ECLI:NL:RBZWB:2026:1709

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
11926334 / CV EXPL 25-5225 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Van 't Nedereind
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 6:119a BWArt. 242 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling huurachterstand en afwijzing ontbinding huurovereenkomst bedrijfsruimte

Gilze Rijen Vastgoed verhuurt sinds 15 december 2019 een bedrijfsruimte aan huurster. Vanaf mei 2023 is de huur niet meer betaald, waardoor een huurachterstand is ontstaan. Verhuurster vordert ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming van het gehuurde en betaling van de huurachterstand.

Huurster erkent de huurachterstand en stelt financiële problemen te hebben gehad, maar heeft het gehuurde inmiddels leeg opgeleverd. De kantonrechter oordeelt dat de huurachterstand van €16.893,25 inclusief rente en gematigde incassokosten toewijsbaar is. De financiële problemen en het lange wachten van verhuurster op actie vormen geen reden tot vermindering.

De vorderingen tot ontbinding en ontruiming worden afgewezen omdat de huurovereenkomst per 30 november 2025 is geëindigd en het gehuurde is ontruimd, waardoor verhuurster geen belang meer heeft bij deze vorderingen. Huurster wordt hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de huurachterstand, incassokosten en proceskosten.

Uitkomst: Huurster wordt veroordeeld tot betaling van huurachterstand, rente en incassokosten; vorderingen tot ontbinding en ontruiming worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 11926334 \ CV EXPL 25-5225
Vonnis van 11 maart 2026
in de zaak van
GILZE RIJEN VASTGOED 2006 C.V.,
te Katwijk,
eisende partij,
hierna te noemen: Gilze Rijen Vastgoed,
gemachtigde: Credifixx Incassoservices B.V.,
tegen

1.[gedaagde] , M.H.O.D.N. [handelsnaam] ,

te [plaats 1] ,
2.
[vennoot 1],
te [plaats 1] , vennoot van gedaagde sub 1,
3.
[vennoot 2],
te [plaats 1] ,
vennoot van gedaagde sub 1,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
De zaak in het kort
Gilze Rijen Vastgoed verhuurt een bedrijfsruimte aan [gedaagde] . [gedaagde] heeft een huurachterstand laten ontstaan. Gilze Rijen Vastgoed wil daarom dat de huurovereenkomst wordt ontbonden en dat [gedaagde] wordt veroordeeld om het gehuurde te verlaten en de huurachterstand te betalen. [gedaagde] erkent de huurachterstand, maar vraagt om er rekening mee te houden dat zij financiële problemen heeft, dat zij geprobeerd heeft tot een oplossing te komen en dat Gilze Rijen Vastgoed lang heeft gewacht voordat zij actie heeft ondernomen. [gedaagde] moet de huurachterstand aan Gilze Rijen Vastgoed betalen. De vorderingen tot ontbinding en ontruiming worden afgewezen omdat Gilze Rijen Vastgoed daar geen belang meer bij heeft. Hierna wordt uitgelegd hoe de kantonrechter tot dat oordeel is gekomen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- de conclusie van antwoord;
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de mondelinge behandeling van 5 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de akte vermeerdering van eis.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Gilze Rijen Vastgoed verhuurt met ingang van 15 december 2019 aan [gedaagde] de bedrijfsruimte aan het adres [adres] in [plaats 2] (hierna: het gehuurde). De huur bedraagt € 596,99 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd. Op deze huurovereenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing.
2.2.
[gedaagde] heeft vanaf 1 mei 2023 de huur niet meer betaald.
2.3.
Gilze Rijen Vastgoed heeft bij aangetekende brief aan [gedaagde] van 24 april 2025 de huurovereenkomst opgezegd per 1 mei 2025 tegen 1 augustus 2025, waarbij zij de ontruiming per laatstgenoemde datum heeft aangezegd. [gedaagde] heeft geen gehoor gegeven aan de ontruiming.

