ECLI:NL:RBZWB:2026:1751

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
23/9447
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Wet BPMArt. 8 lid 4 Uitvoeringsregeling BPMBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling naheffingsaanslag BPM en immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag BPM van €1.475 die de inspecteur oplegde vanwege een hogere vastgestelde CO2-uitstoot dan door belanghebbende opgegeven. De rechtbank beoordeelt of de aanslag terecht is opgelegd en of belanghebbende recht heeft op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

De rechtbank oordeelt dat het taxatierapport van belanghebbende niet buiten beschouwing kan blijven, maar dat de inspecteur terecht uitgaat van een CO2-uitstoot van 172 gr/km zoals vastgesteld door de RDW. Belanghebbende heeft onvoldoende onderbouwd dat de CO2-uitstoot lager moet zijn en heeft ook de handelsinkoopwaarde niet aannemelijk gemaakt. De naheffingsaanslag is daarom terecht en niet te hoog vastgesteld.

Wel is de redelijke termijn van twee jaar voor de afhandeling van het bezwaar met ongeveer 18 maanden overschreden. De rechtbank kent daarom een immateriële schadevergoeding van €1.500 toe, waarvan een deel voor rekening van de inspecteur en een deel voor de Staat komt. Tevens worden proceskosten voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding toegekend. Het beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard, maar belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/9447
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 12 maart 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof, verbonden aan Bothof Services B.V.),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 4 augustus 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 1.475 aan verschuldigde Bpm (de naheffingsaanslag).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 29 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V., en namens de inspecteur, mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Tevens beoordeelt de rechtbank of belanghebbende recht heeft op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank beoordeelt dit aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende heeft op 7 januari 2022 aangifte gedaan ter zake van de inschrijving van een KIA Stonic-1.0T-GDI Executive Line met VIN-nummer [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 1.371. In de aangifte is een CO2-uitstoot vermeld van 138 gr/km. [1]
4.1.
Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd.
4.2.
De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat de CO2-uitstoot van de auto 172 gr/km is, conform de vaststelling door de RDW. De historische bruto bpm moet dan worden vastgesteld op € 9.682 (tarief 1 juli 2020) en de verschuldigde bpm op € 2.846. Naar aanleiding hiervan heeft de inspecteur de naheffingsaanslag opgelegd. Daarbij is de inspecteur uitgegaan van de historische nieuwprijs en de handelsinkoopwaarde zoals vermeld in de aangifte.
4.3.
Tot de gedingstukken behoort de inkoopfactuur van de auto waarop is vermeld dat de koopprijs van de auto € 18.500 (exclusief btw) bedraagt.

