ECLI:NL:RBZWB:2026:1793

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
14 maart 2026
Zaaknummer
C/02/444625 / JE RK 26-196
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Duinhof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling van vier minderjarige kinderen wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging door verstoorde ouderlijke samenwerking

De Raad voor de Kinderbescherming heeft een verzoek ingediend tot ondertoezichtstelling van vier minderjarige kinderen, geboren tussen 2015 en 2020, vanwege ernstige bedreiging van hun sociaal-emotionele ontwikkeling. De kinderen wonen bij hun moeder en de ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit, maar de samenwerking tussen hen is ernstig verstoord.

Tijdens de zitting op 11 februari 2026 heeft de kinderrechter met drie van de kinderen gesproken, die hun zorgen uitten over de situatie tussen hun ouders en de wens om met iemand te praten. De Raad onderbouwde het verzoek met signalen van loyaliteitsproblemen, onrust, concentratieproblemen en suïcidale gedachten bij een van de kinderen. De ouders zijn het eens met het verzoek, waarbij de vader zijn huidige geestelijke en lichamelijke situatie toelichtte.

De kinderrechter oordeelt dat de voorwaarden voor ondertoezichtstelling volgens artikel 1:255 BW Pro zijn vervuld. De verstoorde relatie tussen de ouders verhindert dat zij vrijwillig de noodzakelijke hulp accepteren en samen beslissingen nemen. Daarom is een gecertificeerde instelling als regievoerder nodig om de hulpverlening en communicatie te coördineren.

De beschikking stelt de kinderen onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming West Zeeland voor de duur van een jaar, met als doelen onder meer een veilige opvoedomgeving, onbelast contact met ouders, duidelijke zorgregeling en constructieve samenwerking. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard om directe uitvoering te waarborgen, ook bij hoger beroep.

Uitkomst: De kinderrechter stelt vier minderjarige kinderen onder toezicht van een gecertificeerde instelling voor de duur van een jaar wegens ernstige bedreiging van hun ontwikkeling door de verstoorde samenwerking tussen de ouders.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/444625 / JE RK 26-196
Datum uitspraak: 11 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZEELAND-WEST-BRABANT,
locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3], geboren op [geboortedag 3] 2017 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 3] ,
[minderjarige 4], geboren op [geboortedag 4] 2020 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 4] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. K.R.E. Blanken te Utrecht,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
hierna te noemen: de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 28 januari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een tweetal vertegenwoordigsters van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat de kinderen hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn uit de affectieve relatie van ouders voorafgaand aan hun huwelijk geboren. De vader heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] erkend.
2.2.
[minderjarige 3] en [minderjarige 4] zijn geboren uit het huwelijk van ouders.
2.3.
De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] .
2.4.
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] wonen bij hun moeder.
2.5.
Bij beschikking van 10 mei 2024 heeft de rechtbank bepaald dat de beschikking van 27 januari 2023 en het daaraan gehechte ouderschapsplan van 1 december 2022 voor zover betreft de zorgregeling, wordt gewijzigd en dat de vader en de minderjarigen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar gedurende één weekend in de twee weken, waarbij de vader op vrijdag de kinderen om 13:30 uur bij de moeder thuis ophaalt en hen weer op zondag om 18:00 uur bij de moeder thuis afzet. Daarnaast is bepaald dat de vader met ingang van 1 april 2024 € 25,- per kind per maand zal betalen aan de moeder als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] .

