ECLI:NL:RBZWB:2026:1718

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
25/1907
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WhtArt. 9.1 WhtArt. 1.1 Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond op compensatie kinderopvangtoeslag en toepassing hardheidsclausule afgewezen

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Dienst Toeslagen waarin de compensatie voor de toeslagaffaire is vastgesteld. Hij was het niet eens met de hoogte van de compensatie over 2012 en voerde aan dat hij recht had op toeslag over het hele jaar. Tevens deed hij een beroep op de hardheidsclausule van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).

De rechtbank oordeelt dat eiser zijn standpunt over het recht op toeslag over het hele jaar 2012 heeft laten vallen en dat het geschil zich beperkt tot de vraag of de hardheidsclausule toegepast had moeten worden. De Dienst Toeslagen heeft betoogd dat geen sprake is van een actuele schrijnende situatie die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigt.

De rechtbank volgt de vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak dat de hardheidsclausule alleen kan worden toegepast bij actuele schrijnende omstandigheden, zoals ernstige medische problemen of structurele financiële nood, die samenhangen met de gevolgen van het niet overnemen of compenseren van schulden. De omstandigheden die eiser aanvoert, betreffen een tijdelijke verhuizing in 2012 en zijn daarmee niet actueel.

Daarom is geen aanleiding om de hardheidsclausule toe te passen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding of griffierechtvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter J. van Alphen op 16 maart 2026.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de vastgestelde compensatie wordt ongegrond verklaard en de toepassing van de hardheidsclausule wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/1907

