Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een administratieve sanctie opgelegd wegens het parkeren van een voertuig op een plek waar gevaar of hinder voor het verkeer zou zijn veroorzaakt. Betrokkene, vertegenwoordigd door gemachtigde, voerde aan dat het geen openbare weg betrof maar een druk parkeerterrein van een school, waar betrokkene al jaren parkeert zonder problemen. Tevens werd gewezen op de beperking van betrokkene en het ontbreken van duidelijke aanwijzingen dat parkeren daar niet was toegestaan.
De officier van justitie handhaafde de boete, stellende dat het voertuig op een doorgang stond en daardoor hinder veroorzaakte. De kantonrechter oordeelde echter dat niet is komen vast te staan dat betrokkene het voertuig eerder parkeerde dan een ander voertuig dat daadwerkelijk hinder veroorzaakte. Zonder dat andere voertuig was er geen sprake van hinder.
Daarom werd de boete ten onrechte opgelegd en verklaarde de kantonrechter het beroep gegrond. De beschikking en beslissing van de officier van justitie werden vernietigd en het betaalde bedrag van €169,- werd terugbetaald. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Beroep gegrond verklaard en boete vernietigd wegens onvoldoende bewijs van hinder door parkeren.