ECLI:NL:RBZWB:2026:1804

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
15 maart 2026
Zaaknummer
C/02/439237 / JE RK 25-1565
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Triest
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.1.2 JeugdwetArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlening aansluitende machtiging gesloten jeugdhulp wegens wachtlijst en zorgrisico's

De minderjarige verblijft sinds juli 2025 in een gesloten jeugdhulpsetting en heeft positieve ontwikkelingen doorgemaakt, waardoor zij klaar is voor een overstap naar een open setting. Echter, door het ontbreken van een beschikbare open vervolgplek en recente zorgwekkende incidenten, waaronder vermoedelijke loverboyproblematiek en alcoholgebruik, verzoekt de gecertificeerde instelling (GI) om verlenging van de gesloten jeugdhulp.

De minderjarige en haar advocaat uiten zorgen over de duur van de gesloten plaatsing en de stress die de zittingen veroorzaken. De Raad voor de Kinderbescherming ondersteunt de verlenging, benadrukt het belang van een passende open plek en waarschuwt voor de schadelijkheid van crisisplaatsingen.

De kinderrechter erkent de positieve ontwikkelingen maar benadrukt dat de gesloten jeugdhulp niet bedoeld is als overbrugging van wachtlijsten. Gezien de huidige situatie wordt een aansluitende machtiging verleend voor de duur van één maand, met de nadruk op het vinden van een passende open vervolgplek en het beperken van stress voor de minderjarige. De beslissing op het resterende verzoek wordt aangehouden tot een volgende zitting.

Uitkomst: De rechtbank verleent een aansluitende machtiging gesloten jeugdhulp voor de duur van één maand vanwege het ontbreken van een passende open vervolgplek en recente zorgwekkende ontwikkelingen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/439237 / JE RK 25-1565
Datum uitspraak: 12 februari 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur, voogdes van de minderjarige, hierna te noemen: de GI,
over de minderjarige
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] ,
advocaat: mr. N. van Vliet uit Breda.
De kinderrechter merkt in deze zaak als informant aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, de kinderrechter over het resterende deel van het verzoek geadviseerd.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
In het procesdossier zitten de volgende stukken:
  • de in deze zaak gegeven nadere beschikking van 14 januari 2026 en alle daarin genoemde stukken;
  • de brief van 10 februari 2026 van de GI, met bijlagen.
1.2.
De nadere zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 februari 2026. Bij die zitting waren aanwezig en heeft de kinderrechter gehoord:
- [minderjarige] , bijgestaan door mr. Van Vliet;
- de moeder;
- een vertegenwoordiger namens de GI;
- een vertegenwoordigster namens de Raad.

2.De feiten

2.1.
Bij beschikking van deze rechtbank van 23 juni 2015 is het ouderlijk gezag van de moeder over [minderjarige] , die tot dat moment was belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag, beëindigd en is de Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant (als rechtsvoorganger van de GI) benoemd tot voogdes over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 1 juli 2025 is een machtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] verleend met ingang van 1 juli 2025 tot 1 oktober 2025. Nadien zijn meerdere (aansluitende) machtigingen gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] verleend. Bij de in deze zaak gegeven nadere beschikking van 14 januari 2026 is voor het laatst een machtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] verleend tot 15 februari 2026. De beslissing op het resterende deel van het verzoek is aangehouden tot de zitting op 12 februari 2026.
2.3.
Op basis van de laatstgenoemde machtiging verblijft [minderjarige] bij [accommodatie] in [plaats] , in een gesloten setting.