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. I.M. van den Heuvel),
en

Dienst Toeslagen

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de vaststelling van het recht op compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiser is het niet eens met de hoogte van de vastgestelde compensatie. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat geen aanleiding bestaat om de hardheidsclausule toe te passen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een toeslag ontvangen over de jaren 2008 tot en met 2012. Hij heeft een verzoek gedaan om herbeoordeling van zijn toeslagen
.
2.1
Met het besluit van 21 augustus 2021 is eiser als gedupeerde van de toeslagaffaire erkend en is aan hem een bedrag van € 30.000 toegekend (de Catshuisregeling).
2.2
In het kader van de integrale beoordeling is aan eiser een compensatie van € 25.265 toegekend. Dit is aan hem meegedeeld met het besluit van 24 november 2022. Omdat hij al eerder een bedrag van € 30.000 heeft ontvangen, krijgt hij geen extra betaling. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
2.3
Met het besluit van 13 april 2023 is aan eiser een bedrag van € 1.4212 toegekend aan tegemoetkoming opzet/grove schuld (o/gs). Omdat hij eerder al een bedrag van € 30.000 heeft ontvangen, krijgt hij geen nabetaling. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
2.4
Met het besluit van 12 februari 2025 (bestreden besluit) zijn de bezwaren van eiser gegrond verklaard. De compensatie is daarbij vastgesteld op € 27.594 en de tegemoet-koming o/gs op € 1.613. Omdat ook met deze wijziging de totale vergoeding niet hoger is dan € 30.000 krijgt eiser geen nabetaling.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 10 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en [naam] (de zus van eiser). Namens de Dienst Toeslagen heeft mr. [gemachtigde] deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Standpunt eiser
3. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de compensatie over het jaar 2012 te laag is vastgesteld. Aan dit standpunt heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij recht had op toeslag over het hele jaar 2012. Volgens eiser bepaalt de wet niet dat geen recht bestaat op toeslag als de gastouder op hetzelfde adres is ingeschreven als de ouder. Verder heeft eiser een beroep gedaan op de hardheidsregeling.
Standpunt Dienst Toeslagen
4. De Dienst Toeslagen heeft zich op het standpunt gesteld dat geen recht bestaat op toeslag. Daarbij heeft de Dienst Toeslagen verwezen naar de definitiebepaling van artikel 1.1 van de wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen. De Dienst Toeslagen heeft zich verder op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van hardheid van het stelsel, zodat eiser ook geen recht heeft op compensatie op grond van de hardheidsregeling. Daaraan heeft de Dienst Toeslagen nog toegevoegd dat, ook al zou worden aangenomen dat er sprake is van hardheid, er geen recht op compensatie is omdat er sprake is van evident geen recht op kinderopvangtoeslag.
Omvang geschil
5. Ter zitting heeft eiser zijn standpunt dat hij wel recht had op toeslag over het hele jaar 2012 laten vallen. Verder heeft hij gesteld dat hij geen beroep doet op de hardheidsregeling van artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wht, maar op de hardheidsclausule van artikel 9.1 Wht. In geschil is dus uitsluitend of de Dienst Toeslagen de hardheidsclausule had moeten toepassen. De Dienst Toeslagen heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het beroep op de hardheidsclausule niet kan slagen.
Wettelijk kader
6. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak en maakt daarvan onderdeel uit.
Overwegingen rechtbank
7. Naar vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak (Afdeling) kan de hardheidsclausule worden toegepast in bijzondere situaties waarbij toepassing van de bepaling zelf gelet op de ratio ervan onbillijk uitpakt of wanneer sprake is van schrijnende omstandigheden waardoor toepassing van de wettelijke bepaling achterwege moet blijven. Bij schrijnende omstandigheden kan bijvoorbeeld worden gedacht aan serieuze en structurele financiële nood, aan ernstige medische omstandigheden of aan andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. Daarbij gaat het niet zozeer om omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de periode waarin de toeslagenaffaire zich voltrok en die vanzelfsprekend in veel gevallen schrijnend zijn geweest en tot schade (kunnen) hebben geleid. Voor deze situatie beogen de herstelmaatregelen uit de Wht immers een oplossing te bieden. Het moet volgens de Afdeling gaan om actuele omstandigheden die samenhangen met (de gevolgen van) een weigering om de schulden over te nemen of te compenseren. Met het toepassen van de hardheidsclausule wordt een uitzondering gemaakt op de gebruikelijke toepassing van de regel. Dat betekent dat degene die er een beroep op doet, in ieder geval inzichtelijk moet maken waar de bijzondere of schrijnende situatie in zijn of haar geval uit bestaat, en dit zo concreet mogelijk moet onderbouwen. [1]
7.1
Eiser heeft zijn beroep op de hardheidsclausule ter zitting onderbouwd door te wijzen op de zorgwekkende situatie die in 2012 is ontstaan waardoor eiser gedwongen was weer bij zijn moeder en zus te gaan wonen. Volgens eiser is het begrip ‘actuele noodsituatie’ uit de rechtspraak niet duidelijk en kan dat ook betrekking hebben op de situatie ten tijde van het ontvangen van kinderopvangtoeslag.
7.2
Anders dan eiser aanvoert, kan de rechtbank uit de vaste rechtspraak niet anders opmaken dan dat onder ‘actuele situatie’ in ieder geval niet wordt verstaan de situatie ten tijde van het ontvangen en terugbetalen van de toeslag. In de onder 7 genoemde uitspraak wordt immers expliciet overwogen dat het niet zozeer gaat om omstandigheden die zich hebben voorgegaan in de periode waarin de toeslagaffaire zich voltrok maar dat het om actuele omstandigheden moet gaan.
7.3
Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de keuze die eiser heeft gemaakt om in 2012 tijdelijk bij zijn moeder en zus te gaan wonen, kunnen de omstandigheden die hebben geleid tot die tijdelijke verhuizing niet aangemerkt worden als ‘actuele omstandigheden’ zoals genoemd in de rechtspraak. Deze omstandigheden hebben zich immers voorgedaan ten tijd van het ontvangen van de kinderopvangtoeslag. Eiser heeft geen andere omstandigheden gesteld waaruit opgemaakt zou kunnen worden dat er sprake van een bijzondere of schrijnende situatie. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de Dienst toeslagen terecht geen aanleiding heeft gezien om de hardheidsclausule toe te passen.

Conclusie en gevolgen

8. Uit het voorgaande volgt dat de Dienst Toeslagen een juist besluit heeft genomen. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard. Omdat het beroep ongegrond wordt verklaard, krijgt eiser geen proceskostenvergoeding. Ook krijgt eiser het griffierecht niet vergoed.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van Alphen rechter, in aanwezigheid van A.J.M. van Hees. griffier, op 16 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Wet hersteloperatie toeslagen

Artikel 2.1, eerste lid
De Dienst Toeslagen kent op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem:
a .voor 23 oktober 2019 bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen; of
b
.de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de Wet kinderopvang of de op die wetten berustende bepalingen bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die voor 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijke systeem.
Artikel 9.1
De Dienst Toeslagen kan bij een besluit over toekenning van compensatie, een tegemoetkoming of vergoeding, kwijtschelding van bestuursrechtelijke schulden of betaling van bestuursrechtelijke en privaatrechtelijke schulden afwijken van 2.1, 2.6, 2.7, 2.10, 2.11, 2.11a, 2.11b, 2.14, 2.14a, 2.16, 2.17, 3.1, 4.6, 4.7 of 6.1 voor zover toepassing van het desbetreffende artikel gelet op doel of strekking ervan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard voor degene die aanspraak wil maken op de toekenning.