ECLI:NL:RBZWB:2026:1729

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
C/02/443348 / JE RK 25-2288
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van de Kraats
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige vanwege recente hulpverlening

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant om de ondertoezichtstelling van een minderjarige te verlengen voor de duur van een jaar. De minderjarige woont bij zijn moeder en de ouders hebben gezamenlijk het ouderlijk gezag. De ondertoezichtstelling was aanvankelijk ingesteld van 14 mei 2025 tot 14 februari 2026.

De GI motiveert het verzoek met het feit dat de hulpverlening pas recent is opgestart en dat er nog onvoldoende zicht is op de bereidheid van de ouders om veranderingen door te voeren. Het contact tussen de vader en de minderjarige is nog niet hersteld, en het hulpverleningstraject bij De Gezinsmanager, gericht op het opstellen van een ouderschapsplan en contactherstel, zal pas in januari 2026 starten en een jaar duren. Daarnaast is er een diagnostisch onderzoek bij de minderjarige geweest dat een trager verwerkingsmechanisme vaststelde, waarvoor extra ondersteuning op school en mogelijk speltherapie wordt ingezet.

De vader stemt in met de verlenging en benadrukt het belang van een regiehouder. De moeder erkent de noodzaak maar vindt een verlenging van een half jaar voldoende. De kinderrechter oordeelt dat de ernstige ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige nog steeds bestaat, mede doordat het contact met de vader nog niet is hersteld en de hulpverlening nog in de opstartfase is. Vrijwillige hulpverlening bleek in het verleden onvoldoende effectief. Daarom wordt de ondertoezichtstelling verlengd van 14 februari 2026 tot 14 februari 2027 en wordt de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van de minderjarige met een jaar en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/443348 / JE RK 25-2288
Datum uitspraak: 10 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Jeugdbescherming Brabant, locatie Tilburg, gevestigd te Tilburg,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2019 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 22 december 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder;
  • een vertegenwoordigster van de GI;
  • een vertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de Raad.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij zijn moeder.
2.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] onder toezicht gesteld met ingang van 14 mei 2025 tot 14 februari 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI legt het volgende aan het verzoek ten grondslag. De GI is van mening dat er gedurende langere tijd gemonitord moet worden in hoeverre ouders bereid zijn om daadwerkelijk veranderingen door te voeren in de huidige situatie. Tot nu toe is dit onvoldoende gemonitord omdat er pas recent (in september 2025) een vaste jeugdbeschermer betrokken is. Nog niet duidelijk is hoe ouders en [minderjarige] gaan reageren op de veranderingen die er plaats gaan vinden. Het hulpverleningstraject bij de Gezinsmanager dat gericht zal zijn op het opstellen van een ouderschapsplan, verbetering van de oudercommunicatie en het contactherstel tussen de vader en [minderjarige] , zal pas in januari 2026 van start gaan. Tot op heden is er nog geen contact geweest tussen de vader en [minderjarige] . De GI wil dit op een zorgvuldige manier aanpakken vanwege de complexiteit van de zaak rondom het contact. Ter zitting is door de GI toegelicht dat het ouderschapsbemiddelingstraject bij De Gezinsmanager een jaar in beslag neemt. Voor de GI is het nu ook niet duidelijk hoe ouders zich zullen inzetten tijdens de hulpverlening. De hulpverlening vanuit [hulpverlening] voor [minderjarige] loopt nog steeds door. Deze is wel opgeschaald, vanwege een diagnostisch onderzoek bij [minderjarige] . Inmiddels is daaruit gekomen dat [minderjarige] een trager verwerkingsmechanisme heeft. Daarvoor zal op school ook ondersteuning ingeschakeld worden en/of wellicht speltherapie. De GI vindt het van belang dat alles goed gemonitord wordt om ouders en [minderjarige] goed en langere tijd te begeleiden in de veranderingen binnen de gezinsdynamiek en in het contact tussen [minderjarige] en de vader. In de afgelopen jaren is ook gebleken dat het opstarten van hulpverlening in het vrijwillig kader niet het probleem vormt, maar des te meer het volhouden ervan. Daarom verzoekt de GI de ondertoezichtstelling met een jaar te verlengen.
4.2.
De vader stemt in het met verzoek van de GI. Hij vindt het belangrijk dat er een regiehouder is over de situatie. Hij ervaart het als prettig dat er voor een langere periode wordt meegekeken. Er is iemand nodig om alles in goede banen te leiden. Verder wil vader nu liever langer investeren om een gedegen fundament te bouwen voor de toekomst.
4.3.
De moeder begrijpt de noodzaak van de verlenging van de ondertoezichtstelling, maar vindt de verzochte duur te lang. Moeder vindt een half jaar voldoende en wenst meer duidelijkheid.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd, omdat er nog steeds geen herstel van contact heeft plaatsgevonden tussen de vader en [minderjarige] . [minderjarige] heeft in een eerder stadium al te kennen gegeven dat hij contact wil met zijn vader. Voorts zijn de andere doelen van de ondertoezichtstelling nog niet behaald. De hulpverlening hiervoor bevindt zich nog in de opstartfase en onduidelijk is of deze hulpverlening succesvol zal zijn. Ook is de hulpverlening voor [minderjarige] opgeschaald en zal wellicht leiden tot aanvullende hulpverlening voor hem persoonlijk. Er zal nog een langere periode nodig zijn zodat ouders en [minderjarige] kunnen profiteren van de hulpverlening. Duidelijk is geworden dat het hulpverleningstraject bij De Gezinsmanager een jaar zal beslaan. De GI heeft tot op heden ook nog onvoldoende kunnen monitoren en aansturen, omdat nu nog niet duidelijk is of ouders goed meewerken met de hulpverlening en zij de veranderingen kunnen managen. Er is nog steeds een regievoerder nodig die de opgestarte hulpverlening verder in goede banen leidt en bijstuurt waar nodig. De kinderrechter benadrukt hierbij dat ouders aan zet zijn om hun gezamenlijk ouderschap, in welke vorm dan ook, verder vorm te geven zodat [minderjarige] een goed contact kan onderhouden met beide ouders. Beide ouders zullen zich hiervoor in moeten spannen. [minderjarige] heeft hulp nodig voor zichzelf in verband met zijn tragere verwerkingsmechanisme, maar het is niet in zijn belang dat hij op termijn daarnaast ook nog hulpverlening moet krijgen gericht op het zichzelf staande houden tussen twee ouders die zijn belang niet voorop weten te zetten.
5.3.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat in het verleden is gebleken dat hulpverlening onvoldoende werd volgehouden.
5.4.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar.
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 14 februari 2026 tot 14 februari 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2026 door mr Van de Kraats, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Mandemakers als griffier, en op schrift gesteld op 17 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.