3.Het resterende deel van het verzoek en de onderbouwing daarvan

3.1.
Aan de orde is nu nog het resterende deel van het verzoek van de GI om een (aansluitende) machtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] te verlenen met ingang van 15 februari 2026 en tot 1 april 2026.
3.2.
De GI stelt daartoe, samengevat, onder meer het volgende. In de afgelopen periode heeft de GI er alles aan gedaan om een passende, open vervolgplek te vinden voor [minderjarige] (bij [accommodatie] , zowel binnen- als buitenregionaal, bij Bureau Jeugdzorg Noord-Limburg en via de woonplaatsgemeente Venlo). Maar dit is helaas niet gelukt. De behandelcoördinator van [accommodatie] kan nog steeds geen indicatie geven van de duur van de wachtlijst voor een open groep bij [accommodatie] . Wel is gebleken dat [minderjarige] in de afgelopen vier weken is opgeschoven op de wachtlijst van de vijfde naar de derde plek. Een plaatsing van [minderjarige] op een crisisplek zou alleen beschikbaar zijn wanneer de huidige gesloten machtiging is verlopen. In dat geval is het overigens onduidelijk waar in Nederland [minderjarige] zal worden geplaatst, met als mogelijk gevolg dat haar schoolgang bij [onderwijsinstelling] in gevaar komt. De GI vindt het daarom in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat zij haar verblijf op de huidige gesloten groep kan doorzetten totdat zij kan en zal worden overgeplaatst naar een passende, open vervolgplek. Het is van belang dat de volwassenen om haar heen haar daarbij zullen blijven ondersteunen en motiveren.
3.3.
De GI stelt, onder verwijzing naar de instemmende verklaring die de onafhankelijke gedragswetenschapper op 9 februari 2026 heeft opgesteld (welke is bijgevoegd als bijlage bij voormelde brief van de GI van 10 februari 2026), dat [minderjarige] nog steeds kampt met ernstige opvoed- en opgroeiproblematiek en dat het risico bestaat dat zij zich in een willekeurige, niet-passende, open setting zal onttrekken aan de noodzakelijk geachte zorg. Nu er geen passende open vervolgplek beschikbaar is, worden er dus ook geen alternatieve (minder ingrijpende) mogelijkheden gezien dan een voortzetting van het verblijf van [minderjarige] op de huidige gesloten groep. De onafhankelijke gedragswetenschapper adviseert daarom om ter overbrugging van de periode totdat [minderjarige] kan en zal worden overgeplaatst naar een passende open plek, een machtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] te verlenen voor de duur van maximaal drie maanden, dan wel voor een langere duur indien dat noodzakelijk wordt geacht.
3.4.
De GI stelt, ter aanvulling daarop, dat er zeer recentelijk nieuwe zorgen zijn ontstaan over [minderjarige] . Ten eerste is geconstateerd dat [minderjarige] in het afgelopen weekend onder invloed van alcohol is geweest bij de moeder thuis. Daarnaast is [minderjarige] in de avond voorafgaand aan de zitting te laat teruggekeerd naar de groep. Zij is afgezet door een auto die met hoge snelheid is weggereden. Op de groep is gezien dat zij ondergoed en bh’s in haar tas had en dat zij onder haar vest enkel een kanten korset aan had. De groepsleiding heeft vervolgens zorgelijke filmpjes aangetroffen op de telefoon van [minderjarige] , waarop zij dansend in lingerie te zien is. Een filmpje is ook online gedeeld op TikTok. Daarnaast zijn er zorgelijke berichten aangetroffen tussen [minderjarige] en meerdere meerderjarige mannen (van in ieder geval ouder dan 20 jaar oud), onder wie een man genaamd [persoon] , waarbij er is gepraat over het hebben van seks voor geld. Deze man heeft bovendien tegen [minderjarige] gepraat alsof zij zijn slaaf is. De GI maakt zich dan ook zorgen dat [minderjarige] het slachtoffer is geworden van loverboypraktijken, althans er zijn in ieder geval zorgen ontstaan over de verdere (seksuele) ontwikkeling van [minderjarige] .
3.5.
Gelet op het advies van de onafhankelijke gedragswetenschapper en met het oog op de recent ontstane zorgen over [minderjarige] , heeft de GI het resterende deel van haar verzoek mondeling ter zitting gewijzigd, in die zin dat de GI nu verzoekt om een (aansluitende) machtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] te verlenen voor de duur van drie maanden. De GI acht deze termijn passend en noodzakelijk om de overplaatsing van [minderjarige] naar een passende open vervolgplek op een goede manier te kunnen realiseren. Hoewel het op dit moment nog onduidelijk is wat er precies is gebeurd, kan de GI nu niet anders dan inzetten op het beschermen van de veiligheid van [minderjarige] . De uitbreiding van het verzoek is dan ook niet bedoeld als een straf. Het doel van het traject is volgens de GI onveranderd, namelijk dat [minderjarige] zo snel als mogelijk moet worden overgeplaatst naar een passende open vervolgplek. De GI vindt het niet in het belang van [minderjarige] om een machtiging voor een kortere duur te verlenen, zoals de kinderrechter al eerder heeft gedaan, omdat de zittingen bij de kinderrechter steeds leiden tot veel stress bij [minderjarige] en voorkomen moet worden dat tijdens de volgende zitting de zaak wederom besproken wordt, terwijl er vergeleken met vandaag niets veranderd is.

