ECLI:NL:RBZWB:2026:1802

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
15 maart 2026
Zaaknummer
C/02/444081 / JE RK 26-81
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Zuijdweg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BWArt. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige bij vader

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige bij de vader, die het gezag deelt met de moeder. De machtiging was eerder verleend tot 27 februari 2026. De GI verzoekt verlenging tot het einde van de ondertoezichtstelling, tot 29 augustus 2026.

Tijdens de zitting waren de ouders en vertegenwoordigers van de GI aanwezig, maar de advocaat van de moeder was afwezig. De minderjarige maakte geen gebruik van de mogelijkheid zijn mening te geven. De moeder ontvangt ambulante begeleiding, maar staat nog op een wachtlijst voor verdere behandeling en erkent de noodzaak daarvan niet volledig. De GI wil het contact tussen moeder en kind uitbreiden en de communicatie tussen ouders verbeteren.

De kinderrechter oordeelt dat de situatie bij de moeder onvoldoende is verbeterd om terugkeer van de minderjarige mogelijk te maken, mede vanwege onduidelijkheid over de behandeling en veiligheidsincidenten. Daarom wordt de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd zonder beperking in duur. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en er is mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige bij de vader wordt verlengd tot 29 augustus 2026.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/444081 / JE RK 26-81
Datum uitspraak: 12 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Middelburg,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2015 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. H. Mink uit Oost-Souburg,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 16 januari 2026;
  • de brief met aanvullende informatie van de GI, ontvangen op 23 januari 2026;
  • het bericht van de GI met bijlage, ontvangen op 6 februari 2026;
  • het e-mailbericht van de vader van 8 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder;
- twee vertegenwoordigsters van de GI.
1.3.
De advocaat van de moeder is niet verschenen.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft geen gebruik gemaakt van de aan hem geboden gelegenheid om zijn mening te geven.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van 29 augustus 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 29 augustus 2025 en tot 29 augustus 2026. Tevens is bij deze beschikking een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, verleend met ingang van 29 augustus 2025 en tot 27 februari 2026.
2.3.
Op basis van voornoemde machtiging verblijft [minderjarige] bij zijn vader.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het verzoek en verwijst voor de onderbouwing daarvan naar het verzoekschrift en de overgelegde stukken. Doordat sprake is van een wachtlijst is de behandeling van de moeder nog niet gestart, maar zij heeft wel al ambulante begeleiding vanuit [hulpverlening] . De GI wil wel stappen gaan zetten in het uitbreiden van het contact tussen de moeder en [minderjarige] . Het plan is om het contactmoment op woensdag uit te breiden in duur, waarbij dit contact zal worden begeleid door een professionele instantie. Ook wil de GI werken aan de onderlinge oudercommunicatie. De afgelopen periode heeft het netwerk van de moeder hierin veel betekend, maar omdat dit voor spanningen heeft gezorgd tussen de moeder en de grootouders moederszijde zal de GI dit verder oppakken.
4.2.
De vader is het eens met het verzoek. Hij vertelt dat het goed gaat met [minderjarige] en dat [minderjarige] positief is over de contactmomenten met de moeder.
4.3.
De moeder zou het liefst willen dat [minderjarige] weer bij haar komt wonen, maar zij begrijpt ook dat een thuisplaatsing op dit moment nog niet mogelijk is. Daarvoor moet het contact met [minderjarige] verder worden uitgebreid en de moeder hoopt dan ook dat dat hier snel toe wordt overgegaan. Omdat de moeder van mening is dat [minderjarige] op korte termijn thuisgeplaatst kan worden, verzoekt zij de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in duur te beperken.

5.De beoordeling

Het wettelijk kader
5.1.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
5.2.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
De inhoudelijke beoordeling
5.3.
Op basis van de inhoud van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat [minderjarige] op dit moment nog niet kan terugkeren naar de thuissituatie van de moeder. De kinderrechter overweegt dat er nog steeds onvoldoende zicht is op de psychische problematiek van de moeder en eventueel middelengebruik. Hoewel het positief is dat de moeder de ambulante begeleiding vanuit [hulpverlening] accepteert en daarmee aan de slag wil, is ook gebleken dat de moeder nog op de wachtlijst staat voor de verder benodigde behandeling en dat zij de noodzaak voor deze behandeling niet inziet. Dit maakt dat het nog niet duidelijk is hoe het hulpverleningstraject voor de moeder er verder uit komt te zien en welk effect dit zal hebben op haar functioneren en haar fysieke en emotionele beschikbaarheid voor [minderjarige] . Daar komt bij dat verschillende incidenten in de afgelopen periode ertoe hebben geleid dat de veiligheidsafspraken moesten worden aangescherpt om de acute veiligheid van [minderjarige] te borgen. Dit maakt dat de kinderrechter van oordeel is dat de situatie op dit moment nog onvoldoende is verbeterd om [minderjarige] terug te laten keren naar de thuissituatie van de moeder. Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de hierboven genoemde wettelijke criteria voor een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. Omdat nog moet worden toegewerkt naar een uitbreiding van de contactmomenten tussen [minderjarige] en de moeder en de moeder nog niet is gestart met de benodigde behandeling, zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing niet in duur beperken. Een nadere zitting zal namelijk opnieuw voor onrust en spanningen zorgen bij alle betrokkenen, terwijl het juist van belang is dat er rust en stabiliteit wordt gecreëerd voor [minderjarige] . De kinderrechter zal het verzoek daarom toewijzen en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, verlengen voor de verzochte duur.
5.4.
De kinderrechter verwacht dat de GI in de komende periode zicht houdt op de behandeling van de moeder bij [hulpverlening] en onderzoekt of een uitbreiding van de contacten tussen [minderjarige] en de moeder structureel mogelijk is. Verder verwacht de kinderrechter dat in de komende periode wordt gewerkt aan de onderlinge communicatie tussen de ouders, waarbij de GI de communicatie tussen de ouders dient op te pakken zodat het netwerk van de moeder daarin meer op de achtergrond kan blijven. Ook is het belangrijk dat [minderjarige] in de komende periode duidelijkheid krijgt over zijn perspectief, zodat hij weet bij welke ouder hij gaat wonen en hoe de zorgregeling met de andere ouder eruit komt te zien.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, met ingang van 27 februari 2026 en tot 29 augustus 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2026 door mr. Zuijdweg, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier, en op schrift gesteld op 24 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.