partijen de afspraken hebben gemaakt, in overeenstemming was met de wettelijke maatstaven. De rechtbank zal hierbij de uitgangspunten gebruiken, zoals opgenomen in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.
Behoefte van de kinderen
4.34
Bij de berekening van kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind zijn. Dit wordt ook wel de ‘behoefte’ van het kind genoemd. Het uitgangspunt bij het becijferen van deze behoefte is het netto gezinsinkomen van partijen. Om dit netto gezinsinkomen te berekenen sluit de rechtbank aan bij de inkomens van partijen in het laatste volledige jaar dat zij nog samen waren. Dit zou het jaar 2023 zijn, maar op de zitting zijn partijen het erover eens gebleken om aan te sluiten bij het peiljaar 2024 en de financiële gegevens van partijen in dit jaar.
4.35
Voor wat betreft het netto inkomen van de man in 2024 heeft de vrouw op de zitting ingestemd met de als productie 13 ingediende berekening van de man. Uit deze berekening volgt een netto inkomen van € 3.025,= per maand, gebaseerd op een bruto jaarinkomen in 2024 van € 46.423,=.
4.36
Voor wat betreft het netto inkomen van de vrouw in 2024 overweegt de rechtbank als volgt. Uit de als productie 13 ingediende jaaropgave volgt dat de vrouw in 2024 een bruto jaarinkomen had van € 6.485,=. Bij dit inkomen zal de rechtbank aansluiten. Verder zijn partijen het op de zitting erover eens geworden dat aan de zijde van de vrouw geen rekening moet worden gehouden met de inkomensafhankelijke combinatiekorting. In 2024 had de vrouw namelijk geen inkomsten uit arbeid.
De rechtbank constateert dat de man in zijn berekening bovenstaande uitgangspunten heeft opgenomen, zodat bij deze berekening kan worden aangesloten. Uit deze berekening volgt een netto inkomen van de vrouw in 2024 van € 540,= per maand.
4.37
Rekening houdend met bovenstaande uitgangspunten en een uit de berekeningssystematiek volgend kindgebonden budget van € 310,= per maand bedraagt de behoefte van de kinderen in 2024 € 891,= per maand. Dit volgt ook uit de berekening van de man. Rekening houdend met de wettelijke indexering bedraagt deze behoefte in 2025 afgerond € 949,= per maand en in 2026 € 993,= per maand.
4.38
Vervolgens moet worden berekend wat het aandeel van partijen is in de behoefte van de kinderen. Dit wordt ook de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. Gelet op het primaire verzoek van de vrouw en het verweer daarop van de man sluit de rechtbank voor de beoordeling aan bij ieders netto besteedbare inkomen in 2024. Dat is immers het jaar dat partijen afspraken hebben gemaakt met elkaar. De draagkracht van partijen wordt daarna vastgesteld aan de hand van de formule of de tabel, zoals opgenomen in genoemde aanbevelingen.
Draagkracht van de man
4.39
Voor wat betreft het netto inkomen van de man in 2024 heeft de vrouw op de zitting ingestemd met de als productie 13 ingediende berekening van de man. Uit deze berekening volgt een netto inkomen van € 3.025,= per maand, gebaseerd op een bruto jaarinkomen in 2024 van € 46.423,=.
4.4
Gelet op het bovenstaande becijfert de rechtbank de draagkracht van de man in juni 2024, de datum dat de afspraak tussen partijen is gemaakt, op basis van de formule op een bedrag van € 593,= per maand. Dit volgt ook uit bijgevoegde berekening.
Draagkracht van de vrouw
4.41
Voor het becijferen van de draagkracht van de vrouw heeft de man als productie
15 een berekening ingediend. Uit deze berekening volgt een draagkracht van de vrouw van
€ 50,= per maand. Op de zitting heeft de vrouw ermee ingestemd om van deze berekening uit te gaan.
Draagkrachtvergelijking
4.42
Omdat partijen samen niet genoeg draagkracht hebben om alle kosten van de kinderen te kunnen voldoen, komt de rechtbank niet toe aan het maken van een draagkrachtvergelijking.
