Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
[oma vz], grootmoeder vaderszijde
1.Het verloop van de procedure
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 21 januari 2026;
- de brief van oma vz, ontvangen op 3 februari 2026.
2.De feiten
3.Het verzoek
4.De standpunten
5.De beoordeling
[datum] 2026om de GI in de gelegenheid te stellen nader onderzoek te verrichten. De kinderrechter verzoekt de GI om uiterlijk drie werkdagen voorafgaand aan de volgende zitting nadere informatie over te leggen ten aanzien van de hierna te noemen punten en indien nodig het verzoek aan te vullen dan wel aan te passen.
- Ziet de GI aanleiding om haar standpunten te herzien naar aanleiding van hetgeen ter zitting is besproken in combinatie met de overwegingen van de kinderrechter zoals hierboven uiteengezet?
- De huidige jeugdbeschermers dienen zelf een beeld te vormen van de huidige verhoudingen tussen vader, moeder en oma vz, ieders wensen over het verblijf van [minderjarige] zolang dat niet bij een van ouders is in kaart te brengen en zich daarbij te baseren op door hen zelf gevoerde gesprekken;
- Met spoed een herscreening door een andere pleegzorg instelling te laten uitvoeren, waarbij die pleegzorginstelling de screening uitvoert zonder enige voorkennis, waarbij de kinderrechter zich realiseert dat de GI tijdens de volgende zitting daarvan enkel de eerste bevindingen gereed zal hebben;
- Eventueel relevante verslagen van de betrokken hulpverlening waaruit de rol en betrokkenheid van oma vz blijkt op basis van gedegen onderzoek en/of regelmatige gesprekken;
- Een nadere aanvulling indien de GI dit, gelet op het voorgaande, noodzakelijk acht.
6.De beslissing
[datum] 2026 om [uur] ,welke behandeling wordt gehouden in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, Kousteensedijk 2, ten overstaan van mr. Voorn, kinderrechter, voor de duur van 45 minuten;
10 maart 2026;
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.