4.3.2.De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Parketnummer 02-063050-25
Feit 1
Vaststelling van de feiten
De rechtbank stelt op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast. Verdachte en aangeefster hebben in het verleden een affectieve relatie hebben gehad. Zij hebben een al langer lopend conflict en op 2 september 2024 is verdachte veroordeeld door de rechtbank voor stalking en mishandeling van aangeefster. Aan verdachte is daarbij onder andere een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd in de vorm van een contactverbod met aangeefster. Aangeefster heeft een AWARE-aansluiting.
Op 16 februari 2025 heeft aangeefster aangifte tegen verdachte gedaan van stalking, bedreiging en belediging.
Uit opgevraagde telefoongegevens blijkt dat aangeefster in de periode van 6 februari tot en met 9 februari 2025 zeventien keer anoniem is gebeld. Tijdens één van deze gesprekken op 6 februari 2025 hoorde aangeefster dat verdachte zei: "kankerhoer” en “ik ga je doodmaken". Op 9 februari 2025 hoorde aangeefster nadat zij anoniem was gebeld weer dat verdachte zei : “kankerhoer”. In het dossier zit een geluidsopname van dit laatste gesprek, waarop de stem van verdachte is herkend door de verbalisant die verdachte ambtshalve kent uit noodhulptelefoongesprekken en wijkzorg. Uit de opgevraagde telefoongegevens blijkt daarnaast dat de genoemde zeventien anonieme telefoontjes afkomstig zijn van het telefoonnummer van verdachte. De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging en belediging van aangeefster.
De vraag die moet worden beantwoord, is of deze bewezen feitelijke gedragingen (het meermaals bellen, beledigen en bedreigen van aangeefster) kunnen worden gekwalificeerd als belaging in de zin van artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Bij de beantwoording van deze vraag is beslissend of sprake is van gedragingen waardoor wederrechtelijk en stelselmatig en opzettelijk inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van een ander, met het in de delictsomschrijving nader omschreven oogmerk.
Stelselmatig
Bij beoordeling van de stelselmatigheid zijn de aard, duur, frequentie en intensiteit van de gedragingen relevant. Daarnaast dienen de omstandigheden waaronder de gedragingen hebben plaatsgevonden, evenals de invloed daarvan op het persoonlijke leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer, mede in aanmerking te worden genomen.
Ook de omstandigheid dat de verdachte zich vóór de in de tenlastelegging vermelde
periode heeft schuldig gemaakt aan belaging van het slachtoffer, kan een rol spelen
bij de stelselmatigheid van het gedrag. Het (belagings)verleden mag dus worden betrokken
in een eventuele nieuwe strafzaak. Minimale grenzen voor de duur en de frequentie zijn niet te geven. Zoals hiervoor reeds is overwogen is verdachte eerder veroordeeld voor belaging van aangeefster. Ondanks een contactverbod had en een proeftijd bleef hij aangeefster lastigvallen door binnen enkele dagen meermalen vanaf een anoniem nummer te bellen en haar daarbij te beledigen en te bedreigen. Verdachte is in maart 2025 opnieuw aangehouden voor stalking van aangeefster. Hij kreeg in april 2025 opnieuw de kans om te laten zien dat het voor hem nu echt duidelijk was dat hij haar met rust moest laten en werd onder voorwaarden geschorst uit de voorlopige hechtenis. Niet lang daarna werd verdachte opnieuw aangehouden voor de feiten die hem worden verweten onder parketnummer 02/184479-25, waaronder de poging van toebrengen zwaar lichamelijk letsel van de nieuwe partner van aangeefster.
De rechtbank is van oordeel dat de bewezen feitelijke gedragingen, afgezet tegen bovengenoemde omstandigheden een dusdanige invloed hebben gehad op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van aangeefster, dat het handelen van verdachte als stelselmatig wordt aangemerkt.
Oogmerk
Het oogmerk om aangeefster vrees aan te jagen volgt naar het oordeel van de rechtbank uit de hierboven bewezen geachte gedragingen.
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de aan verdachte ten last gelegde belaging.
Parketnummer 02-184479-25Feit 1
Vaststelling van de feiten
Op 21 mei 2025 werd aangever, de vriend van [slachtoffer 1] , aangereden door een Ford Ka op naam van verdachte. Aangever fietste op dat moment langs een drukke openbare weg en kwam door de aanrijding ten val. De bestuurder van de auto die hem had aangereden ging er vandoor.
Aangever heeft door de aanrijding wonden aan zijn hoofd en hand opgelopen. Verder had hij blauwe plekken en schaafwonden op zijn lichaam. De wond op het hoofd was boven het oog en deze wond is gelijmd. Ook zijn er gekneusde ribben geconstateerd.
Was verdachte de bestuurder van de Ford Ka?
Verdachte heeft ontkend dat hij de bestuurder van de auto was toen aangever werd aangereden. Op zitting heeft verdachte verklaard dat hij zijn auto wel eens uitleent en dat hij niet meer weet of en aan wie hij dat op de desbetreffende dag heeft gedaan. De rechtbank constateert dat dit het enige is wat verdachte hierover heeft verklaard. De verklaring is derhalve niet concreet noch verifieerbaar.
Daar staat tegenover dat de auto op naam stond van verdachte en dat hij een langlopend conflict met [slachtoffer 1] had, zijnde de ex-vriendin van verdachte en de vriendin van aangever. Daarbij komt dat de persoon die op de beelden is te zien verdachte kan zijn. De rechtbank is van oordeel dat op basis van voornoemde voldoende is vast komen te staan dat verdachte degene is geweest die de auto heeft bestuurd en dus aangever heeft aangereden.
Voorwaardelijk opzet
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte opzet had op het toebrengen van het letsel bij aangever. Op grond van het dossier kan de rechtbank niet vaststellen dat verdachte daadwerkelijk het doel had aangever letsel toe te brengen, waardoor geen sprake is van vol opzet.
Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig als de verdachte zich willens en weten heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich bewust heeft blootgesteld aan een zodanige kans is niet alleen vereist dat verdachte wetenschap heeft gehad van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijk kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, dat wil zeggen: een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.
Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaalde gevolg dat het – behoudens contra indicaties - niet anders kan zijn dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
De rechtbank overweegt dat uit de camerabeelden volgt dat verdachte als bestuurder van een auto enige tijd achter aangever bleef rijden, terwijl deze rechts fietste en er ruimte was om hem in te halen. Vervolgens is te zien dat verdachte zijn auto naar rechts stuurde, daarbij op het fietspad kwam en aangever aanreed waardoor deze ten val kwam, terwijl er geen enkele verkeersrelevantie was voor een dergelijke manoeuvre. Door met zijn auto tegen een kwetsbare verkeersdeelnemer, een fietser, te rijden kan -ook als je met lage snelheid rijdt- dit zwaar lichamelijk letsel opleveren. Niet ondenkbaar is dat iemand met zijn hoofd tegen het wegdek of stoeprand klapt of onder een auto terecht komt. De rechtbank is van oordeel dat verdachte deze aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel ook heeft aanvaard. Van contra-indicaties is de rechtbank niet gebleken.
De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de poging toebrengen zwaar lichamelijk letsel.