Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een boete opgelegd voor rechts inhalen op de Rijksweg A58 te ’s-Heer Arendskerke op 9 mei 2024. Hij stelde dat de boete onredelijk was omdat de verbalisant hem niet staande hield terwijl dit mogelijk was. Volgens betrokkene had de verbalisant een seintje kunnen geven of langs de weg kunnen gaan staan om hem te stoppen.
De verbalisant reed onnodig lang op de linkerbaan en hinderde betrokkene, die daardoor dacht dat hij nog naar rechts zou gaan. Betrokkene probeerde te remmen om achter de verbalisant te blijven, maar kon dat niet vanwege kromme remschijven. Daarom koos hij ervoor om rechts in te halen, zonder opzet om de regels te overtreden.
De officier van justitie vond de boete terecht omdat de gedraging was vastgesteld en de gebreken aan de remschijven voor eigen risico waren. De kantonrechter oordeelde echter dat de verbalisant onterecht afzag van staandehouding, omdat hij zich kenbaar had gemaakt en er een mogelijkheid was om betrokkene een volgteken te geven. Daarom is de boete ten onrechte opgelegd en wordt deze vernietigd. Het betaalde bedrag moet worden terugbetaald.
Uitkomst: Het beroep tegen de verkeersboete wordt gegrond verklaard en de boete wordt vernietigd.