Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een boete opgelegd voor het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden op de Scheldeboulevard te Terneuzen op 28 april 2024 om 01:58 uur. Betrokkene voerde aan dat hij de telefoon tussen zijn benen had liggen en ontkende de overtreding. Hij stelde dat de verklaring van de verbalisant onduidelijk was en dat het moeilijk was om met de linkerhand de telefoon vast te houden terwijl hij stuurde.
De officier van justitie handhaafde de boete en de kantonrechter behandelde het beroep op 2 januari 2026. De kantonrechter oordeelde dat de verklaring van de verbalisant, die geen belang heeft bij het onterecht opleggen van een boete, voldoende bewijs vormt. Betrokkene bracht geen specifieke feiten aan die twijfel konden zaaien over de juistheid van deze verklaring.
De kantonrechter wees het beroep af en zag ook geen reden om de boete te matigen. De uitspraak werd in het openbaar gedaan door kantonrechter W.H.C. van Eck. Betrokkene kan binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden onder voorwaarden.
Uitkomst: Het beroep tegen de boete wegens vasthouden van een mobiel apparaat tijdens het rijden wordt ongegrond verklaard.