Zorgkorting (tot maart 2025)
4.43
Ten slotte ontvangt de ouder die kinderalimentatie moet betalen een korting op de te betalen bijdrage als deze een deel van de zorg- en opvoedingstaken op zich neemt. Deze ouder neemt daarmee immers al een deel van de kosten van een kind voor zijn rekening op het moment dat het kind bij hem/haar verblijft. Dit wordt ook wel de ‘zorgkorting’ genoemd.
4.44
Zoals hiervoor uiteengezet, hebben partijen onderling afspraken gemaakt in juni 2024. Er was toen nog sprake van een omgangsregeling tussen de man en de kinderen. Ze waren conform deze afspraken grofweg drie van de veertien dagen bij de man. Daar hoort naar het oordeel van de rechtbank een zorgkorting van 20% bij.
4.45
Nu de draagkracht van partijen in 2024 onvoldoende was om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien, wordt, na toepassing van de zorgkorting, het tekort aan beide partijen voor de helft toegerekend. Voor de man betekent dit dat de helft van het tekort in mindering komt op zijn zorgkorting, zodat door de rechtbank de door hem te betalen bijdrage als volgt wordt berekend:
€ 593,= [bedrag volledige draagkracht man in 2024] – (€ 178,= [bedrag zorgkorting] –
€ 124,= [bedrag van de helft van het tekort]) = € 539,= per maand.
4.46
Volgens de afspraken die partijen hebben gemaakt diende de man € 800,= per maand voor beide kinderen aan de vrouw te voldoen als bijdrage in de kosten van hun verzorging en opvoeding. Uit de berekening volgt echter een bijdrage van de man van € 539,= per maand. Het verschil bedraagt € 261,= voor het jaar 2024. Dit maakt dat naar het oordeel van de rechtbank de afspraak van partijen ten aanzien van de door de man verschuldigde kinderalimentatie niet overeenkomt met de wettelijke maatstaven.
4.47
Het staat partijen echter vrij om, anders dan wanneer zij ten nadele zijn afgeweken, ten voordele van de kinderen af te wijken van de wettelijke maatstaven. Wanneer partijen bewust zijn afgeweken, dan is wijziging van de overeengekomen kinderalimentatie op grond van artikel 1:401 lid 5 BW Pro niet mogelijk, tenzij het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn de onderhoudsplichtige ouder nog langer aan de overeenkomst te houden (artikel 6:248 lid 2 BW Pro dan wel artikel 6:258 BW Pro). De vraag die de rechtbank dus als eerste moeten beoordelen of er bij de afspraak van partijen over de kinderalimentatie bewust of onbewust is afgeweken van de wettelijke maatstaven.
4.48
Uit hetgeen tijdens de zitting naar voren is gekomen blijkt dat partijen in juni 2024 afspraken over de kinderalimentatie hebben gemaakt bij de systeemtherapeut van “ [hulpverlening 1] ”. Er zijn geen alimentatieberekeningen gemaakt, maar partijen hebben, aldus de vrouw, aangesloten bij de bedragen die de man tot dusver maandelijks voor de kinderen betaalde. De man heeft die stelling van de vrouw niet betwist. Dat maakt dat de rechtbank concludeert dat partijen onbewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven en dat een beroep op artikel 1:401 lid 5 mogelijk Pro is. Een dergelijk beroep slaagt alleen als er sprake is van een evidente wanverhouding tussen wat partijen hebben afgesproken en waar de rechtbank op uit zou komen, zoals in rechtsoverweging 4.33 reeds is overwogen.
4.49
Nu partijen een bedrag van € 800,= per maand zijn overeengekomen en de rechtbank in haar berekeningen uitkomt op een bedrag van € 539,= uitkomt, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een dergelijke evidente wanverhouding. Dat maakt dat het verweer van de man slaagt en de rechtbank zal bepalen dat de man vanaf 1 juni 2024 geen € 800,= per maand aan de vrouw verschuldigd was, maar een bedrag van € 539,= per maand. Gezien de wettelijke indexering bedraagt dit maandelijks aan de vrouw verschuldigde bedrag per
1 januari 2025 € 574,= per maand.
