Uitspraak
1.[gedaagde 1] B.V., mede h.o.d.n. [bedrijf 2] ,
2.
[gedaagde 2],
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiser heeft werkzaamheden verricht voor gedaagde en factureerde een bedrag van €7.514,10 inclusief btw. Gedaagde erkent de werkzaamheden en de factuur, maar stelt een tegenvordering in via verrekening wegens werkzaamheden aan de boot van eiser, stallingskosten en huurgeld van een loods. De rechtbank oordeelt dat het beroep op verrekening niet slaagt omdat de tegenvorderingen onvoldoende onderbouwd, niet opeisbaar of niet eenvoudig vast te stellen zijn.
De rechtbank stelt vast dat gedaagde de factuur niet betwist en dat de vordering tegen gedaagde 2 niet toewijsbaar is omdat de factuur op naam van gedaagde 1 stond. De tegenvordering voor reparatiekosten aan de boot is onvoldoende onderbouwd en betwist door eiser. De stallingskosten zijn niet aannemelijk gemaakt en de huurovereenkomst is door eiser gemotiveerd betwist, waardoor verrekening niet mogelijk is.
De rechtbank veroordeelt gedaagde 1 tot betaling van de factuur, buitengerechtelijke incassokosten van €750,71 en wettelijke rente vanaf respectievelijk 6 december 2023 en 24 oktober 2024. Gedaagde 1 wordt tevens veroordeeld in de proceskosten van €1.089,22 en gedaagde 2 in proceskosten van €113,54 wegens onnodige dagvaarding. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.
Uitkomst: Gedaagde 1 wordt veroordeeld tot betaling van de factuur, incassokosten, rente en proceskosten; beroep op verrekening wordt afgewezen.