4.De standpunten

4.1.
[minderjarige] heeft, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. [minderjarige] vindt het moeilijk dat het nog steeds niet is gelukt om een passende, open vervolgplek voor haar te vinden. Zij zit inmiddels al gedurende acht maanden in geslotenheid en samen met andere jongeren die drugs gebruiken en die haar mishandelen, bedreigen en kleineren. [minderjarige] wil graag weg bij [accommodatie] en dus ook niet naar een open groep van [accommodatie] . Dit gaat zo niet langer; [minderjarige] zegt dat zij het inmiddels heeft opgegeven. Zij wil niet naar een andere school, omdat zij bang is dat alles wat zij op haar huidige school heeft bereikt, voor niets zal zijn geweest. Daarnaast gelooft zij niet, zoals de GI aangeeft, dat zij in de afgelopen vier weken van plek vijf naar plek drie op de wachtlijst is gegaan. [minderjarige] kent namelijk de jongeren op de open groep van [accommodatie] . Deze jongeren zijn allemaal zestien jaar oud en zullen op de groep blijven totdat zij meerderjarig zijn. De wachtlijst is volgens [minderjarige] dan ook minimaal een jaar. Over het incident dat een dag voor de zitting heeft plaatsgevonden, heeft [minderjarige] aangegeven dat zij te laat is teruggekeerd naar de groep. Zij heeft een man gevraagd om voor haar naar de groep te bellen, omdat de batterij van haar eigen telefoon leeg was. [minderjarige] kent deze man niet. [minderjarige] heeft naar eigen zeggen wel een fout gemaakt door contact te hebben met [persoon] . Maar omdat zij niet wordt geloofd door de groepsleiding en door de GI over wat er is gebeurd, heeft zij hier niets meer over te zeggen.
4.2.
De moeder heeft, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. De moeder vindt het niet goed voor [minderjarige] dat zij op een open groep verblijft. Maar nu gebleken is dat [minderjarige] niet op een goede manier kan omgaan met (te) veel vrijheden, ziet de moeder op dit moment geen andere mogelijkheid dan een (opvolgende) machtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] te verlenen.
4.3.
De Raad heeft, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. De Raad maakt zich zorgen over wat er recentelijk is gebeurd. Het is de vraag of het gedrag dat [minderjarige] vertoont betekent dat gesloten jeugdzorg nog steeds noodzakelijk is of dat dit gedrag juist wordt veroorzaakt doordat [minderjarige] al gedurende acht maanden in geslotenheid verkeert. De Raad vindt nadrukkelijk niet dat [minderjarige] nu terug bij af is. Als een jongere acht maanden in geslotenheid verkeert, dan mag hij of zij namelijk ook fouten maken. De Raad vindt het daarom van belang dat er even pas op de plaats wordt gemaakt waarbij er op een passende manier wordt