De situatie vanaf 1 maart 2025
4.5
De rechtbank overweegt als volgt. Partijen hebben ter zitting aangegeven behoefte te hebben aan duidelijkheid en aan duurzame afspraken. Daarom zal de rechtbank ook een berekening maken voor de huidige situatie. Vast staat dat de man al enige tijd, sinds maart 2025, geen contact meer heeft met de kinderen. Bovendien is hij aanzienlijk meer gaan verdienen. Er is dus sprake van een wijziging van omstandigheden. Zoals hierboven is overwogen, zullen partijen en de kinderen worden doorverwezen voor hulpverlening. Binnen de hulpverlening zal ook aandacht komen voor de (on)mogelijkheden bij de kinderen in het contact met hun vader. Op grond van de genoemde aanbevelingen bedraagt de zorgkorting ten minste 5% van de behoefte, omdat ouders onderling en jegens hun kinderen het recht en de verplichting hebben tot omgang en in ieder geval tot dat bedrag in de zorg zou kunnen worden voorzien. De vrouw stemt daarmee in. De rechtbank zal daarom in haar berekening van de door de man verschuldigde bijdragen vanaf 1 maart 2025, rekening houden met een zorgkorting van 5%. De behoefte van de kinderen is in 2025 € 949,= per maand, zodat de zorgkorting een bedrag is van afgerond € 48,= per maand.
4.51
Voor de draagkracht van de man vanaf 1 maart 2025 overweegt de rechtbank dat de vrouw op de zitting heeft aangegeven in te kunnen stemmen met de door de man ingediende berekening van zijn netto inkomen in 2025. Uit deze berekening volgt een netto inkomen in 2025 van € 3.560,= per maand. Hetgeen partijen verdeeld houdt is of rekening moet worden gehouden met de aflossing op een schuld.
4.52
De man stelt dat hij na de beëindiging van de relatie een behoorlijke schuld heeft meegenomen van om en nabij € 30.000,=. Op dit moment wordt een bedrag van € 311,= per maand ingehouden op zijn salaris voor de aflossing.
4.53
De vrouw voert gemotiveerd verweer en stelt dat geen rekening moet worden gehouden met deze schuld. De man heeft onvoldoende onderbouwd wat voor schuld(en) het betreft, wanneer de schuld(en) is/zijn ontstaan en of hij maandelijks op deze schuld(en) aflost.
4.54
De rechtbank overweegt als volgt. Met de vrouw is de rechtbank van oordeel dat de man onvoldoende inzicht heeft gegeven in de door hem gestelde schuldenlast. De man heeft geen stukken ingediend, waaruit onder meer blijkt om welke schuld(en) het gaat en wanneer deze schuld(en) is/zijn ontstaan. Ook is niet duidelijk hoe lang hij nog zou moeten aflossen op de schuld(en) en of volstaan zou kunnen worden met een lager bedrag aan aflossing per maand of niet. Dit maakt dat de rechtbank niet kan beoordelen of sprake is van niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten, zodat geen rekening kan worden gehouden met de door de man gestelde aflossing op een schuld van € 311,= per maand.
4.55
Op basis van de formule becijfert de rechtbank de draagkracht van de man op een bedrag van € 827,= per maand.
4.56
Voor de draagkracht van de vrouw sluit de rechtbank wederom aan bij een bedrag van € 50,= per maand.
4.57
Omdat partijen samen niet genoeg draagkracht hebben om alle kosten van de kinderen te kunnen voldoen, komt de rechtbank niet toe aan het maken van een draagkrachtvergelijking.
4.58
Nu de draagkracht van partijen vanaf 1 januari 2025 ook onvoldoende is om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien, wordt, na toepassing van de zorgkorting, het tekort aan beide partijen voor de helft toegerekend. Voor de man betekent dit dat de helft van het tekort in mindering komt op zijn zorgkorting, zodat door de rechtbank de door hem te betalen bijdrage als volgt wordt berekend:
€ 827,= [bedrag volledige draagkracht man in 2025] – (€ 48,= [bedrag zorgkorting] –
€ 36,= [bedrag van de helft van het tekort]) = € 815,= per maand.
4.59
Vanwege de indexering per 1 januari 2026 bedraagt de door de man in 2026 verschuldigde kinderalimentatie afgerond € 852,= per maand.
Achterstallige alimentatie
4.6
De vrouw verzoekt om te bepalen dat de man gehouden is de achterstallige kinderalimentatie over de periode(n) 1 januari 2025, dan wel 1 mei 2025 dan wel de datum van indiening van het verzoekschrift aan haar te voldoen, uiterlijk binnen veertien dagen na de datum van de beschikking.
