ECLI:NL:RBZWB:2026:1711

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
02-038379-23
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen uitvoer, vervoer en bezit van harddrugs met voorwaardelijke gevangenisstraf

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 12 maart 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van medeplegen van het opzettelijk uitvoeren, vervoeren en voorhanden hebben van harddrugs in de periode van 10 januari tot en met 6 februari 2023. De feiten betroffen onder meer het afleveren van pakketten met amfetamine, MDMA en LSD bij verschillende pakketafgiftepunten en het overladen van pakketten met 36 kilo amfetamine.

De rechtbank achtte het wettig en overtuigend bewezen dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaardde dat zij betrokken was bij de handel in harddrugs, mede gezien de modus operandi, de aanwezigheid van pakbonnen met buitenlandse adressen en haar eerdere criminele samenwerking met medeverdachten. De verdediging voerde aan dat verdachte dacht dat het om auto-onderdelen ging, maar dit werd door de rechtbank niet geloofd.

De rechtbank sprak verdachte vrij van het bezit van cocaïne en MDMA op 6 februari 2023, omdat dit niet wettig en overtuigend was bewezen. De strafoplegging bestond uit een gevangenisstraf van 500 dagen waarvan 432 dagen voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden zoals meldplicht, urinecontroles en ambulante begeleiding, en een taakstraf van 180 uur per feit, in totaal 360 uur, met vervangende hechtenis van 180 dagen. De rechtbank benadrukte de positieve ontwikkeling van verdachte en vond een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend.

De uitspraak weerspiegelt een zorgvuldige afweging tussen de ernst van de feiten, de maatschappelijke belangen en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij speciale preventie en begeleiding centraal staan.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 500 dagen gevangenisstraf waarvan 432 dagen voorwaardelijk en een taakstraf van 360 uur voor medeplegen van harddrugsdelicten.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-038379-23
Vonnis van de meervoudige kamer van 12 maart 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2002,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres]
,
raadsvrouw mr. C.D.W. Herrings, advocaat te Rijen.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 26 februari 2026, waarbij de officier van justitie mr. S.A.J. Louwers en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode 10 januari 2023 tot en met 6 februari 2023 al dan niet samen met anderen harddrugs heeft uitgevoerd, vervoerd en aanwezig heeft gehad (feit 1) en op 6 februari 2023 al dan niet samen met anderen opzettelijk harddrugs aanwezig heeft gehad (feit 2).

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht feit 1 wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft op zijn minst genomen voorwaardelijk opzet gehad op de uitvoer van harddrugs op 10 en 27 januari 2023. Zij heeft dit in vereniging met anderen gedaan. Ook feit 2 acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft samen met anderen 36 kilo amfetamine aanwezig gehad.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van het tenlastegelegd feit 1 ontbreekt aan de zijde van verdachte het opzet, ook in voorwaardelijke vorm, voor de periode van 10 januari 2023 tot en met 5 februari 2023. In die periode was verdachte in de veronderstelling dat de pakketten die zij vervoerde en in bezit had auto-onderdelen bevatten. Zij heeft niet willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat zij harddrugs zou vervoeren of aanwezig zou hebben. Niet vastgesteld kan worden dat verdachte zich in genoemde periode schuldig heeft gemaakt aan het uitvoeren van drugspakketten. Ten aanzien van de laatste dag van de ten laste gelegde periode, te weten 6 februari 2023, kan het voorwaardelijk opzet bij verdachte wel worden vastgesteld. Het verzoek is om verdachte voor de periode 10 januari 2023 tot en met 5 februari 2023 vrij te spreken en haar enkel te veroordelen voor het vervoeren en aanwezig hebben van harddrugs op 6 februari 2023.
Ten aanzien van feit 2 verzoekt de verdediging verdachte vrij te spreken van het opzettelijk aanwezig hebben van de cocaïne en MDMA. Ten aanzien van de amfetamine refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de bewezenverklaring.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
De rechtbank stelt op basis van het dossier het volgende vast.
Feit 1
Op 10 januari 2023 wordt door het observatieteam het volgende waargenomen. Omstreeks 15.53 uur wordt een Opel met [kenteken 1] gezien met verdachte als bestuurder en als bijrijder [medeverdachte 1] . Samen rijden zij naar verschillende pakketafgiftepunten in Breda, Zevenbergschen Hoek en Etten-Leur. Gezien wordt dat verdachte daar pakketten aflevert. Drie pakketten, die zijn afgeleverd bij de DPD-afgiftepunten in Zevenbergschen Hoek en Etten-Leur, zijn door het NFI onderzocht. Het NFI heeft vastgesteld dat de pakketten gevuld waren met een grote hoeveelheid harddrugs, te weten 15 kilo amfetamine, 1400 gram MDMA en 2500 LSD-zegels. Uit onderzoek is gebleken dat de pakketten bestemd waren voor het buitenland.
Op 27 januari 2023 wordt door het observatieteam waargenomen dat verdachte wederom een pakket aflevert bij een pakketafgiftepunt in Zevenbergschen Hoek. Ook dit pakket is door het NFI onderzocht, waarbij de inhoud meer dan een kilo MDMA bevatte.
Op 31 januari 2023 wordt vervolgens door het observatieteam waargenomen dat de eerder genoemde Opel aan de [straat 1] te Breda stopt met alarmlichten aan. [medeverdachte 1] wordt daarbij als bijrijder herkend. Verdachte pakt een pakket uit de achterbak en loopt in de richting van [boekhandel] , zijnde een pakketafgiftepunt. Omstreeks 16.35 uur wordt deze Opel weer waargenomen. Het voertuig stond toen geparkeerd aan de [straat 2] te Breda bij drie garageboxen, met verdachte en [medeverdachte 1] als inzittenden. Even later parkeert een Opel met [kenteken 2] met als bestuurder [medeverdachte 2] naast voormeld voertuig. [medeverdachte 1] stapt vervolgens in de auto van [medeverdachte 2] , heeft een gesprek met [medeverdachte 2] , verricht handelingen op de achterbank van de auto en haalt twee pakketten uit het voertuig van [medeverdachte 2] . Hij zet deze in de achterbak van het voertuig van verdachte en bedekt deze met een deken.
Op 6 februari 2023 wordt voorts waargenomen dat bovengenoemde voertuigen wederom geparkeerd staan aan de [straat 2] te Breda, waarbij er door verdachte en [medeverdachte 2] pakketten worden overgeladen van de auto van verdachte naar de auto van [medeverdachte 2] . Deze pakketten zijn later door de politie bij [medeverdachte 2] aangetroffen en bleken 36 kilo amfetamine te bevatten.
De rechtbank stelt gelet op bovenstaande vast dat verdachte op verschillende momenten pakketten heeft vervoerd. Ten aanzien van een aantal pakketten is vastgesteld dat het ging om harddrugs bestemd voor het buitenland, welke pakketten ook ter verzending zijn aangeboden bij een DPD-afgiftepunt. Weliswaar zijn niet alle door verdachte vervoerde pakketten onderzocht, maar de rechtbank gaat ervan uit dat in alle gevallen en meer in het bijzonder ook op 31 januari 2023, sprake was van harddrugs in de pakketten. De rechtbank baseert dit op het feit dat op de verschillende momenten sprake is van eenzelfde modus operandi; pakketten worden vervoerd, bij verschillende pakketafgiftepunten afgeleverd en er worden dozen overgeladen van het ene voertuig naar het andere op dezelfde locatie. [medeverdachte 1] was daarbij op 10 januari 2023 als bijrijder aanwezig. Op 31 januari 2023 worden [medeverdachte 1] en verdachte wederom gezien waarbij verdachte een pakket aflevert en vervolgens worden op diezelfde dag door verdachte dozen overgeladen van de auto van [medeverdachte 2] naar de auto van verdachte en afgedekt. Het overladen van pakketten van het ene voertuig naar het andere wordt ook op 6 februari 2023 waargenomen.
Opzet
De rechtbank ziet zich ten aanzien van feit 1 gesteld voor de vraag of verdachte (voorwaardelijk) opzet had op de aanwezigheid en/of het vervoer en/of de uitvoer van harddrugs. De rechtbank beantwoordt deze vraag (deels) bevestigend en overweegt hiertoe het volgende.
De rechtbank is van oordeel dat uit de gedragingen van verdachte en medeverdachte(n) kan worden afgeleid dat verdachte wist dat zij zich bezig hield met criminele zaken. De rechtbank betrekt hierbij het feit dat verdachte en [medeverdachte 1] op 10 januari 2023 binnen een kort tijdsbestek drie verschillende pakketpunten in drie verschillende plaatsen hebben aangedaan en dat er daadwerkelijk pakketten zijn afgeleverd. Merkwaardig, nu niet valt in te zien waarom deze niet bij één pakketpunt afgeleverd zouden kunnen worden. Ook op 31 januari 2023 is een pakket afgeleverd en daarna heeft [medeverdachte 1] dozen vanuit de auto van [medeverdachte 2] in de auto van verdachte geladen en deze vervolgens met een deken bedekt, kennelijk om te voorkomen dat deze dozen zichtbaar in de auto lagen.
Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm en de kennelijke samenwerking met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] , acht de rechtbank het ongeloofwaardig dat verdachte niet wist wat er in de pakketten zat, waar ze naar toe gingen en waar ze vandaan kwamen. Zij beschikte over en reed in het betrokken voertuig. Daarnaast zorgde zij voor het afleveren van de pakketten bij pakketafgiftepunten en de pakbonnen. De pakbonnen werden naar de telefoon van verdachte gestuurd, waarna zij deze printte bij een shop. De pakbonnen op de inbeslaggenomen pakketten komen overeen met de verscheurde papiertjes die op 6 februari 2023 in het voertuig van verdachte zijn aangetroffen. Verdachte had dus zicht op de pakbonnen, met daarop de buitenlandse adressen, wanneer zij de pakketten wegbracht. De rechtbank acht het dan ook onaannemelijk dat verdachte niet wist dat de pakketten, gelet op deze buitenlandse adressen, bestemd waren voor het buitenland.
Ook de verklaring van verdachte dat zij dacht dat er auto-onderdelen in de pakketten zaten, acht de rechtbank ongeloofwaardig, omdat uit niets blijkt dat [medeverdachte 1] een autobedrijf of -garage had en dat hij auto-onderdelen verhandelde.
De rechtbank neemt daarbij in overweging dat verdachte eerder samen met [medeverdachte 1] woninginbraken heeft gepleegd en dus wist dat hij zich bezig hield met criminele zaken. Verdachte was ook altijd samen met [medeverdachte 1] .
Gelet op het voorgaande heeft verdachte (in ieder geval) willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat in haar auto harddrugs werden vervoerd en aanwezig waren, bestemd voor het buitenland.
De rechtbank voegt aan dit alles toe dat het onaannemelijk is dat een onwetende meermalen wordt betrokken bij het vervoer van een aanzienlijke hoeveelheid harddrugs met een grote waarde.
De rechtbank acht aldus wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 tenlastegelegde, te weten het uitvoeren, vervoeren en het aanwezig hebben van harddrugs.
Medeplegen
Nu verdachte de strafbare feiten samen met [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] heeft verricht, is sprake van medeplegen en oordeelt de rechtbank het ten laste gelegde ook in zoverre wettig en overtuigend bewezen.
Feit 2
Zoals eerder aangehaald wordt op 6 februari 2023 waargenomen dat de voertuigen van verdachte en [medeverdachte 2] staan aan de [straat 2] te Breda, waarbij er door verdachte en [medeverdachte 2] pakketten worden overgeladen van de auto van verdachte naar de auto van [medeverdachte 2] . Deze pakketten zijn later bij [medeverdachte 2] aangetroffen en bleken 36 kilo amfetamine te bevatten.
Verdachte heeft ten aanzien van dit feit ter zitting verklaard dat zij dacht het misschien om gestolen spullen ging of dat er iets anders mis mee was en dat het klopt dat zij wel had kunnen weten dat het om drugspakketten ging. Dit, in samenhang met de aangetroffen 36 kilo amfetamine in de woning van [medeverdachte 2] , maakt dat de rechtbank met de officier van justitie van oordeel is dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte 36 kilo amfetamine voorhanden heeft gehad op 6 februari 2023.
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het aanwezig hebben van de 200 gram cocaïne en 475 gram MDMA niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1. in de periode van 10 januari 2023 tot en met 6 februari 2023 te Breda en Oosterhout en Zevenbergschen Hoek, gemeente Moerdijk en Etten-Leur, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, telkens opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van Pro de Opiumwet en heeft vervoerd en aanwezig heeft gehad,
een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of
een hoeveelheid van een materiaal bevattende mdma en/of
een hoeveelheid van een materiaal bevattende lsd,
zijnde amfetamine en mdma en lsd telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2. op 6 februari 2023 te Breda, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 36.000 gram amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een taakstraf van 240 uur per feit en daarnaast een gevangenisstraf van 500 dagen waarvan 432 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en onder aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest. Aan het voorwaardelijke deel kunnen de bijzondere voorwaarden meldplicht, urinecontroles en de ambulante begeleiding worden verbonden.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging kan zich vinden in de vordering van de officier van justitie.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk (ruim) uitvoeren, aanwezig hebben en vervoeren van een grote hoeveelheid harddrugs. Zij heeft hiermee bijgedragen aan de instandhouding van de handel in verdovende middelen en de nadelige effecten die daardoor worden veroorzaakt. Het is algemeen bekend dat het gebruik van harddrugs schadelijk is voor de gezondheid en het risico bestaat dat gebruikers hieraan verslaafd raken, met destructieve gevolgen voor hun leven. De handel in dergelijke middelen gaat bovendien veelal gepaard met diverse vormen van zware en georganiseerde criminaliteit. Verdachte heeft bij deze nadelige effecten kennelijk niet stilgestaan of deze op de koop toegenomen en haar eigen financiële gewin kennelijk vooropgesteld. Dit neemt de rechtbank haar kwalijk.
De reclassering heeft op 11 september 2025 een rapportage opgemaakt. Geadviseerd werd het adolescentenstrafrecht toe te passen en verder een straf op te leggen zonder oplegging van bijzondere voorwaarden.
Ter zitting heeft mevrouw [naam] van de reclassering naar voren gebracht dat op alle leefgebieden sprake is van enige stabiliteit. Ook heeft verdachte een kindje. Gelet hierop is het advies nu om het adolescentenstrafrecht niet toe te passen. Wel wordt geadviseerd om bijzondere voorwaarden op te leggen om verdachte te kunnen ondersteunen en de stabiliteit in haar leven te behouden. Voorgesteld wordt om haar verder ambulant te laten begeleiden door [hulpverlening] en de meldplicht en urinecontroles met betrekking tot cannabisgebruik op te leggen.
De rechtbank hecht waarde aan de positieve weg die door verdachte is ingeslagen en acht het van belang dat deze niet wordt doorkruist door een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
Enerzijds is een reactie nodig die passend is bij de jonge leeftijd en de persoon van verdachte die haar leven weer op de rit heeft en sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis geen nieuwe politie- en justitiecontacten heeft gehad. Het is verder van belang dat verdachte begeleiding houdt van de reclassering en van [hulpverlening] , omdat zij wel een kwetsbaar persoon is en er bij de rechtbank zorgen zijn over haar partnerkeuze. Anderzijds dient ook te worden gekeken naar het belang van de maatschappij.
Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf langer dan de periode dat verdachte in voorarrest heeft gezeten, niet meer passend is. De rechtbank ziet geen meerwaarde in vergelding door oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, ook niet in het belang van de maatschappij. De goede weg die verdachte is ingeslagen, zou hiermee worden doorkruist. Bij de strafoplegging heeft de rechtbank ook rekening gehouden met het tijdsverloop in deze zaak.
Dit neemt echter niet weg dat verdachte twee ernstige strafbare feiten heeft gepleegd waarvoor vanuit het oogpunt van speciale preventie en vergelding een forse straf moet worden opgelegd. Om te voorkomen dat verdachte nogmaals een strafbaar feit zal plegen, zal de rechtbank een forse voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Daarnaast acht de rechtbank het in deze zaak passend om per bewezenverklaarde feit een taakstraf van 180 uren op te leggen, telkens subsidiair 90 dagen vervangende hechtenis. Daarbij overweegt de rechtbank dat bij meerdaadse samenloop de cumulatie van taakstraffen niet is begrensd tot 240 uur.
Dit leidt ertoe dat de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf zal opleggen voor de duur van 500 dagen waarvan 432 dagen voorwaardelijk met aftrek van de periode dat verdachte in voorarrest heeft gezeten. Aan het voorwaardelijke deel worden de bijzondere voorwaarden meldplicht, urinecontroles en de ambulante begeleiding door [hulpverlening] verbonden. Daarnaast zal zij voor zowel feit 1 als feit 2 een taakstraf van 180 uur opleggen, dus in totaal 360 uur. Wanneer de taakstraf niet wordt verricht staat daar vervangende hechtenis tegenover ter hoogte van 180 dagen.

7.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 47, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8.Beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1:medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro A, onder B en onder C van de Opiumwet gegeven verbod in eendaadse samenloop begaan, meermalen gepleegd;
(ten aanzien van 6 februari) in eendaadse samenloop begaan met:
feit 2:medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 500 dagen waarvan 432 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als
bijzondere voorwaarden:
* dat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres Langendijk 34, 4819 EW te Breda, na het maken van een afspraak via telefoonnummer 088-8041505;
* dat verdachte zich gedurende de proeftijd ambulant laat behandelen door [hulpverlening] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling;
* dat verdachte gedurende de proeftijd geen verdovende middelen gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan urinecontroles;
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
- veroordeelt verdachte tot
een taakstraf van 360 uren;
- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht,
vervangende hechteniszal worden toegepast van
180 dagen;
Voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.F.C. Janssen, voorzitter, en mr. C.H.M. Pastoors en mr. S.C.S. van Bree, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Tafazzul, griffier, en is
uitgesproken ter de openbare zitting op 12 maart 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
1
zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 10 januari 2023 tot en
met 6 februari 2023 te Breda en/of Oosterhout en/of Zevenbergschen Hoek,
gemeente Moerdijk en/of Etten-Leur, althans in Nederland, tezamen en in
vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk buiten het
grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van Pro de
Opiumwet en/of heeft vervoerd en/of aanwezig heeft gehad,
een of meer hoeveelheid/heden van een materiaal bevattende amfetamine en/of
een of meer hoeveelheid/heden van een materiaal bevattende cocaïne en/of
een of meer hoeveelheid/heden van een materiaal bevattende mdma en/of
een of meer hoeveelheid/heden van een materiaal bevattende lsd,
zijnde amfetamine en/of cocaïne en/of mdma en/of lsd (telkens) een middel als
bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het
vijfde lid van artikel 3a van die wet;
( art 10 lid 5 Opiumwet Pro, art 2 ahf Pro/ond A Opiumwet, art 47 lid 1 ahf Pro/sub 1 Wetboek
van Strafrecht )
2
zij op of omstreeks 6 februari 2023 te Breda, althans in Nederland, tezamen en in
vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft
gehad,
- ongeveer (in totaal) 36.000 gram amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een
materiaal bevattende amfetamine en/of
- ongeveer (in totaal) 200 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een
materiaal bevattende cocaïne en/of
- ongeveer (in totaal) 475 gram mdma, in elk geval een hoeveelheid van een
materiaal bevattende mdma,
zijnde amfetamine en/of cocaïne en/of mdma een middel als bedoeld in de bij de
Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel
3a van die wet;
( art 10 lid 3 Opiumwet Pro, art 2 ahf Pro/ond C Opiumwet, art 47 lid 1 ahf Pro/sub 1 Wetboek
van Strafrecht )