gereageerd op de recent ontstane zorgen, maar ook dat [minderjarige] nog steeds zo snel als mogelijk wordt overgeplaatst naar een passende, open vervolgplek. Totdat deze plek gevonden is, vindt de Raad het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat zij op de huidige gesloten groep blijft. Een crisisplaatsing vindt de Raad, zoals hij al eerder heeft aangegeven, schadelijk voor de verdere ontwikkeling van [minderjarige] . Nu [minderjarige] nog steeds op de kortst mogelijke termijn dient te worden overgeplaatst naar een passende, open vervolgplek, vindt de Raad de termijn van de te verlenen (opvolgende) gesloten machtiging niet zo belangrijk. De Raad ondersteunt daarom het (mondeling gewijzigde) verzoek van de GI. De Raad vraagt zich wel af of de voorwaarde die bij de zoektocht is gesteld dat [minderjarige] naar de huidige school kan blijven gaan moet worden losgelaten, om zodoende het zoekgebied te vergroten.
4.4.
De advocaat van [minderjarige] heeft, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd. Zij vindt het zorgelijk om te horen wat er gisteren en in het afgelopen weekend zou zijn gebeurd, maar zij heeft deze informatie niet kunnen bespreken met [minderjarige] en dus niet kunnen verifiëren. Wat hier ook van zij, het is duidelijk dat [minderjarige] veel last heeft van de onduidelijkheid die zij ervaart over haar perspectief. Voorkomen moet worden dat de positieve ontwikkelingen die [minderjarige] in de afgelopen periode heeft gemaakt, tenietgedaan worden. Hoewel er nog steeds geen concreet zicht is op de datum waarop [minderjarige] kan worden overgeplaatst naar een passende open vervolgplek, stemt het de advocaat positief dat [minderjarige] in de afgelopen vier weken kennelijk twee plaatsen is opgeschoven op de wachtlijst voor een plek op de open groep bij [accommodatie] in [plaats] , ook al biedt dit geen garantie dat [minderjarige] binnen een afzienbare termijn aan de beurt zal zijn. Vanwege het ontbreken van verifieerbare informatie over de recent ontstane zorgen, kan de advocaat niet instemmen met een (opvolgende) machtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] voor de duur van drie maanden, zoals de GI mondeling ter zitting heeft verzocht. De advocaat verzoekt daarom om het resterende deel van het oorspronkelijke verzoek toe te wijzen, in die zin dat een opvolgende machtiging wordt verleend tot 1 april 2026. De advocaat kan er ook mee instemmen dat er een (opvolgende) machtiging wordt verleend voor de duur van een maand, onder aanhouding van de beslissing over het resterende deel van het verzoek. De advocaat vindt het tot slot van belang dat er vanuit [accommodatie] extra aandacht zal zijn voor het welzijn van [minderjarige] .