4.61
De man voert gemotiveerd verweer en stelt dat het voor hem financieel niet mogelijk is om de achterstallige termijnen aan de vrouw te voldoen.
4.62
De rechtbank overweegt als volgt. Onbetwist is gesteld dat de man vanaf 1 mei 2025 de overeengekomen bijdrage ad € 800,= per maand niet, althans niet volledig heeft betaald. In de periode van juni 2024 tot 1 mei 2025 heeft hij echter wel betaald. De rechtbank heeft nu vastgesteld dat de man vanaf juni 2024 tot 1 januari 2025 € 261,= per maand teveel heeft betaald en in de periode van 1 januari tot 1 maart 2025 € 226 per maand teveel heeft voldaan aan de vrouw. Vanaf maart 2025 dient de man echter maandelijks meer dan de destijds overeengekomen alimentatie aan de vrouw te voldoen, namelijk € 815,= per maand en vanaf 1 januari 2026 € 852,= per maand. Aangezien het de rechtbank niet duidelijk is welke bedragen de man wel en niet heeft betaald vanaf mei 2025 kan de rechtbank niet berekenen of er sprake is van achterstallige of teveel betaalde kinderalimentatie. Het is aan (de advocaten van) partijen om met elkaar inzichtelijk te maken of sprake is van een bedrag dat de man nog is verschuldigd aan de vrouw en zo ja, afspraken te maken over de betaling daarvan door de man aan de vrouw.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1
verleent, ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de vrouw, aan de man toestemming tot het erkennen van de minderjarigen [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2017, en [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2019;
5.2
beschouwt de taak van de bijzondere curator als beëindigd;
5.3
bepaalt dat, onder de voorwaarde dat de man voornoemde minderjarigen erkent en pas nadat deze erkenning heeft plaatsgevonden, de man en de vrouw voortaan gezamenlijk het gezag uitoefenen over voormelde minderjarigen;
5.4
verzoekt (de advocaat van) de man om de akte van erkenning te overleggen aan de rechtbank, zodat de griffier na ontvangst daarvan een aantekening kan maken van het gezamenlijk gezag in het gezagsregister;
5.5
wijzigt de tussen partijen gemaakte afspraken over de kinderalimentatie, zoals opgenomen in het e-mailbericht van 20 juni 2024, in die zin dat de door de man te betalen bijdrage in de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nader wordt vastgesteld op een bedrag van:
- € 269,50 ( tweehonderdnegenenzestig euro en vijftig eurocent) per maand per kind over de periode van 1 juni 2024 tot en met 31 december 2024;
- € 287,= ( tweehonderdzevenentachtig euro) per maand per kind over de periode van 1 januari 2025 tot en met 28 februari 2025;
- € 407,50 ( vierhonderden zeven euro en vijftig eurocent) per maand per kind over de periode van 1 maart 2025 tot en met 31 december 2025;
- € 426,= ( vierhonderdzesentwintig euro) per maand per kind met ingang van 1 januari 2026;
5.6
bepaalt dat de man, zo daar sprake van is, aan de vrouw moet voldoen de achterstallige bijdragen in de kosten van de kinderen, zulks met inachtneming van rechtsoverweging 4.62;
5.7
verklaart de beslissingen onder 5.3, 5.5 en 5.6 uitvoerbaar bij voorraad;
5.8
verwijst ouders en hun minderjarige kinderen voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Midden-Brabant. Het loket zal ouders en minderjarigen vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de minderjarigen verwijzen naar de zorgaanbieder;
5.9
verzoekt het loket om uiterlijk op
dinsdag 15 september 2026 pro forma, of zoveel eerder als mogelijk is, de UHA rapportage over het verloop en de resultaten van het (jeugd)hulpverleningstraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen;
5.1
verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;
5.11
verzoekt de Raad binnen veertien dagen na binnenkomst van de UHA rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;
5.12
verzoekt de Raad, regio Zeeland West-Brabant, locatie Breda wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in r.o. 4.25 vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;
5.13
verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen;
5.14
houdt aan de beslissing op het verzoek van de man onder IV met betrekking tot het vaststellen van een zorgregeling.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026 door mr. Van Triest, rechter, in aanwezigheid van mr. Verger-Maas griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
verzonden op: