ECLI:NL:RBZWB:2026:1752
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling naheffingsaanslag BPM en immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
Belanghebbende heeft een naheffingsaanslag BPM ontvangen van €4.533, gebaseerd op een hertaxatie door Dienst Domeinen Roerende Zaken, die een hogere waarde vaststelde dan de door belanghebbende opgegeven taxatiewaarde. De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd omdat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de lagere taxatiewaarde juist is, mede vanwege onvoldoende onderbouwing van de CO2-uitstootverschillen en de schadewaardering.
De rechtbank bespreekt uitgebreid de toepasselijkheid van de taxatiemethode, de afschrijvingspercentages en de waardering van schade, waarbij zij het standpunt van de inspecteur volgt dat de handelsinkoopwaarde niet automatisch verhoogd wordt bij een hogere historische nieuwprijs. Ook wordt het verschil in CO2-uitstoot als relevant voor de waardebepaling beschouwd.
Daarnaast heeft belanghebbende een verzoek ingediend voor immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank constateert een overschrijding van ongeveer 18 maanden en kent een vergoeding van €1.500 toe, waarvan een deel voor rekening van de inspecteur en een deel voor de Staat komt. Tevens worden proceskosten voor het indienen van dit verzoek deels toegewezen.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wijst de naheffingsaanslag toe, maar kent de immateriële schadevergoeding en een deel van de proceskosten toe aan belanghebbende.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard, maar belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.