ECLI:NL:RBZWB:2026:1742

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
C/02/442475 JE RK 25-2116
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Triest
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:247 BWArtikel 2 Besluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling minderjarige wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging door huiselijk geweld en instabiliteit

De kinderrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 5 februari 2026 een beschikking gegeven tot ondertoezichtstelling van een minderjarige, geboren in 2021, voor de duur van een jaar. De minderjarige is ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd door langdurige conflicten, huiselijk geweld en onveiligheid in de opvoedsituaties bij beide ouders. De Raad voor de Kinderbescherming heeft een verzoek ingediend om de minderjarige onder toezicht te stellen, waarbij de gecertificeerde instelling (GI) de regie krijgt over de hulpverlening en de contactregeling tussen de minderjarige en zijn vader.

De feiten tonen aan dat de minderjarige oog- en oorgetuige is geweest van huiselijk geweld tussen de ouders en ook getuige is van geweld en ruzies in het huishouden van de vader met zijn huidige partner. Sinds een geweldsincident in maart 2025 is er een duidelijke toename van probleemgedrag bij de minderjarige, waaronder regressief gedrag en emotionele ontregeling. De ouders zijn niet in staat om zelfstandig de noodzakelijke hulp te organiseren en de conflicten tussen hen belemmeren de hulpverlening.

De kinderrechter oordeelt dat vrijwillige hulpverlening onvoldoende is en dat de ondertoezichtstelling noodzakelijk is om de veiligheid en ontwikkeling van de minderjarige te waarborgen. De GI krijgt de regie over de hulpverlening en de contactregeling, waarbij intensieve ondersteuning aan beide ouders wordt ingezet. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en wordt ingeschreven in het gezagsregister. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: De minderjarige wordt voor de duur van een jaar onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling vanwege ernstige ontwikkelingsbedreiging door huiselijk geweld en instabiliteit.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/442475 / JE RK 25-2116
Datum uitspraak: 5 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. L. van Baaren uit Rotterdam,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. T. Möller uit Tilburg.
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Tilburg, hierna te noemen de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 28 november 2025;
  • de stelbrief van mr. Möller van 10 december 2025;
  • de brief van de GI van 28 januari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 5 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder met haar advocaat;
  • de vader met zijn waarnemend advocaat mr. I.A.C. Cools;
  • een vertegenwoordiger van de Raad;
  • een vertegenwoordigster van de G.
1.3.
Gelet op de nauwe samenhang van het onderhavige verzoek met het door de vrouw ingediende verzoek met kenmerk C/02/421659 / FA RK 24-1937, zijn deze verzoeken ter zitting gezamenlijk behandeld. Op het verzoek in de zaak met kenmerk C/02/421659 / FA RK 24-1937 zal bij afzonderlijke beschikking worden beslist.

2.De feiten

2.1.
[minderjarige] is geboren uit de relatie tussen de vader en de moeder. [minderjarige] is erkend door de vader.
2.2.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.3.
[minderjarige] woont bij zijn moeder.
2.4.
Op 14 november 2022 hebben ouders onder begeleiding van De Gezinsmanager
afspraken vastgelegd omtrent de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . De afspraken over de zorgregeling luiden als volgt:
[minderjarige] verblijft in even weken bij moeder en in de oneven weken bij vader. Het wisselmoment vindt op maandag plaats. De ouder waar [minderjarige] op maandagochtend verblijft brengt [minderjarige] naar het kinderdagverblijf/school en de andere ouder haalt hier [minderjarige] in de middag weer op. Wanneer het wisselmoment niet op school/kinderdagverblijf kan plaatsvinden dan zal het wisselmoment plaatsvinden op een neutrale plaats, eventueel door een derde.
2.5.
