ECLI:NL:RBZWB:2026:1699

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
2 januari 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
11563702 \ MB VERZ 25-124
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • W.H.C. van Eck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wahv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen verkeersboete voor rechts inhalen op A58

Betrokkene kreeg een boete opgelegd voor rechts inhalen op de Rijksweg A58 te ’s-Heer Arendskerke op 9 mei 2024. Hij stelde dat de boete onredelijk was omdat de verbalisant hem niet staande hield terwijl dit mogelijk was. Volgens betrokkene had de verbalisant een seintje kunnen geven of langs de weg kunnen gaan staan om hem te stoppen.

De verbalisant reed onnodig lang op de linkerbaan en hinderde betrokkene, die daardoor dacht dat hij nog naar rechts zou gaan. Betrokkene probeerde te remmen om achter de verbalisant te blijven, maar kon dat niet vanwege kromme remschijven. Daarom koos hij ervoor om rechts in te halen, zonder opzet om de regels te overtreden.

De officier van justitie vond de boete terecht omdat de gedraging was vastgesteld en de gebreken aan de remschijven voor eigen risico waren. De kantonrechter oordeelde echter dat de verbalisant onterecht afzag van staandehouding, omdat hij zich kenbaar had gemaakt en er een mogelijkheid was om betrokkene een volgteken te geven. Daarom is de boete ten onrechte opgelegd en wordt deze vernietigd. Het betaalde bedrag moet worden terugbetaald.

Uitkomst: Het beroep tegen de verkeersboete wordt gegrond verklaard en de boete wordt vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Zittingsplaats Middelburg
zaaknummer : 11563702 \ MB VERZ 25-124
CJIB-nummer : [cjib-nummer]
uitspraakdatum : 2 januari 2026
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam :
[betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene

Verloop van de procedure

Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 2 januari 2026. Namens de officier van justitie is verschenen [zittingsvertegenwoordiger] (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Betrokkene is ook verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.

Standpunten

De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: rechts inhalen waar dat verboden is op de Rijksweg (A58) te ’s-Heer Arendskerke op 9 mei 2024 om 21:35 uur.
Betrokkene heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de boete niet redelijk is gelet op de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden. Betrokkene stelt dat hij niet staande is gehouden, terwijl dit wel mogelijk was. De verbalisant had betrokkene een seintje kunnen geven om hem eventueel te volgen of langs de weg te gaan staan. Hiervoor deden zich twee mogelijkheden voor. Verder reed de verbalisant onnodig links en hinderde hij betrokkene in het verkeer. In zijn toelichting stelt hij dat hij achter een voertuig reed, terwijl dit niet zo was. De verbalisant was de enige op de linkerbaan en haalde niemand in. De verbalisant zat dus fout door zo lang onnodig links te rijden, waardoor betrokkene ervan uitging dat hij nog wel naar rechts zou gaan. Dit was echter niet het geval. Betrokkene probeerde nog te remmen om achter hem te rijden, maar dit ging niet vanwege kromme remschijven. Het was daarom een veiligere keuze om via rechts te gaan. Betrokkene heeft niet opzettelijk via rechts ingehaald. Daarbij reed betrokkene ook geen hogere snelheid zoals de verbalisant stelt.
Ter zitting heeft betrokkene hieraan toegevoegd dat ze bij een rotonde in Goes kort naast elkaar stonden, waarbij de verbalisant er bewust voor heeft gekozen geen stopteken te geven om een staandehouding uit te voeren. De verbalisant reed direct weg, waardoor de mogelijkheid voor betrokkene om zijn verhaal te doen was ontnomen.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep ongegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De gedraging kan worden vastgesteld op basis van het dossier. De waarneming maakt dat terecht een boete is opgelegd. De gebreken van de remschijven komen voor eigen rekening en risico. Betrokkene had of meer afstand kunnen houden of ervoor kunnen kiezen in te halen. Dat betrokkene heeft gekozen om de verbalisant in te halen, maakt dat de boete terecht is opgelegd. Verder is een staandehouding het uitgangspunt, tenzij hiertoe geen reële mogelijkheid bestaat. In dit geval reed de verbalisant in een privévoertuig, waardoor geen deugdelijk stopteken gegeven had kunnen worden. Betrokkene is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Overwegingen

Uit artikel 5 van Pro de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de verbalisant de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een boete kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de boete aan de kentekenhouder worden opgelegd.
Volgens het zaakoverzicht heeft de verbalisant afgezien van staandehouding omdat hij met een privévoertuig reed dat niet voorzien was van een politietransparant.
Naar het oordeel van de kantonrechter is dit in dit geval geen gegronde reden om van staandehouding af te zien. Daarbij is van belang dat de verbalisant, zoals blijkt uit het zaakoverzicht, zich kenbaar had gemaakt middels het tonen van de politiepas en na de gedraging een mogelijkheid bestond om betrokkene een volgteken te geven toen zij naast elkaar stilstonden.
De boete is dan ook ten onrechte opgelegd aan de kentekenhouder.
Het beroep is daarom gegrond. De beschikking waarbij de boete is opgelegd en de beslissing van de officier van justitie zullen worden vernietigd. Het bedrag dat betrokkene aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.

Beslissing

De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gegrond;
‒ vernietigt de bestreden beslissing van de officier van justitie en de beschikking waarbij de boete is opgelegd;
‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 234,- dat betrokkene als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.H.C. van Eck, kantonrechter, bijgestaan door de griffier E. Alekperov, en in het openbaar uitgesproken op 2 januari 2026.
Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.
Datum verzending: