ECLI:NL:RBZWB:2026:1713

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
26/609
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbParticipatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen intrekking bijstandsuitkering wegens ontbreken bankafschriften

Verzoekster had een bijstandsuitkering die per 8 december 2025 werd opgeschort en op 18 december 2025 werd ingetrokken vanwege het niet tijdig overleggen van bankafschriften. Na bezwaar verklaarde het college het bezwaar gegrond, waarna verzoekster beroep instelde tegen de beslissing op bezwaar.

De voorzieningenrechter behandelde het verzoek om een voorlopige voorziening op 12 maart 2026. Verzoekster stelde dat er sprake was van spoedeisend belang vanwege onzekerheid over de hervatting van de uitkering en financiële problemen door het niet ontvangen van de uitkering.

De rechter oordeelde dat er geen sprake was van een spoedeisend belang omdat verzoekster feitelijk over inkomen beschikte door betalingen over december, januari en februari, en het bezwaar gegrond was verklaard waardoor het recht op uitkering wordt hersteld. Ook de stelling dat proceskosten spoedeisend waren, werd niet aannemelijk gemaakt.

De voorzieningenrechter concludeerde dat verzoekster geen acute financiële nood had aangetoond en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Verzoekster heeft daardoor geen recht op vergoeding van griffierecht of proceskosten. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de bijstandsuitkering wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/609
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 maart 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda.

Procesverloop

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening inzake de opschorting en intrekking van verzoekers uitkering op grond van de Participatiewet.
1.1
De bijstandsuitkering van verzoekster is opgeschort per 8 december 2025 en bij besluit van 18 december 2025 ingetrokken. Daaraan ligt ten grondslag dat verzoekster niet tijdig de gevraagde bankafschriften heeft overgelegd. Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en aan de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Zij voert daartoe een aantal gronden aan.
1.2
Op 20 februari 2026 heeft het college het bezwaar gegrond verklaard. Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. Het verzoek om voorlopige voorziening is onder aanvulling van gronden gehandhaafd en heeft te gelden als een verzoek om voorlopige voorziening hangende beroep.
1.2
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.3
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster en haar gemachtigde en namens het college heeft mr. S.S. Hyder deelgenomen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af omdat er geen sprake is van een spoedeisend belang
.Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
2.1
Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de bestuursrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2.2
Volgens vaste rechtspraak is niet snel sprake van spoedeisend belang bij een financieel geschil. Er moet sprake zijn van een onomkeerbare situatie of acute financiële nood.
2.3
Uit de stukken blijkt dat het college de bankafschriften heeft beoordeeld en dat er over de maanden december en januari bedragen zijn betaald. Inmiddels is ook de maand februari 2026 betaald. Daarmee beschikt verzoekster feitelijk over inkomen op grond van de Participatiewet. Of de titel waaronder is betaald, voorschotten, juist is, doet daar niks aan af. Verder is het bezwaar tegen de beëindiging van de uitkering gegrond verklaard en uit de stukken volgt dat het recht op uitkering wordt hersteld.
2.4
Ter zitting heeft verzoekster aangevoerd dat zij ook een spoedeisend belang bij een inhoudelijk oordeel heeft omdat zij nu in onzekerheid verkeert over de hervatting van haar uitkering. Dit levert echter geen acute financiële noodsituatie op.
2.5
Verzoekster heeft verder nog gesteld dat er ook een spoedeisend belang gelegen is in de uitbetaling van de proceskosten. Ook dat is een financieel belang. Er is geen informatie overgelegd over de hoogte van de declaraties van gemachtigde. Niet duidelijk is of deze al zijn verstuurd en of er rechtsmaatregelen zijn getroffen ter inning. Ook is er geen zicht op de huidige financiële situatie van verzoekster. Ook op dat punt is een acute financiële noodsituatie niet aannemelijk.
2.6
Ter zitting heeft verzoekster opgemerkt dat het algemeen bekend is dat er financiële problemen ontstaan als er een aantal maanden geen uitkering wordt betaald. De voorzieningenrechter acht het aannemelijk dat er achterstanden in betalingen zijn ontstaan en dat verzoekster geld heeft moeten lenen. Ook wordt aangenomen dat verzoekster, doordat zij geld heeft moeten lenen, kosten heeft moeten maken en dat er wegens achterstanden ook bijkomende kosten zijn opgekomen, zoals bijvoorbeeld kosten van een deurwaarder. Daarmee is echter niet automatisch gegeven dat er sprake is van een financiële noodsituatie. Verzoekster heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat daarvan sprake is.

Conclusie en gevolgen

3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een financiële noodsituatie. Er bestaat daarom geen aanleiding om het verzoek verder inhoudelijk te beoordelen. Het verzoek zal dan ook worden afgewezen. Omdat het verzoek wordt afgewezen heeft verzoekster geen recht op vergoeding van het door haar betaalde griffierecht of de gemaakte proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2026 door mr. J. van Alphen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Hees, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.