ECLI:NL:RBZWB:2026:1750

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
23/10401
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 lid 8 Wet BPM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering naheffingsaanslag BPM en toekenning immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding

Belanghebbende heeft op 20 maart 2022 aangifte gedaan voor de inschrijving van een Renault Trafic Passenger 2.0 en daarbij BPM betaald. De inspecteur legde een naheffingsaanslag op van € 6.256, gebaseerd op een hertaxatie door DRZ die een hogere waarde vaststelde dan de taxatie van belanghebbende.

De rechtbank oordeelt dat de afschrijving niet kan worden gebaseerd op de taxatiemethode wegens onvoldoende bewijs van meer dan normale gebruiksschade. Wel wordt het beroep op de historische nieuwprijs gegrond verklaard, waarbij de CO2-uitstoot van de auto zelf bepalend is. De handelsinkoopwaarde wordt vastgesteld op basis van de koerslijst AutotelexPro.

De naheffingsaanslag wordt verminderd tot € 4.610. Daarnaast kent de rechtbank een immateriële schadevergoeding toe van € 1.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarvan een deel voor rekening van de inspecteur en een deel voor de Staat komt. Tevens worden proceskosten en griffierecht aan belanghebbende vergoed.

Uitkomst: De naheffingsaanslag BPM wordt verminderd en belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/10401
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 12 maart 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof, Bothof Services B.V.),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 12 oktober 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 6.256 (de naheffingsaanslag).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 29 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V., en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Tevens beoordeelt de rechtbank of belanghebbende recht heeft op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank beoordeelt dit aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag dient te worden verlaagd. Tevens heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende heeft op 20 maart 2022 aangifte gedaan ter zake van de inschrijving van een Renault Trafic Passenger 2.0 met VIN-nummer [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 8.274.
4.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd.
4.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). De inspecteur heeft belanghebbende schriftelijk geïnformeerd dat hij voornemens is een naheffingsaanslag op te leggen. De inspecteur heeft naar aanleiding van de bevindingen van DRZ het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm € 14.530 bedraagt en de naheffingsaanslag opgelegd.

Motivering

Afschrijvingsmethode
4.3.
Indien sprake is van een voertuig met meer dan normale gebruiksschade of indien sprake is van een voertuig dat niet voorkomt op een in de handel algemeen toegepaste koerslijst mag de afschrijving worden bepaald aan de hand van een taxatierapport. [1]
Toepassing taxatiemethode
4.4.
De taxateur van belanghebbende heeft schade aan de auto geconstateerd van € 9.710 en daarvan 94%, zijnde € 9.100, in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat – gebaseerd op een marktonderzoek – van € 26.100.
4.5.
De taxateur van DRZ heeft geen schade aan de auto geconstateerd en opgemerkt dat de opgegeven schadeposities niet zijn aangetroffen dan wel als gebruikssporen zijn aangemerkt. De handelsinkoopwaarde heeft de taxateur van DRZ bepaald aan de hand van de koerslijst AutotelexPro op € 30.117.
4.6.
De bewijslast voor een waardevermindering wegens schade rust op belanghebbende. Belanghebbende heeft hiervoor verwezen naar haar taxatierapporten en de bijbehorende foto’s. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, aan de hand van de taxatierapporten en de foto’s niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de auto circa twee jaar oud was en bijna 33.500 kilometer had gereden. Dit brengt mee dat de afschrijving voor de auto in het onderhavige geval niet kan plaatsvinden aan de hand van de taxatiemethode op de grond dat sprake is van schade. Voor dat geval is tussen partijen niet in geschil dat de auto niet voorkomt in een koerslijst zodat de taxatiemethode om die reden alsnog van toepassing is.
Historische nieuwprijs
4.7.
Belanghebbende heeft een beroep gedaan op het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023 [2] en gesteld dat de historische nieuwprijs van de auto gesteld moet worden op € 59.665, gebaseerd op een netto catalogusprijs van € 28.215 vermeerderd met € 5.925 btw en € 25.525 bruto bpm. De netto catalogusprijs is conform de door DRZ vastgestelde netto catalogusprijs. De rechtbank ziet in het geringe verschil in CO2-uitstoot van de referentieauto waarop deze netto catalogusprijs is gebaseerd, geen aanleiding om hiervan af te wijken. Verder dient voor het bepalen van de historische nieuwprijs te worden uitgegaan van de CO2-uitstoot van de auto zelf, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023. In zoverre is het beroep gegrond.
Handelsinkoopwaarde
4.8.
Belanghebbende doet een beroep op het door haar taxateur uitgevoerde marktonderzoek ter vaststelling van de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat.
4.9.
De door belanghebbende betoogde handelsinkoopwaarde is naar het oordeel van de rechtbank niet bruikbaar. De handelsinkoopmarge van 40% is niet onderbouwd en ook is niet onderbouwd in hoeverre de referentieauto’s vergelijkbaar zijn en rekening is gehouden met verschillen met de auto.
4.10.
Belanghebbende bepleit subsidiair een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 30.117 zoals volgt uit de koerslijst AutotelexPro die door DRZ bij de hertaxatie is gebruikt (zie 4.2).
4.11.
De inspecteur heeft gewezen op het verschil in CO2-uitstoot van 14 gr/km tussen de auto en de referentieauto en gesteld dat een hogere CO2-uitstoot van de auto betekent dat de auto meer opties heeft die leiden tot een hogere CO2-uitstoot. Volgens de inspecteur leidt een hogere historische nieuwprijs ook tot een hogere handelsinkoopwaarde.
4.12.
De rechtbank overweegt als volgt. Het uitgangspunt is dat de werkelijke waardedaling voldoende wordt benaderd. Hiertoe heeft de deskundige van de inspecteur aansluiting gevonden bij de meest vergelijkbare auto volgens de koerslijst AutotelexPro. De rechtbank ziet in het geringe verschil in CO2-uitstoot geen aanleiding om af te wijken van de waarde in deze koerslijst.
Hoogte naheffingsaanslag
4.13.
Het voorgaande brengt mee dat de naheffingsaanslag als volgt dient te worden verminderd.
Historische nieuwprijs
€ 59.665
Handelsinkoopwaarde voor schade
€ 30.117
Schade
€ -
Handelsinkoopwaarde na schade
€ 30.117
Afschrijving
€ 29.548
Bruto historische Bpm
€ 25.525
Afschrijvingspercentage
49,5232%
Afschrijving
€ 12.641
Verschuldigde Bpm
€ 12.884
Voldaan op aangifte
€ 8.274
Naheffing
€ 4.610
Immateriële schadevergoeding
4.14.
Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
4.15.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 30 november 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 12 maart 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 16 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.500.
4.16.
Omdat de bezwaarfase afgerond 11 maanden heeft geduurd en daarmee 5 maanden te lang, komt 5/16 deel, derhalve € 469 voor de rekening van de inspecteur en de rest, zijnde € 1.031 voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar.
5.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van haar proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen.
5.2.
Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 4.610;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 469;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.031;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.200 aan proceskosten aan belanghebbende;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 365 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Wiskerke-Hovanesian, griffier, op 12 maart 2026.
griffier
rechter
Deze uitspraak is enkel door de griffier ondertekend aangezien de rechter is verhinderd om te ondertekenen.
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 10, lid 8, van de Wet Bpm.