ECLI:NL:RBZWB:2026:176

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
11396308 \ CV EXPL 24-3839 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Swaanen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 6:136 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling factuur geweigerd door beroep op verrekening faalt

Eiser heeft werkzaamheden verricht voor gedaagde en factureerde een bedrag van €7.514,10 inclusief btw. Gedaagde erkent de werkzaamheden en de factuur, maar stelt een tegenvordering in via verrekening wegens werkzaamheden aan de boot van eiser, stallingskosten en huurgeld van een loods. De rechtbank oordeelt dat het beroep op verrekening niet slaagt omdat de tegenvorderingen onvoldoende onderbouwd, niet opeisbaar of niet eenvoudig vast te stellen zijn.

De rechtbank stelt vast dat gedaagde de factuur niet betwist en dat de vordering tegen gedaagde 2 niet toewijsbaar is omdat de factuur op naam van gedaagde 1 stond. De tegenvordering voor reparatiekosten aan de boot is onvoldoende onderbouwd en betwist door eiser. De stallingskosten zijn niet aannemelijk gemaakt en de huurovereenkomst is door eiser gemotiveerd betwist, waardoor verrekening niet mogelijk is.

De rechtbank veroordeelt gedaagde 1 tot betaling van de factuur, buitengerechtelijke incassokosten van €750,71 en wettelijke rente vanaf respectievelijk 6 december 2023 en 24 oktober 2024. Gedaagde 1 wordt tevens veroordeeld in de proceskosten van €1.089,22 en gedaagde 2 in proceskosten van €113,54 wegens onnodige dagvaarding. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: Gedaagde 1 wordt veroordeeld tot betaling van de factuur, incassokosten, rente en proceskosten; beroep op verrekening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Bergen op Zoom
Zaaknummer: 11396308 \ CV EXPL 24-3839
Vonnis van 14 januari 2026
in de zaak van
[eiser] , H.O.D.N. [bedrijf 1],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. A.A.J. Immink, AGA Juristen,
tegen

