Op 16 januari 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in de zaak tussen eiseres, vertegenwoordigd door mr. Z.M. Alaca, en het UWV. Eiseres had beroep ingesteld omdat het UWV niet tijdig had beslist op haar bezwaar tegen de afwijzing van haar Wajong-aanvraag van 26 maart 2025. De rechtbank oordeelde dat het beroep kennelijk gegrond was, aangezien het UWV de beslistermijn had overschreden. Eiseres had het UWV op 6 november 2025 in gebreke gesteld, en na ontvangst van deze ingebrekestelling op 7 november 2025 was de termijn van twee weken verstreken zonder dat er een besluit was genomen. De rechtbank bepaalde dat het UWV binnen vier maanden na de uitspraak alsnog een besluit moest nemen en legde een dwangsom op van € 100,- per dag voor elke dag dat de beslistermijn werd overschreden, met een maximum van € 15.000,-. Daarnaast moest het UWV het griffierecht van € 53,- en proceskosten van € 467,- aan eiseres vergoeden. De uitspraak werd gedaan zonder zitting, op basis van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).