ECLI:NL:RBZWB:2026:1714

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
25/1870
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 Wet hersteloperatie toeslagen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep op compensatie kinderopvangtoeslag op grond van Wet hersteloperatie toeslagen

Eiseres heeft een verzoek ingediend tot herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag over de jaren 2011 tot en met 2015, waarbij zij compensatie vorderde op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De Dienst Toeslagen heeft de jaren 2011 tot en met 2014 beoordeeld en een compensatie toegekend over 2011, maar de jaren 2012 tot en met 2014 afgewezen. De jaren 2009 en 2010 zijn niet betrokken bij de beoordeling omdat deze buiten de reikwijdte van het oorspronkelijke verzoek vielen.

Eiseres voerde aan dat de jaren 2009 en 2010 ten onrechte niet zijn beoordeeld en dat de digitale informatie over de overige jaren niet controleerbaar zou zijn. De rechtbank oordeelde dat de Dienst Toeslagen niet verplicht was deze jaren mee te nemen omdat zij pas in bezwaar om beoordeling van die jaren had verzocht. Daarnaast vond de rechtbank dat de toelichting van de Dienst Toeslagen voldoende inzicht gaf in de gebruikte gegevens en dat eiseres onvoldoende onderbouwing had geleverd voor haar stelling dat de informatie onjuist of oncontroleerbaar was.

De rechtbank concludeerde dat er geen aanwijzingen waren voor vooringenomen handelen of hardheid van het stelsel over de jaren 2013 en 2014 en dat de Dienst Toeslagen terecht compensatie had geweigerd voor die jaren. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, zonder toekenning van proceskostenvergoeding of griffierecht.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar compensatieverzoek wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/1870

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. I.M. van den Heuvel),
en

Dienst Toeslagen

(gemachtigde: Dienst toeslagen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de vaststelling van het recht op compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres is het niet eens met de manier waarop de besluitvorming over de compensatie heeft plaatsgevonden. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een verzoek gedaan om herbeoordeling van haar toeslagen over de jaren 2011 tot en met 2015. Met de mail van 7 juli 2022 is aan de gemachtigde van eiseres meegedeeld dat eiseres eind 2014 heeft doorgegeven dat haar kinderen niet meer naar de opvang gaan. Meegedeeld is dat daarom de jaren 2011 tot en met 2014 voorgelegd zullen worden aan het beoordelingsteam. De gemachtigde van eiseres heeft niet gereageerd op deze e-mail.
2.1
Met het besluit van 30 september 2022 is aan eiseres meegedeeld dat zij over het jaar 2011 recht heeft op een compensatie van € 4.091. Omdat het minimale compensatie-bedrag € 30.000 bedraagt, krijgt zij dat bedrag uitbetaald.
2.2
Met twee andere besluiten van 30 september 2022 is aan eiseres meegedeeld dat zij over de jaren 2012 tot en met 2014 geen recht heeft op compensatie.
2.3
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen alle besluiten van 30 september 2022.
2.4
Met het bestreden besluit van 3 februari 2025 heeft de Dienst Toeslagen beslist op de bezwaren van eiseres. De Dienst Toeslagen is gedeeltelijk tegemoet gekomen aan de bezwaren van eiseres en heeft het compensatiebedrag vastgesteld op € 4.155.
2.3
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.1.
De rechtbank heeft het beroep op 10 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en namens de Dienst Toeslagen mr. [gemachtigde] .