5.De nadere beoordeling

5.1.
In artikel 6.1.2. van de Jeugdwet staat dat de kinderrechter op verzoek een machtiging kan verlenen om een jeugdige in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven. Een machtiging kan slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter:
jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren;
de opneming en het verblijf noodzakelijk en geschikt zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken; en
er geen minder ingrijpende mogelijkheden zijn om de opgroei- en opvoedingsproblemen te behandelen.
5.2.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de kinderrechter als volgt. [minderjarige] verblijft inmiddels acht maanden in de gesloten jeugdzorg. [minderjarige] heeft in de afgelopen maanden veel positieve ontwikkelingen doorgemaakt. Zij heeft zich zo goed ontwikkeld, dat zij er klaar voor is om de overstap te maken naar een passende, open vervolgplek. De behandelcoördinator van [accommodatie] heeft in de brief van 7 januari 2026 duidelijk aangegeven dat er vanuit [accommodatie] voor [minderjarige] geen gronden meer zijn voor een verlenging van de gesloten plaatsing. Zij is klaar voor een vervolgstap. Tijdens de vorige zitting op 14 januari 2026 heeft de kinderrechter met duidelijke woorden gezegd dat de gesloten jeugdzorg niet is bedoeld ter overbrugging van wachtlijsten en dat [minderjarige] dus zo snel als mogelijk moet worden overgeplaatst naar een passende open vervolgplek. De kinderrechter heeft dit ook uitgebreid opgeschreven in de vorige beschikking. Inmiddels, bijna een maand later, is helaas gebleken dat er nog steeds geen passende, open vervolgplek voor [minderjarige] is gevonden. [minderjarige] heeft duidelijk aangegeven dat zij het niet meer ziet zitten. Zij heeft het gevoel dat de positieve ontwikkelingen die zij tot nu toe heeft gemaakt op de groep en op school voor niets zijn geweest. Of zij nu positieve ontwikkelingen doormaakt of niet, voor haar gevoel wordt er toch steeds een nieuwe machtiging gesloten jeugdhulp verleend.
5.3.
De kinderrechter benadrukt eerst het volgende. Alles wat [minderjarige] in de afgelopen maanden heeft bereikt op de groep en op school, dat heeft zij in de eerste plaats
zelfbereikt. Door alle positieve ontwikkelingen die zij heeft doorgemaakt, heeft zij allerlei vrijheden gekregen op de groep en heeft zij uitzonderingen gekregen op school. [minderjarige] mag daar ontzettend trots op zijn. Zeker gezien de slechte start die zij in het leven heeft gehad en alles wat zij in haar jonge leven al heeft meegemaakt. Daar is iedereen (de moeder, de advocaat, de Raad, de GI én de kinderrechter) het over eens. Tijdens de zitting zijn er nieuwe zorgen geuit dat [minderjarige] alcohol heeft gebruikt toen zij bij haar moeder was en er zijn zorgen ontstaan over [minderjarige] met betrekking tot loverboyproblematiek, althans over haar seksuele ontwikkeling. [minderjarige] heeft een ander verhaal over wat er wel en niet precies is gebeurd. De kinderrechter weet niet wat wel en niet waar is. Als de zorgen ook maar voor een deel waar zijn, dan vindt de kinderrechter natuurlijk dat de GI maatregelen moet nemen om deze zorgen weg te nemen. Maar dit betekent niet dat alle positieve ontwikkelingen van de afgelopen maanden voor niets zijn geweest. De kinderrechter vindt het dan ook belangrijk dat de GI goed kijkt naar wat er moet gebeuren om de zorgen die er zijn weg te nemen, maar ook dat het doel blijft staan om [minderjarige] zo snel als mogelijk over te plaatsen naar een passende, open vervolgplek.
5.4.
De kinderrechter vindt het niet in het belang van [minderjarige] , zoals zij al eerder heeft aangegeven, dat zij tijdelijk op een crisisplek zou worden geplaatst. Een crisisplek is namelijk geen goede plek voor een jongere zoals [minderjarige] die van ver is gekomen, die positieve ontwikkelingen heeft doorgemaakt, die gemotiveerd is om iets van haar leven te maken en die er nu helemaal klaar voor is om de overstap te maken naar een open plek. De kinderrechter vindt het daarom het beste dat [minderjarige] vooralsnog op de huidige gesloten groep blijft. Dit betekent dat de kinderrechter een aansluitende machtiging gesloten jeugdhulp zal verlenen. De kinderrechter vindt een machtiging voor de duur van drie maanden, zoals mondeling door de GI is verzocht, echter veel te lang. De kinderrechter vindt namelijk dat de periode voor [minderjarige] te overzien moet zijn. Zij verliest de hoop en heeft zelfs suïcidale uitspraken gedaan tijdens de zitting. Dat zij fouten maakt, de hoop verliest en haar trauma’s weer naar de oppervlakte komen, komt echter niet omdat zij faalt, maar omdat het systeem faalt. Iedere dag dat [minderjarige] in de gesloten jeugdhulp blijft, is er één te lang. Er waren immers ook volgens [accommodatie] in januari 2026 al geen gronden meer om haar binnen de geslotenheid te houden.