1.[gedaagde 1] B.V., mede h.o.d.n. [bedrijf 2] ,

te [plaats 2] ,
hierna te noemen: [gedaagde 1] ,
2.
[gedaagde 2],
te [plaats 3] ,
hierna te noemen: [gedaagde 2] ,
gedaagde partijen,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 19 februari 2025
- de mondelinge behandeling van 2 september 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Na het sluiten van de mondelinge behandeling is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] heeft op 3 juli 2023 een offerte uitgebracht aan [gedaagde 1] voor drie toiletrenovaties en tegelwerk bij de voordeur tegen een bedrag van € 6.667,22 inclusief btw.
2.2.
[gedaagde 1] heeft naast de werkzaamheden uit de offerte ook opdracht gegeven om in de badkamer tegels te verwijderen, de badkamer opnieuw te tegelen en te voegen. Ook heeft [eiser] in opdracht van [gedaagde 1] werkzaamheden verricht in de loods van [gedaagde 1] .
2.3.
Op 29 november 2023 heeft [eiser] een factuur aan [gedaagde 1] verzonden voor een bedrag van € 7.514,10 inclusief btw.
2.4.
[gedaagde 1] heeft in opdracht van [eiser] werkzaamheden verricht aan zijn vissersbootje.
2.5.
[eiser] heeft een kort geding (met zaaknummer 10996835 / VV EXPL 24-16 aanhangig gemaakt waarin hij onder andere afgifte van zijn vissersbootje (hierna: de boot) heeft gevorderd en betaling van de factuur van € 7.514,10 inclusief btw. Bij vonnis van 10 mei 2024 is [gedaagde 1] onder andere veroordeeld tot afgifte van de boot. De vordering met betrekking tot betaling van de factuur is afgewezen.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – samengevat – de veroordeling van [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] tot betaling van € 7.514,10 inclusief btw wegens hoofdsom en van € 750,71 wegens buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met rente. Daarnaast vordert [eiser] [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] te veroordelen in de proceskosten.
3.2.
[eiser] legt – samengevat – het volgende ten grondslag aan zijn vordering. [eiser] heeft in opdracht van [gedaagde 2] werkzaamheden uitgevoerd en op verzoek van [gedaagde 2] de offerte en de factuur op naam van [gedaagde 1] gezet. Tegen de factuur is niet geprotesteerd.
[eiser] heeft zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] gedagvaard, omdat [gedaagde 1] in de kort gedingprocedure heeft betwist dat [gedaagde 1] de opdracht heeft gegeven tot het verrichten van de werkzaamheden.
3.3.
[gedaagde 2] heeft bij mondeling antwoord aangevoerd dat hij de bestuurder is van [gedaagde 1] . [gedaagde 2] heeft aangevoerd dat [gedaagde 1] werkzaamheden aan de boot van [eiser] heeft verricht en dat de boot op verzoek van [eiser] bij [gedaagde 1] is gestald. Daarnaast is tussen partijen een huurovereenkomst gesloten, waarbij [eiser] een gedeelte van de loods van [gedaagde 1] heeft gehuurd. De huurovereenkomst is door [gedaagde 1] beëindigd en [eiser] is nog vijf maanden huur verschuldigd. Gelet op hetgeen [eiser] nog verschuldigd is aan [gedaagde 1] , doet zij een beroep op verrekening.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Vordering gericht tegen [gedaagde 2]
4.1.
Gedaagden hebben in deze procedure niet betwist dat [eiser] werkzaamheden heeft verricht en dat de factuur voor die werkzaamheden op naam van [gedaagde 1] moest worden gesteld. Dat betekent dat de vordering gericht tegens [gedaagde 2] niet toewijsbaar is.
Vordering gericht tegen [gedaagde 1]
4.2.
heeft de door [eiser] verrichte werkzaamheden niet betwist. Ook de hoogte van de factuur heeft [gedaagde 1] niet inhoudelijk betwist. Dat betekent dat de vordering tot betaling van € 7.514,10 inclusief btw – in beginsel – toewijsbaar is.
Beroep op verrekening
4.3.
[gedaagde 1] doet een beroep op verrekening maar dat is niet toewijsbaar om de volgende redenen.
4.4.
Uit artikel 6:136 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) volgt dat een beroep op verrekening niet kan worden gehonoreerd als de tegenvordering niet gemakkelijk is vast te stellen.
Reparatiekosten boot
4.4.1.
[gedaagde 1] voert aan dat [eiser] de factuur voor de werkzaamheden aan de boot niet heeft betaald. Bij mondeling antwoord heeft [gedaagde 1] deze factuur overgelegd. [eiser] betwist dat deze factuur eerder aan hem is overgelegd. Uit de stukken is niet gebleken dat [gedaagde 1] de factuur eerder aan [eiser] heeft overgelegd/verzonden dan in deze procedure.
Daarnaast betwist [eiser] (de hoogte van) de factuur, omdat de werkzaamheden niet dan wel onjuist zijn uitgevoerd. [eiser] voert aan dat [gedaagde 1] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de verbintenis. [gedaagde 1] heeft op de mondelinge behandeling medegedeeld dat het mogelijk is dat zij vergeten is de olie van het staartstuk van de boot te vervangen. Gelet hierop is er een te hoog bedrag gefactureerd aangezien dit als onderdeel van het onderhoud wel op de factuur is vermeld.
Het voorgaande maakt dat de gegrondheid van het beroep op verrekening met betrekking tot de reparatiekosten aan de boot, niet eenvoudig is vast te stellen en dat om die reden dit beroep op verrekening wordt gepasseerd.
Stallingskosten boot
4.4.2.
[gedaagde 1] heeft verder aangevoerd dat zij in opdracht van [eiser] de boot heeft gestald. [eiser] heeft dit betwist. Dat [eiser] hiervoor opdracht heeft gegeven is niet gebleken. De kantonrechter acht dit ook niet aannemelijk, aangezien [eiser] zijn boot terug wilde en [gedaagde 1] (ten onrechte) op grond van retentierecht de boot onder zich hield. Dat [gedaagde 1] met betrekking tot de stallingskosten van de boot een bedrag heeft te verrekenen is niet komen vast te staan.
Huurovereenkomst
4.4.3.
[gedaagde 1] heeft aangevoerd dat tussen partijen een huurovereenkomst tot stand is gekomen. [eiser] heeft gemotiveerd betwist dat dit het geval is Er was namelijk nog geen overeenstemming over de huurprijs en [eiser] had ook geen toegang tot de loods. [gedaagde 1] heeft haar stelling niet nader onderbouwd. Gelet hierop is de vordering van [gedaagde 1] onvoldoende onderbouwd en niet opeisbaar, zodat van verrekening geen sprake kan zijn.
Conclusie
4.5.
Aangezien [gedaagde 1] de hoofdsom heeft erkend en het beroep op verrekening niet slaagt, moet zij € 7.514,10 inclusief btw aan hoofdsom aan [eiser] betalen.
Buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente
4.6.
[eiser] vordert € 750,71 aan buitengerechtelijke incassokosten. [gedaagde 1] heeft hiertegen geen afzonderlijk verweer gevoerd. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 oktober 2024.
4.7.
[eiser] vordert betaling van de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 6 december 2023. [gedaagde 1] heeft dit niet weersproken en de gevorderde rente zal daarom worden toegewezen.
Proceskosten
4.8.
De vordering gericht tegen [gedaagde 2] wordt afgewezen. [gedaagde 2] heeft in de kort geding procedure betwist dat [gedaagde 1] de opdrachtgever is geweest en in deze procedure zijn verweer op dat punt niet meer gehandhaafd. Daardoor heeft [eiser] [gedaagde 2] onnodig gedagvaard en extra kosten gemaakt. Gelet hierop wordt [gedaagde 2] veroordeeld in de proceskosten van [eiser] die worden vastgesteld op € 113,54 wegens explootkosten voor het betekenen van de dagvaarding.
4.9.
[gedaagde 1] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
115,22
- griffierecht
161,00
- salaris gemachtigde
678,00
(2 punten × € 339,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.089,22
4.10.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde 1] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 7.514,10 inclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro hierover, met ingang van 6 december 2023 tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde 1] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 750,71 wegens buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover met ingang van 24 oktober 2024 tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten van € 1.089,22, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt [gedaagde 2] in de proceskosten van € 113,54, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde 2] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten waarin zij zijn veroordeeld, als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. Swaanen en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026.