3.Het geschil

3.1.
Gilze Rijen Vastgoed vordert – samengevat – ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde en betaling van – na vermeerdering van eis – € 16.893,25 aan huurachterstand met nevenvorderingen.
3.2.
Gilze Rijen Vastgoed legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde] is in haar verplichtingen als huurder tekortgeschoten, door niet (volledig) aan haar betalingsverplichting te voldoen. De hoogte van de huurachterstand rechtvaardigt volgens Gilze Rijen Vastgoed de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde.
3.3.
[gedaagde] erkent de huurachterstand. Zij stelt dat zij haar bedrijfsactiviteiten op 24 april 2023 heeft gestaakt. Het gehuurde bedrijfspand is inmiddels leeg opgeleverd. [gedaagde] vraagt om er rekening mee te houden dat zij financiële problemen heeft, dat zij geprobeerd heeft tot een oplossing te komen en dat Gilze Rijen Vastgoed lang heeft gewacht voordat zij actie heeft ondernomen.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Huurachterstand
4.1.
[gedaagde] heeft de door Gilze Rijen Vastgoed in de dagvaarding gestelde huurachterstand erkend. Gilze Rijen Vastgoed heeft haar vordering vervolgens vermeerderd met de huur voor de maanden september, oktober en november 2025 (minus de verrekende waarborgsom van € 1.200,-) tot een bedrag van € 16.893,25. [gedaagde] heeft daar geen verweer tegen gevoerd. De conclusie uit het voorgaande is dat er berekend tot en met november 2025 sprake is van een huurachterstand van € 16.893,25. Dit gedeelte van de vordering zal worden toegewezen.
4.2.
Daarbij gaat de kantonrechter voorbij aan het verzoek van [gedaagde] om rekening te houden met haar financiële problemen. Deze omstandigheden, hoe vervelend ook, liggen in de risicosfeer van [gedaagde] en vormen geen reden om de vordering te verminderen.
Bovendien heeft [gedaagde] gedurende de periode waarin zij geen huur heeft betaald, wel huurgenot gehad. Dat zij haar bedrijfsactiviteiten op 24 april 2023 heeft gestaakt doet daaraan niet af.
4.3.
Tot slot vraagt [gedaagde] om rekening te houden met de passieve houding van Gilze Rijen Vastgoed. Hierover heeft Gilze Rijen Vastgoed tijdens de zitting aangevoerd dat zij [gedaagde] voor het eerst in oktober 2023 heeft gemaand tot betaling van de op dat moment ontstane huurachterstand en dat zij daarna ook meerdere pogingen heeft ondernomen om in contact te komen met [gedaagde] over de huurachterstand, maar dat [gedaagde] niets van zich liet horen. De kantonrechter kan niet nagaan of Gilze Rijen Vastgoed in de periode daarna (tot aan de brief van 25 april 2025) nog actie heeft ondernomen richting [gedaagde] met betrekking tot het innen van de huurachterstand, maar ook als dit niet het geval is geweest dan vormt dit geen omstandigheid om de huurachterstand niet (of slechts voor een gedeelte) toe te wijzen. Zoals hiervoor overwogen heeft [gedaagde] wel huurgenot gehad. [gedaagde] had de mogelijkheid om de huurovereenkomst na het staken van haar bedrijfsactiviteiten op te zeggen en het gehuurde te ontruimen. Dat zij dit niet heeft gedaan, komt voor haar rekening en risico.
4.4.
Voor zover Gilze Rijen Vastgoed met haar brief van 24 april 2025 aan [gedaagde] de huurovereenkomst rechtsgeldig heeft opgezegd per 1 augustus 2025 en de huurovereenkomst daarmee tot een einde is gekomen, vormt dat geen reden om de vordering te matigen tot de huurovereenkomst tot 1 augustus 2025. Vaststaat namelijk dat [gedaagde] het gehuurde pas in november 2025 heeft ontruimd en opgeleverd (waarover hierna meer), zodat zij over de periode van opzegging en ontruiming een gebruiksvergoeding ter hoogte van de huur verschuldigd is.
Wettelijke (handels)rente en buitengerechtelijke incassokosten
4.5.
[gedaagde] is te laat met het betalen van de verschillende huurtermijnen en dus zal de gevorderde verschenen wettelijke handelsrente over de huurachterstand van € 2.316,76 worden toegewezen. De gevorderde wettelijke handelsrente over de ten tijde van de dagvaarding bestaande huurachterstand (€ 16.302,28) is eveneens toewijsbaar.
4.6.
De door Gilze Rijen Vastgoed gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten komt op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst in beginsel voor toewijzing in aanmerking. In het onderhavige geval acht de kantonrechter echter termen aanwezig om deze vergoeding op grond van het bepaalde in artikel 242 Rv Pro te matigen, en wel op grond van de volgende omstandigheden:
- niet gesteld of gebleken is dat de werkelijke kosten van de eisende partij hoger zijn dan het toepasselijke tarief van Rapport Voorwerk II of het Besluit,
- de aard en de omvang van de gestelde buitengerechtelijke werkzaamheden kunnen de toewijzing van de gevorderde vergoeding niet rechtvaardigen.
De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten zal dan ook gematigd worden toegewezen, en wel tot de wettelijke staffel, dat in zijn algemeenheid redelijk wordt geacht. Dit komt neer op een bedrag van € 1.142,16.
4.7.
De gevorderde wettelijke handelsrente over de buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen. De wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW heeft uitsluitend betrekking op verplichtingen tot betaling uit handelsovereenkomsten. Een verplichting tot vergoeding van schade (zoals buitengerechtelijke kosten in de zin van artikel 6:96, lid 2 sub c BW) kan daartoe niet worden gerekend. Toegewezen wordt daarom de wettelijke rente, op de wijze zoals hierna vermeld.
Ontbinding en ontruiming
4.8.
Over de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde overweegt de kantonrechter als volgt.
4.9.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat zij het gehuurde inmiddels leeg heeft opgeleverd. Gilze Rijen Vastgoed heeft tijdens de zitting beaamd dat er correcte oplevering heeft plaatsgevonden. Op de door Gilze Rijen Vastgoed overgelegde factuur van 2 december 2025 (bijlage 4 bij de akte vermeerdering van eis) staat het volgende vermeld:
“Hiermee crediteren wij u de waarborgsom, dit in verband met einde huurovereenkomst”. Hieruit leidt de kantonrechter af dat de huurovereenkomst per 30 november 2025 (ofwel als gevolg van de opzegging door Gilze Rijen Vastgoed op 24 april 2025 ofwel met wederzijds goedvinden) is geëindigd. Nu vaststaat dat de huurovereenkomst is geëindigd en het gehuurde is ontruimd, heeft Gilze Rijen Vastgoed geen belang meer bij deze vorderingen. Deze zullen dan ook worden afgewezen.
4.10.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Gilze Rijen Vastgoed worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
148,73
- griffierecht
1.461,00
- salaris gemachtigde
1.154,00
(2 punten × € 577,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.907,73
4.11.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] (gedaagden sub 1 t/m 3) hoofdelijk om te betalen aan Gilze Rijen Vastgoed een bedrag van € 19.210,01 aan achterstallige huur/gebruiksvergoeding tot en met november 2025 inclusief verschenen wettelijke handelsrente, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over € 16.302,28 vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] hoofdelijk om aan Gilze Rijen Vastgoed te betalen een bedrag van € 1.142,16 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.907,73, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van 't Nedereind en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.