Verzoekster had een bijstandsuitkering die per 8 december 2025 werd opgeschort en op 18 december 2025 werd ingetrokken vanwege het niet tijdig overleggen van bankafschriften. Na bezwaar verklaarde het college het bezwaar gegrond, waarna verzoekster beroep instelde tegen de beslissing op bezwaar.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek om een voorlopige voorziening op 12 maart 2026. Verzoekster stelde dat er sprake was van spoedeisend belang vanwege onzekerheid over de hervatting van de uitkering en financiële problemen door het niet ontvangen van de uitkering.
De rechter oordeelde dat er geen sprake was van een spoedeisend belang omdat verzoekster feitelijk over inkomen beschikte door betalingen over december, januari en februari, en het bezwaar gegrond was verklaard waardoor het recht op uitkering wordt hersteld. Ook de stelling dat proceskosten spoedeisend waren, werd niet aannemelijk gemaakt.
De voorzieningenrechter concludeerde dat verzoekster geen acute financiële nood had aangetoond en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Verzoekster heeft daardoor geen recht op vergoeding van griffierecht of proceskosten. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.