Eiser kocht op 27 mei 2024 via een openbare veiling een aluminium reddingssloep met motor voor €11.000. Bij de eerste vaartocht op 3 juni 2024 braken de motorsteunen af. Eiser stelde dat de boot non-conform was en vorderde schadevergoeding van gedaagde, inclusief kosten en rente. Gedaagde bood meerdere malen kosteloos herstel aan, maar eiser weigerde dit en liet de boot zelf onderzoeken zonder gedaagde in te lichten.
De kantonrechter oordeelde dat het herroepingsrecht niet van toepassing was, maar dat eiser gedaagde eerst een redelijke termijn had moeten bieden om de boot te herstellen of te vervangen. Omdat eiser dit niet had gedaan en het herstelaanbod had afgewezen, was gedaagde niet in verzuim. Hierdoor was de vordering van eiser niet toewijsbaar.
Eiser werd veroordeeld in de proceskosten van €947, inclusief nakosten, en de wettelijke rente hierover. Het vonnis werd gewezen door mr. Van Dam en op 14 januari 2026 in het openbaar uitgesproken.