Op 12 juni 2024 heeft de voorzieningenrechter het volgende bepaald:
- [minderjarige] zal als volgt bij vader verblijven:
o gedurende een opbouwfase vanaf 5 juni 2024:
- de eerste twee achtereenvolgende weken woensdag uit het kinderdagverblijf tot donderdag 17:00 uur, waarbij vader [minderjarige] terugbrengt naar moeder;
- de twee daaropvolgende oneven weken van maandag uit het kinderdagverblijf tot vrijdagochtend naar het kinderdagverblijf;
o na afloop van de opbouwfase de zorgregeling zoals door ouders vastgelegd op 14 november 2022, inhoudende:
  • in de oneven weken verblijft [minderjarige] bij vader en in de even weken bij moeder, waarbij het wisselmoment plaatsvindt op maandag en de ouder waar [minderjarige] op maandagochtend verblijft hem naar het kinderdagverblijf/ school brengt en de andere ouder [minderjarige] hem daar in de middag weer ophaalt;
  • wanneer het wisselmoment niet op school/kinderdagverblijf kan plaatsvinden dan zal het wisselmoment plaatsvinden op een neutrale plaats, eventueel door een derde;
- verwijst ouders en [minderjarige] voor een (jeugd)hulptraject naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Midden-Brabant;
- verzoekt de Raad wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, onderzoek in te stellen ter beantwoording van de door de voorzieningenrechter gestelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren.
2.6.
Op 23 mei 2025 heeft de voorzieningenrechter het volgende bepaald:
- dat [minderjarige] weer bij de man zal gaan verblijven vanaf 28 mei 2025 als volgt:
- op woensdag 28 mei 2025 en op woensdag 4 juni 2025 na school tot donderdag (29 mei en 5 juni) 17.00 uur, waarbij de man of diens partner [minderjarige] terugbrengt naar de vrouw;
- van woensdag 11 juni 2025 na school tot vrijdag aanvang school;
- vanaf 16 juni 2025 (week 25) zal de zorgregeling, zoals deze door partijen is vastgelegd op 14 november 2022, weer in volle omvang worden hervat, te weten als volgt:
- in de oneven weken verblijft [minderjarige] bij de man en in de even weken bij de vrouw, waarbij het wisselmoment plaatsvindt op de maandag en waarbij de ouder bij wie [minderjarige] op maandagochtend verblijft hem naar het kinderdagverblijf/de school brengt en waarbij de andere ouder [minderjarige] daar in de middag weer ophaalt. Wanneer het wisselmoment niet op de school/het kinderdagverblijf kan plaatsvinden dan zal het wisselmoment plaatsvinden op een neutrale plaats, eventueel uitgevoerd door een derde;
  • dat de vrouw voor iedere keer dat zij weigert mee te werken aan de regeling zoals deze hiervoor bepaald, aan de man een dwangsom verbeurt van € 250,- met een maximum van € 5.000,-;
  • uitvoerbaar bij voorraad.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De Raad baseert het verzoek op het volgende. [minderjarige] wordt ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. [minderjarige] is opgegroeid in een opvoedsituatie waarin er langdurig sprake is geweest van conflicten tussen zijn ouders, instabiliteit van zijn opvoeders en onveiligheid in beide opvoedsituaties. [minderjarige] is oor- en ooggetuige geweest van huiselijk geweld tussen de ouders. [minderjarige] vertelt ook dat hij getuige is van ruzies en geweld tussen de vader en zijn huidige partner. [minderjarige] vertelt verder dat de vader tegen hem schreeuwt en aan zijn oren trekt. De signalen die [minderjarige] laat zien, duiden op stress en trauma’s. Sinds het geweldsincident op 3 maart 2025 heeft [minderjarige] een terugval laten zien in probleemgedrag. Zijn uitgesproken wens om niet meer naar de vader te willen, duidt mogelijk op het ervaren van onveiligheid, emotionele overbelasting en mogelijke loyaliteitsdruk. Gedurende het onderzoek is er onvoldoende zicht gekomen op de opvoedkwaliteiten van de ouders en hun emotionele beschikbaarheid. De verklaringen van de ouders staan lijnrecht tegenover elkaar. Volgens de Raad zal de vader aantoonbaar moeten leren omgaan met agressie, impulsiviteit en relationele spanningen. Het stoppen van de ruzies en grensoverschrijdend gedrag in zijn thuissituatie is een urgente voorwaarde voor de veiligheid van [minderjarige] . Ten aanzien van de moeder moet duidelijk worden hoe het gesteld is met haar psychische kwetsbaarheid, traumaverwerking en het aanbrengen van structuur in haar opvoedsituatie. Door de verstoorde verstandhouding tussen de ouders en het opgelegde straat- en contactverbod, zijn zij niet in staat om in onderling overleg de beslissingen over [minderjarige] te nemen. Hierdoor stagneert de hulpverlening aan [minderjarige] en heeft deze onvoldoende effect. Volgens de Raad is het dan ook dringend noodzakelijk dat [minderjarige] onder toezicht van de GI wordt gesteld en dat deze de regie gaat voeren over de hulpverlening die nodig is en de manier waarop er contact is tussen [minderjarige] en de vader. De Raad verwacht dat er intensieve hulp nodig is voor herstel van beide opvoedsituaties. Volgens de Raad zullen de ouders het traject ‘complexe scheidingen’ bij Sterk Huis moeten volgen. Ook zal er intensieve opvoedondersteuning moeten worden ingezet. De Raad licht nog toe dat het niet zo is dat de zorgen over beide opvoedsituaties gelijkwaardig zijn. Volgens de Raad bagatelliseert de vader de ernst van de situatie. Een groot deel van de verantwoordelijkheid van de ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige] ligt bij de vader.
