ECLI:NL:RBZWB:2026:1795

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
14 maart 2026
Zaaknummer
C/02/444521 / JE RK 26-172
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Duinhof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:260 BWArt. 1:247 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarigen wegens bedreigde ontwikkeling en noodzaak hulpverlening

De zaak betreft een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling (OTS) van twee minderjarigen, die sinds 19 maart 2025 onder toezicht staan van een gecertificeerde instelling (GI). De GI verzoekt verlenging omdat de minderjarigen nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd door een fragiele thuissituatie en onvolledige opvoedvaardigheden van de ouders. Ook spelen impactvolle gebeurtenissen, waaronder seksueel misbruik door een buurman, een rol.

De ouders erkennen de noodzaak van hulpverlening en willen de OTS verlengd zien om de ondersteuning voort te zetten. De kinderrechter complimenteert de ouders voor hun inzet en erkent dat zij nog niet in staat zijn de volledige verantwoordelijkheid voor verzorging en opvoeding te dragen. De hulpverlening, waaronder therapieën en ondersteuning via een zorgboerderij, wordt voortgezet.

De kinderrechter oordeelt dat aan de wettelijke voorwaarden voor verlenging is voldaan, met name dat de minderjarigen nog steeds in hun ontwikkeling worden bedreigd en dat het noodzakelijk is dat de GI regie houdt. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard om directe uitvoering te waarborgen. De OTS wordt verlengd van 19 maart 2026 tot 19 maart 2027.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarigen wordt verlengd met een jaar en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/444521 / JE RK 26-172
Datum uitspraak: 11 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2015 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2019 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 26 januari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder;
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.3.
[minderjarige 1] is uitgenodigd om haar mening te vertellen. [minderjarige 1] heeft van deze uitnodiging geen gebruik gemaakt.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun ouders.
2.3.
Bij beschikking van 19 maart 2025 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 19 maart 2025 en tot 19 maart 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI stelt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd en dat het gedwongen kader noodzakelijk is om in de aankomende twaalf maanden te werken aan het wegnemen van deze ontwikkelingsbedreigingen. De ontwikkelingsbedreigingen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn gelegen in de fragiele thuissituatie,
waarbij er nog te weinig zicht is op de opvoedvaardigheden van ouders, de specifieke
opvoedbehoefte van [minderjarige 1] en de impactvolle gebeurtenissen die [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben
meegemaakt en nog niet hebben verwerkt.
Hierbij blijft het gedwongen kader noodzakelijk, omdat uit eerdere ervaringen binnen het
vrijwillig kader is gebleken dat het niet is gelukt om hulpverlening op de basis voort te zetten. Het is van groot belang dat de hulpverlening in de thuissituatie, maar ook de therapie voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorgezet wordt. Het ergste wat er op dit moment zou kunnen gebeuren is dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet de benodigde hulpverlening krijgen, zodat zij niet de impactvolle gebeurtenissen kunnen verwerken zoals het seksueel misbruik door de buurman.
4.2.
De ouders willen beiden dat de ondertoezichtstelling wordt verlengd, zodat ze nog wat langer van de nodige hulpverlening kunnen profiteren.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
Inhoudelijke beoordeling
5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.4.
Allereerst complimenteert de kinderrechter, net als de GI ter zitting heeft gedaan, de ouders. De moeder heeft haar EMDR-therapie doorlopen en ervaart nu een helderder hoofd. Daarbij geeft ze aan dat ze het mentaal nog niet aan kan om samen met de vader nu al de volledige verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te dragen. Beide ouders erkennen dat de hulpverlening nog nodig is. De kinderrechter vindt het mooi dat beide ouders dit inzicht hebben en op deze manier open (blijven) staan voor hulpverlening.
5.5.
De kinderrechter is van oordeel dat de minderjarigen nog steeds in hun ontwikkeling worden bedreigd. Dit gelet op de gebeurtenissen van het afgelopen jaar, met name ook de rol van de buurman daarin, maar ook het feit dat beide ouders aangegeven de ondertoezichtstelling en de steun en de regie van de GI nog nodig te hebben. De ouders zijn nog steeds overvraagd. Daar komt de kindeigen problematiek van de kinderen en de daarbij behorende bijzondere opvoedvraag bovenop. Ook is het strafproces tegen de buurman nog lopende en brengt ook dat de nodige zorgen met zich mee. Het is van belang dat de ouders daar nog de nodige steun bij krijgen en dat de mogelijkheden en onmogelijkheden van de ouders ook het komende jaar een punt van aandacht blijven.
5.6.
De GI heeft voor de minderjarigen noodzakelijke hulpverlening (speltherapie voor [minderjarige 2] en IPT voor [minderjarige 1] ) ingezet. Ook gaan beide minderjarigen naar de [zorgboerderij] ter ontlasting van de ouders. De GI is nog aan het kijken of er een passend steungezin te vinden is. Pas wanneer het ondersteunende systeem zoals hiervoor beschreven is opgestart en ook op vrijwillige basis lijkt te zullen kunnen werken, kan worden gedacht an beëindiging van de ondertoezichtstelling.
5.7.
De kinderrechter verwacht daarmee dat de ouders binnen een voor de minderjarigen aanvaardbare termijn weer in staat zullen zijn zelf de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarigen te dragen. Op dit moment is het echter nog te vroeg om de hulpverlening in een vrijwillig kader voort te zetten.
5.8.
De kinderrechter zal het onweersproken verzoek van de GI toewijzen en de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van een jaar verlengen.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.9.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
6.
De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 19 maart 2026 en tot 19 maart 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026 door mr. Duinhof, kinderrechter, in aanwezigheid van mr.De Bont, griffier, en op schrift gesteld op 19 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.