Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
,
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De vrouw en de man, die een affectieve relatie hadden en gezamenlijk het ouderlijk gezag over hun minderjarige kind dragen, kwamen in kort geding met elkaar in geschil over de toevertrouwing en omgangsregeling van het kind. De vrouw vorderde dat het kind aan haar zou worden toevertrouwd en dat de man mee zou werken aan een omgangsregeling.
Tijdens de procedure bereikten partijen echter overeenstemming. De vrouw trok haar verzoek tot toevertrouwing in en zij spraken af dat het kind telkens twee nachten en twee dagen bij ieder van de ouders zal verblijven, met overdracht om 18:30 uur. De verzorgende ouder brengt het kind naar de andere ouder. Deze regeling werd reeds uitgevoerd vanaf 27 januari 2026.
De rechtbank achtte een zitting niet nodig en besloot de zaak schriftelijk af te doen. De voorzieningenrechter veroordeelde partijen tot nakoming van de afspraken, verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad en compenseerde de proceskosten, waarbij iedere partij zijn eigen kosten draagt. Andere vorderingen werden afgewezen.
Uitkomst: De rechtbank legde de onderlinge afspraken over de zorg- en omgangsregeling vast en verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.