4.2.
De moeder staat in eerste instantie afwijzend tegenover het verzoek van de Raad. Volgens haar is de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] gelegen in de agressie van de man en niet in haar manier van opvoeden. De moeder is met school actief bezig om voor [minderjarige] hulp in te schakelen. De moeder vreest dat een ondertoezichtstelling uiteindelijk zal leiden tot een uithuisplaatsing van [minderjarige] . Volgens de moeder gaat het niet goed met [minderjarige] . Hij plast nog elke dag in bed. Ook is hij agressief naar andere kinderen en heeft hij nachtmerries. Op korte termijn zal [minderjarige] starten met speltherapie. De moeder staat zelf op een wachtlijst voor traumatherapie. Door het geweldsincident met de vader van 3 maart 2025 heeft de moeder permanente letselschade opgelopen. Hiervoor zal zij nog een revalidatietraject moeten volgen. Volgens de moeder zegt [minderjarige] tegen haar dat hij niet naar zijn vader wil gaan omdat hij daar veel straf krijgt. [minderjarige] heeft veel moeite om te schakelen tussen de opvoedsituaties van de ouders. De moeder wil niet dat [minderjarige] nog langer moet opgroeien in een situatie waarin geweld wordt gebruikt. Dit is voor haar juist de reden geweest om de relatie met de vader te verbreken. De moeder zou graag zien dat [minderjarige] een fijne band met zijn vader heeft, maar alleen als dat op een veilige manier kan. Het is volgens de moeder belangrijk dat de vader hulp krijgt om zijn agressie te beheersen. Na overleg met haar advocaat stemt de vrouw in met het verzoek van de Raad. Zij vindt het belangrijk voor [minderjarige] dat er zicht komt op zijn situatie en dat er goed gekeken gaat worden naar wat er passend voor hem is. Ook vindt zij het belangrijk dat de contacten tussen [minderjarige] en de vader voortaan begeleid worden.
4.3.
De vader is het niet eens met alle verwijten aan zijn adres. Volgens de vader is de Raad in het rapport kritisch over beide ouders. De vader heeft de indruk dat de moeder [minderjarige] in een loyaliteitsconflict drukt. De vader wil dat [minderjarige] vrij is om te zeggen wat hij wil. De vader erkent dat er in het verleden dingen niet goed zijn gegaan. Hij beseft dat hij aan zichzelf moet gaan werken. Maar hij vindt het ook belangrijk, dat de verwijten die hem worden gemaakt, worden ontkracht. De vader stemt in met het verzoek van de Raad. Hij vindt het in het belang van [minderjarige] dat er een professionele derde gaat meekijken. De vader zou elk verwijt dat hem wordt gemaakt kunnen weerleggen, maar vindt dat niet zinvol voor [minderjarige] . Hij vindt het belangrijker dat de opvoedsituaties van beide ouders in kaart worden gebracht. Daarbij moet er ook goed gekeken worden naar de manier waarop de moeder met de vader communiceert of hem juist blokkeert. Volgens de vader laat [minderjarige] op school agressie zien als hij bij de moeder is. De GI kan de oorzaak hiervan onderzoeken en partijen adviseren hoe hier mee om te gaan. Een ondertoezichtstelling van [minderjarige] is volgens de vader dan ook essentieel.