5.5.
De GI doet echt haar best om een passende open vervolgplek voor [minderjarige] te realiseren. Dat ziet de kinderrechter. De GI is daarbij echter afhankelijk van anderen en wordt geconfronteerd met de betreurenswaardige realiteit in de jeugdzorg in Nederland, namelijk dat er gewoonweg niet genoeg open plekken zijn voor jongeren als [minderjarige] , die kunnen en moeten uitstromen uit de geslotenheid. [minderjarige] mag hiervan echter niet langer de dupe zijn. De kinderrechter roept alle betrokkenen dan ook (nogmaals) op om zich tot het uiterste te blijven inspannen om zo snel als mogelijk een passende, open vervolgplek voor [minderjarige] te vinden dan wel te creëren en om daarbij, indien nodig, ook buiten de gebaande paden te kijken.
5.6.
De kinderrechter zal, omdat zij helaas op dit moment niet anders kan, een (aansluitende) machtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] verlenen voor de duur van een maand, dus tot 15 maart 2026. De beslissing op het resterende deel van het verzoek zal worden aangehouden tot de hierna te noemen zitting. Deze dag en tijdstip is na afloop van de zitting bepaald na afstemming met de advocaat en de GI.
5.7.
De kinderrechter benadrukt dat de volgende zitting alleen hoeft door te gaan als de GI te zijner tijd het resterende deel van haar verzoek handhaaft. Het beste zou zijn dat [minderjarige] dan al is overgeplaatst naar de open groep en dat een aansluitende machtiging gesloten jeugdhulp dus niet nodig is. In dat geval verzoekt de kinderrechter aan de GI om dit bij voorkeur voorafgaand aan de volgende zitting schriftelijk door te geven, waarna de kinderrechter deze zaak dan verder schriftelijk zal afdoen. Als de GI aangeeft dat het nodig is om het verblijf van [minderjarige] op de huidige groep nog langer voort te zetten en de GI het resterende deel van het verzoek dus handhaaft, dan zal de kinderrechter dit verzoek op de volgende zitting mondeling behandelen. De kinderrechter verzoekt in dat geval aan de GI om haar tijdig voorafgaand aan de volgende zitting schriftelijk te informeren over de actuele stand van zaken. Aangezien de aansluitende machtiging zal worden verleend voor een relatief korte duur en de onafhankelijke gedragswetenschapper op 9 februari 2026 heeft ingestemd met een machtiging voor de duur van drie maanden, hoeft de GI ten behoeve van de volgende zitting niet weer een actuele (instemmende) verklaring van de onafhankelijke gedragswetenschapper over te leggen, tenzij er nieuwe omstandigheden aan de orde zijn.
5.8.
De kinderrechter benadrukt verder, gezien de spanningen die de zittingen steeds bij [minderjarige] oproepen, dat er te zijner tijd indien noodzakelijk ook schriftelijk, dus zonder een zitting, een aansluitende machtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] kan worden verleend indien alle betrokkenen, en met name [minderjarige] , het daarover eens zijn. Als één of meerdere partijen, om wat voor reden dan ook, wel behoefte heeft/hebben om het resterende deel van het verzoek mondeling ter zitting te behandelen, dan gaat de hierna te noemen zitting dus door.
5.9.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verleent een (aansluitende) machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 15 februari 2026 tot 15 maart 2026;
6.2.
houdt de beslissing voor het overige aan tot de zitting op
[datum] 2026 om [uur], bij mr. Van Triest als kinderrechter, gehouden in het gebouw van
de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, Stationslaan 10, 4815 GW;
6.3.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor die zitting
voor [minderjarige] , haar advocaat, de GI en de Raad;
6.4.
bepaalt dat de moeder, omdat zij als informant in deze zaak geen afschrift van
deze beschikking krijgt, per brief zal worden opgeroepen voor de zitting;
6.5.
behoudt zich iedere (verdere) beslissing voor.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2026 door mr. Van Triest, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier, en op schrift gesteld op 25 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.