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] geven tijdens hun gesprek met de kinderrechter aan dat zij zich zorgen maken over hoe het tussen de moeder en de vader gaat. Zij zouden ieder voor zich graag met iemand praten over hun situatie.
4.2.
De Raad handhaaft het verzoek en verwijst ter onderbouwing daarvan naar de overgelegde stukken. Er is sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging, hetgeen vooral gelegen is in de sociaal en emotionele ontwikkeling van de kinderen. Doordat het de ouders niet lukt om samen te werken, groeien de kinderen al een lange tijd op in een onrustige opvoedsituatie. De kinderen ervaren loyaliteitsproblemen, dit zorgt voor onrust, concentratieproblemen en bij [minderjarige 1] zelfs tot suïcidale gedachten. Het gaat in het vrijwillig kader niet lukken om tot duurzame veranderingen te komen. Een regievoerder is nodig om beslissingen te nemen in het belang van de kinderen.
4.3.
De moeder is het eens met het verzoek. Ze hoopt dat de ondertoezichtstelling de communicatie tussen haar en de vader zal verbeteren en dat er duidelijkheid komt voor de kinderen. Verder geeft de advocaat van de moeder aan dat zij een kinderalimentatieprocedure en een procedure voor een wijziging van de zorgregeling is gestart.
4.4.
De vader is het eens met het verzoek. Hij geeft aan dat de samenwerking tussen hem en de moeder mogelijk gaat zijn. Er moet immers samen tot een oplossing worden gekomen. Verder licht de vader toe dat het op dit moment, vanwege zijn geestelijke en lichamelijk situatie, niet mogelijk is dat alle vier de kinderen tegelijkertijd bij hem thuis verblijven.
4.5.
De GI licht toe dat er op dit moment lange wachtrijen zijn voor hulpverlening. De ondertoezichtstelling zal in eerste instantie opgepakt worden door het instroomteam. De hulpverlening voor de communicatie tussen de ouders kan wel direct worden ingezet.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige.
Inhoudelijke beoordeling
5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Hij zal daarom het niet weersproken verzoek toewijzen. Hij legt hieronder uit waarom.
5.3.
De ontwikkeling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] wordt ernstig bedreigd, omdat de kinderen al een geruime tijd last hebben van de slechte samenwerking tussen de ouders. De ouders hebben ieder een geheel eigen opvatting over het ontstaan van de huidige situatie en hebben vanuit hun verstoorde verhouding geen enkel contact met elkaar. Daardoor lukt het hen niet om elkaar te betrekken bij de belangrijke zaken rondom de kinderen en gezamenlijk beslissingen te nemen. De kinderen zitten knel. Bovendien is er onduidelijkheid rondom de uitvoering van de zorgregeling. Hierdoor kunnen zij op dit moment niet in rust en mentale gezondheid opgroeien. Met name bij [minderjarige 1] worden er zorgwekkende signalen geconstateerd. Het is ook naar het oordeel van de kinderechter belangrijk dat er zo snel mogelijk hulpverlening wordt ingezet voor [minderjarige 1] . Voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] is het belangrijk dat zij iemand hebben om mee te praten. De GI moet als regievoerder op korte termijn zorgen voor een duidelijk beeld van de opvoedsituaties en de individuele problemen van alle vier kinderen. Het is daarbij nodig om de communicatie tussen de ouders en de hulpverlening voor de kinderen in goede banen te leiden. Daarbij moet de GI ook rekening houden met de lopende procedures rondom de alimentatie en de zorgregeling.
5.4.
Door de verstoorde verstandhouding tussen de moeder en de vader en het verschil in visie over de huidige situatie zijn de ouders niet in staat om in het vrijwillig kader de ontwikkelingsbedreiging weg te nemen en de nodige hulpverlening te accepteren. De kinderrechter vindt het daarom nodig dat er een hulpverlener betrokken zal worden die de regie voert over de nog in te zetten hulpverlening, de communicatie tussen de vader en de moeder en die beslissingen kan nemen in het belang van de kinderen.
5.5.
De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] onder toezicht voor de duur van een jaar.
5.6
De kinderrechter sluit zich aan bij de door de Raad opgestelde doelen in het raadsrapport en geeft aan de GI de opdracht mee om aan de volgende doelen uitvoering te geven:
  • De kinderen groeien op in een fysieke en emotioneel veilige omgeving, waarbij zij voldoende rust en ruimte ervaren om zich, binnen hun mogelijkheden, op de eigen ontwikkeling te kunnen focussen;
  • De kinderen hebben onbelast contact met ouders en ervaren (emotionele) toestemming vanuit beide ouders om dit contact te hebben;
  • Er is sprake van een structurele zorgregeling, deze is duidelijk en voorspelbaar voor de kinderen;
  • Ouders tonen een constructieve en meewerkende houding ten aanzien van hulpverlening;
  • De kinderen worden niet belast met volwassen zaken;
  • Het is aan de betrokken hulpverlening om te checken of de kinderen behoefte hebben aan het spreken met een neutrale derde;
  • De Raad benadrukt dat door de internaliserende problematiek en klachten van [minderjarige 1] hier gerichte hulpverlening voor nodig is;
  • Ouders kunnen samen overleg plegen over de kinderen en tot afspraken komen omtrent de uitvoering van de regeling in de zorgen en opvoedingstaken;
  • Beide ouders spreken met respect over de andere ouder in het bijzijn van de kinderen.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland met ingang van 11 februari 2026 en tot 11 februari 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026 door mr. Duinhof, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Den Boer, griffier, en op schrift gesteld op 25 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW Pro.