Motivering

Toepassing taxatiemethode
4.4.
De inspecteur heeft onder meer gesteld dat het door belanghebbende bij het doen van de aangifte overgelegde taxatierapport niet kan dienen voor het vaststellen van de handelsinkoopwaarde van de auto, omdat het taxatierapport niet conform artikel 8, lid 4, aanhef en letter b, Uitvoeringsregeling bpm (Uitv.reg. BPM) is opgemaakt ten hoogste één maand voor het tijdstip dat de belasting ingevolge artikel 1 Wet Pro op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Wet BPM) is verschuldigd, in de staat waarin het motorrijtuig op dat tijdstip verkeert. [2]
4.5.
De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat het taxatierapport op 5 januari 2022 is opgemaakt. De taxateur heeft in het rapport vermeld dat hij de auto op 3 december 2021 van 10:30 uur tot 10:45 uur heeft geïnspecteerd. Nu het taxatierapport niet ouder is dan één maand, ziet de rechtbank geen aanleiding om het taxatierapport buiten de beschouwing te laten. Hetgeen de inspecteur verder heeft aangevoerd ten aanzien van de het taxatierapport kan niet leiden tot een ander oordeel. Wel kunnen gebreken in het taxatierapport gevolgen hebben voor de bewijskracht die aan het taxatierapport toekomt.
4.6.
In het door belanghebbende overgelegde taxatierapport heeft de taxateur een waardevermindering van € 19.898 vanwege schade in aanmerking genomen. De inspecteur heeft geen taxatierapport overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur onvoldoende betwist dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. Ook is tussen partijen niet in geschil dat de auto niet voorkomt in een koerslijst. De taxatiemethode kan daarom worden toegepast.
Standpunten van partijen met betrekking tot de historische nieuwprijs en de handelsinkoopwaarde
4.7.
Belanghebbende heeft een beroep gedaan op het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023 en gesteld dat de historische nieuwprijs van de auto gesteld moet worden op € 42.793, gebaseerd op een netto catalogusprijs van € 18.665 vermeerderd met € 3.919 btw en € 20.209 bruto bpm.
4.8.
Belanghebbende heeft met betrekking tot de handelsinkoopwaarde gesteld dat in afwijking van haar standpunt ten aanzien van de historische nieuwprijs, de CO2-uitstoot lager is dan hetgeen door de RDW is vastgesteld (zie 4.2). Ter zitting heeft belanghebbende verder aangevoerd dat bij de RDW een verzoek is gedaan om de vaststelling van de CO2-uitstoot te verlagen, maar dat op dit verzoek nog een reactie moet volgen. Tevens heeft belanghebbende ter zitting gesteld dat het verschil in CO2-uitstoot veroorzaakt is omdat de auto middels de Scandinavische meetmethode gemeten is. Voor het vaststellen van de handelsinkoopwaarde is het in het taxatierapport vermelde referentievoertuig daarom voldoende vergelijkbaar.
4.9.
De inspecteur heeft verklaard dat bij het opleggen van de naheffingsaanslag enkel de CO2-uitstoot is beoordeeld. In de bezwaar- en beroepsfase heeft de inspecteur zich op het standpunt gesteld dat ook de andere elementen voor de berekening van de bpm ter discussie moeten worden gesteld en dat de naheffingsaanslag eerder te laag dan te hoog is vastgesteld.
4.10.
Met betrekking tot de CO2-uitstoot heeft de inspecteur betwist dat door belanghebbende een verzoek tot wijziging is gedaan bij de RDW en dat de CO2-uitstoot lager moet worden vastgesteld, nu ten aanzien hiervan geen stukken zijn overgelegd ter onderbouwing van belanghebbendes standpunt. Uitgaande van een CO2-uitstoot van de auto van 172 gr/km heeft de inspecteur gewezen op het grote verschil in CO2-uitstoot van de auto en het referentievoertuig en gesteld dat dit verschil onder meer voortkomt uit extra opties van de auto, hetgeen moet leiden tot een hogere handelsinkoopwaarde. Ook kan het referentievoertuig volgens de inspecteur niet dienen ter onderbouwing van de netto catalogusprijs. Verder heeft de inspecteur gewezen naar de inkoopfactuur van de auto (zie 4.3) en zich op het standpunt gesteld dat de handelsinkoopwaarde (in beschadigde staat) zoals aangegeven in de aangifte niet juist kan zijn.
Beoordeling door de rechtbank
4.11.
Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk dat de CO2-uitstoot van de auto lager moet worden vastgesteld dan 172 gr/km. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de CO2-uitstoot is vastgesteld door de RDW en dat belanghebbende haar stellingen dat de CO2-uitstoot lager moet zijn, niet nader heeft onderbouwd. Verder heeft belanghebbende de door haar voorgestane handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat niet aannemelijk gemaakt, gelet op het grote verschil in CO2-uitstoot tussen de auto en het referentievoertuig. De rechtbank acht aannemelijk dat dit verschil ten minste deels moet zijn veroorzaakt door extra opties van de auto, leidend tot een hogere waarde. Belanghebbende heeft (mede) daardoor ook de door haar gestelde handelsinkoopwaarde in beschadigde staat van € 8.287 niet aannemelijk gemaakt. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking het verschil tussen de aankoopprijs van de auto van € 18.500 (exclusief btw) en de door belanghebbende bepleitte handelsinkoopwaarde. De rechtbank acht gelet op de inkoopfactuur ook niet aannemelijk dat alle in het taxatierapport vermelde schade in aanmerking moet worden genomen. Zelfs indien de historische nieuwprijs zou worden vastgesteld conform het standpunt van belanghebbende, dan heeft belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat moet worden vastgesteld op een zodanig bedrag dat dit tot een verlaging van de verschuldigde bpm leidt. Ook indien de afschrijving zou zijn gebaseerd op de forfaitaire tabel, is de naheffingsaanslag niet te hoog opgelegd. De naheffingsaanslag is daarom niet tot een te hoog bedrag opgelegd.
Immateriële schadevergoeding
4.12.
Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
4.13.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 30 september 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 12 maart 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 18 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.500.
4.14.
Omdat de bezwaarfase afgerond 11 maanden heeft geduurd en daarmee 5 maanden te lang, komt 5/18 deel, derhalve € 417 voor de rekening van de inspecteur en de rest, zijnde € 1.083 voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding van € 1.500.
5.1.
Omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van haar proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 934 en wegingsfactor 0,25 [3] , wat neerkomt op € 233,50. De Staat en de inspecteur moeten die kosten ieder voor de helft vergoeden.
5.2.
Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed. Het verzoek om immateriële schadevergoeding is weliswaar gedaan voor het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 [4] maar de redelijke termijn was op deze datum nog niet overschreden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 417;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 1.083;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende;
- veroordeelt de Staat tot betaling van € 116,75 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Wiskerke-Hovanesian, griffier, op 12 maart 2026.
griffier
rechter
Deze uitspraak is enkel door de griffier ondertekend aangezien de rechter is verhinderd om te ondertekenen.
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Op basis van WLTP-meetmethode.
2.Wettekst 2022.
3.Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
4.Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, rov. 7.1.1 en 7.1.2.