4.4.
De GI heeft de stukken gelezen en heeft de casus op basis daarvan prioriteit categorie Rood gegeven. Er zijn zorgelijke signalen over huiselijk geweld en fysieke correcties in de opvoedsituatie bij de vader. Het is belangrijk dat daar zicht op komt. Binnen vijf dagen zal de GI de zaak oppakken. Vervolgens zal er binnen zes weken een plan van aanpak gemaakt worden. Er zal in ieder geval een veiligheidsinschatting moeten worden gemaakt voor beide opvoedsituaties. Ook moet er zo spoedig mogelijk intensieve hulpverlening bij beide ouders ingezet worden. De GI zal hiervoor een goede zorgaanbieder benaderen. In de opstartfase zal het Landelijk Expertise Team worden meegenomen. Gelet op de zorgen die er zijn, zou de GI graag de regie willen krijgen over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, zodat deze daar waar nodig aangepast kan worden.

5.De beoordeling

5.1.
In artikel 1:255 van Pro het Burgerlijk Wetboek is bepaald dat de kinderrechter een minderjarige onder toezicht kan stellen van een GI, als een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW in staat zijn te dragen.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. Zij heeft kennis genomen van de stukken en van de standpunten van de ouders, de Raad en de GI. Op basis hiervan maakt de kinderrechter zich ernstige zorgen om het welzijn van [minderjarige] en vindt zij het dringend noodzakelijk dat [minderjarige] de hulp gaat krijgen die hij nodig heeft. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt ernstig bedreigd. Uit het onderzoek van de Raad komt naar voren dat [minderjarige] is opgegroeid in een situatie waarin hij gedurende langere tijd is blootgesteld aan structurele spanningen, onveiligheid en instabiliteit binnen beide thuissituaties. In het verleden is sprake geweest van huiselijk geweld tussen de ouders, waarbij vaststaat dat [minderjarige] op jonge leeftijd daarvan oor- en ooggetuige is geweest. Daarnaast vertelt hij dat er in de woning van vader en diens partner ruzies – met geweld – plaatsvinden die voor hem beangstigend zijn. Hoewel [minderjarige] aangeeft niet door vader te worden geslagen, vertelt hij wel dat vader tegen hem schreeuwt en hem aan zijn oren trekt. Sinds het geweldsincident tussen de ouders van 3 maart 2025 zien de school, de BSO en de moeder een duidelijke toename in [minderjarige] ’s ontregelde gedrag. Hij reageert sneller boos, schreeuwt, duwt en slaat, verdraagt correcties moeilijk en heeft moeite met het reguleren van zijn emoties. Daarnaast vertoont hij regressief gedrag, zoals het niet meer zindelijk zijn, slaapproblemen en angstige reacties/nachtmerries. Deze signalen passen bij een kind dat langdurig is blootgesteld aan onveiligheid en dat onvoldoende gelegenheid heeft gehad om spanningen te verwerken. Zijn uitspraken over geweld en ruzies in de opvoedsituatie bij zijn ouders samen en in die van de vader met zijn partner, bevestigen dat hij niet veilig opgroeit. [minderjarige] geeft bij de Raad nadrukkelijk aan dat hij niet langer naar de vader wil. Deze uitspraken komen waarschijnlijk voort uit een gevoel van onveiligheid en/of angst. [minderjarige] moet de ruimte en de gelegenheid krijgen om zijn trauma’s te verwerken. Hij wil een band met zijn vader, maar ziet anderzijds de conflicten en het geweld tussen zijn vader en zijn moeder en tussen zijn vader en zijn huidige partner. Voor [minderjarige] is het belangrijk dat hij gesteund en ondersteund wordt en dat hij veilig opgroeit, zonder trauma’s en zonder geweld. Er moet gewerkt worden aan een situatie waarin [minderjarige] van zijn beide ouders kan houden en dat er onbelast, veilig en stabiel contact met hen beiden is. Hij moet de kans krijgen om de nare gebeurtenissen die hij in zijn jonge leventjes al heeft meegemaakt, te verwerken. Voor de moeder is het van belang dat zij ondersteuning krijgt in haar ouderrol. Zij zal moeten leren om zelf rustig te reageren en om [minderjarige] trauma-sensitief te benaderen. Ook moet zij ondersteund worden in het contact met de vader .De vader moet gaan werken aan het zijn van een goed voorbeeld voor [minderjarige] . Hij moet leren om zijn emoties te reguleren, te reageren zonder agressie en, net als de moeder, trauma-sensitief met [minderjarige] om te gaan. Hij moet leren een ouder te zijn tegen wie [minderjarige] kan opkijken en die weet hoe hij op een juiste manier met een partner en/of een ex-partner om moet gaan.