Beoordeling door de rechtbank

Standpunt eiseres
3. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat de Dienst Toeslagen ten onrechte de jaren 2009 en 2010 niet heeft beoordeeld. Met betrekking tot de overige jaren heeft eiseres gesteld dat de digitale informatie die over die jaren beschikbaar is, door haar niet te controleren is. Eiseres stelt wel over controleerbare documenten te beschikken, meer specifiek de jaaropgaven.
Standpunt Dienst Toeslagen
4. De Dienst Toeslagen heeft zich op het standpunt gesteld dat omdat eiseres pas in bezwaar heeft verzocht om beoordeling van de jaren 2009 en 2010 deze jaren niet zijn betrokken bij het bestreden besluit. Verder heeft de Dienst Toeslagen over de jaren 2011 tot en met 2014 toegelicht waarom wel of geen compensatie is toegekend.
Wettelijk kader
5. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak en maakt daarvan onderdeel uit.
Overwegingen rechtbank
Is terecht geen beoordeling gedaan over de jaren 2009 en 2010?
6. De rechtbank stelt vast dat eiseres bij haar verzoek om herbeoordeling alleen heeft verzocht om een herbeoordeling over de jaren 2011 tot en met 2015. De Dienst Toeslagen heeft destijds aan de gemachtigde van eiseres meegedeeld welke jaren zullen worden beoordeeld. Ondanks het feit dat de gemachtigde in de gelegenheid was gesteld om daarop te reageren, heeft hij op deze mededeling niet gereageerd. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de Dienst Toeslagen de jaren 2009 en 2010 niet heeft hoeven te betrekken bij de herbeoordeling. Omdat de kinderen van eiseres in 2015 niet naar de kinderopvang zijn geweest, is terecht de beoordeling beperkt gebleven tot de jaren 2011 tot en met 2014.
6.1
Het primaire besluit heeft dus alleen betrekking op de jaren 2011 tot en met 2014. Dat eiseres in bezwaar heeft gesteld dat zij ook de jaren 2009 en 2010 beoordeeld wil hebben, maakt niet dat de Dienst toeslagen in bezwaar alsnog over die jaren had moeten beslissen. Deze jaren vallen immers buiten de reikwijdte van de aanvraag en vallen daarmee ook buiten de strekking en omvang van het primaire besluit en daarmee dus buiten de omvang van het geding. Dat de Dienst Toeslagen inmiddels een andere lijn hanteert, maakt dat niet anders. Overigens heeft de Dienst Toeslagen ter zitting benadrukt dat over de jaren 2009 en 2010 nog een primair besluit zal worden genomen. Het feit dat het mogelijk nog enige tijd kan duren voordat een nieuw primair besluit wordt afgegeven over deze jaren, maakt niet dat tot een ander oordeel moet worden gekomen over de omvang van het geding.
Is de beoordeling over de overige jaren te controleren?
7. Ter zitting heeft eiseres gesteld dat de jaren 2011 en 2012 niet meer in geschil zijn. Het geschil beperkt zich dus tot de jaren 2013 en 2014.
7.1
Eiseres vindt dat zij de overlegde gegevens niet kan controleren. Ter zitting heeft eiseres aanvullend gesteld dat de verstrekte informatie niet juist is. Ter onderbouwing van die stelling heeft eiseres gewezen op de verschillen in kenmerken van de genoemde besluiten. Als voorbeeld is genoemd het besluit van 1 augustus 2014 waarop het kenmerk [kenmerk 1] is vermeld. In het informatie- en overzichtsformulier wordt echter kenmerk [kenmerk 2] genoemd. Volgens eiseres volgt hieruit dat de verstrekte informatie niet juist is.
7.2
Namens de Dienst Toeslagen is ter zitting uitgelegd dat het kenmerk van de beslissing van 1 augustus 2014 het kenmerk is van de verzamelbeschikking. In die beschikking worden namelijk alle toeslagen genoemd. Als gekeken wordt naar alleen de kinderopvangtoeslag dan wordt daarbij het beschikkingsnummer [kenmerk 1] genoemd.
7.3
De rechtbank is van oordeel dat met deze toelichting inzichtelijk is gemaakt waar het verschil in kenmerk vandaan komt. Duidelijk is in ieder geval dat voor de kinderopvangtoeslag dezelfde kenmerken worden genoemd. Uit het door eiseres genoemde voorbeeld kan dus niet opgemaakt worden dat de overgelegde informatie onjuist is.
7.4
Eiseres heeft geen nadere onderbouwing gegeven van haar stelling dat de informatie niet te controleren valt. Anders dan in haar beroepschrift is aangekondigd, heeft zij ook geen stukken overgelegd ter onderbouwing van haar standpunt. De enkele stelling van eiseres dat de informatie niet te controleren is, is onvoldoende om te twijfelen aan de gegevens die de Dienst Toeslagen heeft gehanteerd bij het beoordelen van het recht op compensatie. Dat geldt temeer omdat uit de overgelegde stukken blijkt welke wijzigingen er zijn geweest in de jaren 2013 en 2014 met betrekking tot de verstrekte voorschotten en het vastgestelde recht op kinderopvangtoeslag. Ook blijkt uit die stukken welke informatie over het aantal opvanguren en toetsingsinkomen daarbij betrokken is.
7.5
De rechtbank is van oordeel dat uit de overgelegde stukken niet blijkt dat er sprake is geweest van vooringenomen handelen of van hardheid van het stelsel. Dat eiseres met de overgelegde stukken mogelijk niet kan controleren of de destijds vastgestelde toeslagen juist zijn vastgesteld, is niet relevant voor de onderhavige beoordeling. Het doel van de Wht is immers niet om alle eerder overgelegde besluiten (opnieuw) op rechtmatigheid te controleren, maar om te beoordelen of er sprake is van vooringenomen handelen of van hardheid van het stelsel. Zoals eerder al opgemerkt is niet gebleken dat daarvan over de jaren 2013 en 2014 sprake is geweest. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de Dienst Toeslagen terecht heeft geweigerd compensatie toe te kennen over de jaren 2013 en 2014.

Conclusie en gevolgen

8. Uit het voorgaande volgt dat de Dienst Toeslagen een juist besluit heeft genomen. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard. Omdat het beroep ongegrond wordt verklaard, krijgt eiseres geen proceskostenvergoeding. Ook krijgt eiseres het griffierecht niet vergoed.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van Alphen rechter, in aanwezigheid van A.J.M. van Hees. griffier, op 16 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Wet hersteloperatie toeslagen

Artikel 2.1, eerste lid
De Dienst Toeslagen kent op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem:
a .voor 23 oktober 2019 bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen; of
b
.de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de Wet kinderopvang of de op die wetten berustende bepalingen bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die voor 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijke systeem.