Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:1779

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
26/1104 VV
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:1 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd in spoedprocedure tuchtklachten

Verzoekster heeft de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) verzocht om een spoedprocedure te starten voor vier tuchtklachten die zij bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (RTG) heeft ingediend. De IGJ heeft dit verzoek op 18 februari 2026 afgewezen. Verzoekster maakte bezwaar tegen deze beslissing en vroeg vervolgens de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter oordeelt dat hij alleen bevoegd is om een voorlopige voorziening te treffen als sprake is van een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat de beslissing van een bestuursorgaan om al dan niet een tuchtklacht in te dienen of een spoedprocedure te starten geen besluit is in de zin van artikel 1:3 Awb Pro.

De brief van de IGJ van 18 februari 2026, waarin zij het verzoek afwijst, is niet gericht op rechtsgevolg en verandert niets aan de juridische positie van verzoekster. Daarom is de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd om het verzoek om voorlopige voorziening te behandelen. Het betaalde griffierecht wordt teruggestort.

Uitkomst: De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd om het verzoek om voorlopige voorziening te behandelen wegens het ontbreken van een besluit in de zin van de Awb.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/1104

uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 maart 2026 in de zaak tussen

drs. [verzoekster], uit [plaats], verzoekster

en

Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster inzake haar verzoek om een spoedprocedure.
1.1.
Omdat de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom hij kennelijk onbevoegd is.
1.2.
Verzoekster heeft de IGJ verzocht om een spoedprocedure met betrekking tot een viertal tuchtklachten die zij heeft ingediend bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (RTG). Eerder verzocht zij het RTG tot het opstarten van een spoedprocedure in haar tuchtklachten. Het RTG heeft haar meegedeeld dat op grond van artikel 65 lid 6 van Pro de wet BIG de IGJ de bevoegdheid heeft een spoedprocedure op te starten bij het RTG. Zij heeft daarna haar verzoek aan de IGJ gericht. Met de brief van 18 februari 2026 heeft de IGJ verzoekster gemeld dat is besloten om niet in te gaan op het verzoek. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en zij heeft een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, dan kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2.1.
Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2.2.
De voorzieningenrechter is pas bevoegd om het verzoek te behandelen als sprake is van een besluit in de zin van de Awb waartegen bezwaar kan worden gemaakt (artikel 7:1, eerste lid en aanhef, in samenhang met artikel 8:1 van Pro de Awb).
2.3.
In artikel 1:3, eerste lid, van de Awb staat: "Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling." Met een rechtshandeling in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt bedoeld: een handeling gericht op rechtsgevolg. Rechtsgevolg is het vaststellen, wijzigen of opheffen van een rechtsverhouding, zoals rechten, aanspraken, verplichtingen, een bevoegdheid of status.
2.4.
De voorzieningenrechter overweegt dat de IGJ in de brief van 18 februari 2026 heeft vermeld dat zij niet zal ingaan op het verzoek.
Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspaak van de Raad van State (AbRVS) volgt dat de beslissing van een bestuursorgaan om al dan niet een tuchtklacht in te dienen bij een tuchtrechter geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Dat de bevoegdheid van de IGJ om een tuchtklacht in te dienen of (in dit geval) een spoedprocedure op te starten wettelijk is vastgelegd maakt dit niet anders. [1]
2.5.
De voorzieningenrechter is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de brief van 18 februari 2026 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De brief is naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook niet op rechtsgevolg gericht en door wat is bepaald in de brief, verandert er niets in de juridische positie van verzoekster.

Conclusie en gevolgen

3. De voorzieningenrechter is niet bevoegd om het verzoek om voorlopige voorziening te behandelen. Het door verzoekster betaalde bedrag aan griffierecht van € 200,- zal worden teruggestort.

Beslissing

De voorzieningenrechter is onbevoegd om het verzoek om voorlopige voorziening te behandelen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 13 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is buiten staat om deze uitspraak mede te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 17 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2264 en 8 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2753.