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] kan naar het oordeel van de kinderrechter niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De moeder is zeer betrokken op [minderjarige] , maar haar psychisch welzijn is kwetsbaar, gelet op de trauma’s die zij heeft opgelopen. Hierdoor heeft zij moeite met het organiseren van een consistente dagstructuur voor [minderjarige] . Daarnaast bestaan er zorgen over mogelijk middelengebruik bij de moeder, waarvan onduidelijk is in hoeverre dit effect heeft op haar alertheid, stabiliteit en beschikbaarheid als opvoeder. Bij de vader ontbreekt het inzicht in zijn opvoedvaardigheden. De vader heeft grote moeite om zijn agressie te beheersen, zelfs na het volgen van agressieregulatietherapie. Ook zijn er bij de vader vermoedens van middelengebruik, al zegt hij nu volledig clean te zijn. [minderjarige] doet zeer zorgelijke uitspraken over ruzies en geweld tussen de vader en zijn huidige partner. Ook de momenten van harde begrenzing richting [minderjarige] roepen vragen op over de veiligheid en emotionele beschikbaarheid in de opvoedsituatie bij de vader. Het nemen van beslissingen over [minderjarige] leidt regelmatig tot conflicten en procedures tussen de ouders, wat de onvoorspelbaarheid en spanning in zijn nog jonge leven vergroot. De conflicten tussen de ouders zijn voor [minderjarige] zeer ingrijpend en vormen een voortdurende bron van stress. De kinderrechter ziet in het verloop van de huidige hulpverleningsgeschiedenis aanleiding om aan te nemen dat de ouders van [minderjarige] niet zelfstandig in staat zijn om aan hun persoonlijke problematiek en om aan die van [minderjarige] te werken. De ondertoezichtstelling van [minderjarige] is daarom dringend noodzakelijk. Gelet op de ernst van de problematiek en de verwachte duur van de inzet van hulpverlening om tot verbetering te komen, acht de kinderrechter een ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar passend.
5.3.
De doelen waaraan gewerkt moet worden zijn de volgende:
- [minderjarige] heeft alle nare gebeurtenissen en ervaringen verwerkt en een plek kunnen geven.
- Er is volledig zicht op de veiligheid, stabiliteit en dagelijkse opvoedomstandigheden bij beide ouders.
- De ouders beschikken over voldoende opvoedvaardigheden en emotionele beschikbaarheid om [minderjarige] veilig en voorspelbaar op te voeden.
- De ouders kunnen hun emoties reguleren en belasten [minderjarige] niet langer met negatieve uitspraken of gevoelens over de andere ouder.
- De loyaliteitsdruk op [minderjarige] is verminderd en hij voelt zich vrij om loyaal te zijn aan beide ouders.
- Eventueel middelengebruik in beide huishoudens is in kaart gebracht en behandeld indien nodig.
- Alle ruzies en vermeend geweld in de thuissituatie van vader, waarover [minderjarige] zelf spreekt, zijn volledig gestopt.
- De ouders kunnen beslissingen nemen in het belang van [minderjarige] .
5.4.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [1]
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter vindt het in het belang van [minderjarige] dat de ondertoezichtstelling, waar door de GI code rood aan is gegeven, direct van start gaat en dat er direct een stevig veiligheidsplan gemaakt wordt om verdere traumatisering van [minderjarige] te voorkomen.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 5 februari 2026 tot 5 februari 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2026 door mr. Van Triest, kinderrechter, in aanwezigheid van Joosen als griffier, en op schrift gesteld op 18 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.