ECLI:NL:RBZWB:2026:1808

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
15 maart 2026
Zaaknummer
C/02/443210 / JE RK 25-2269
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Triest
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:247 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige wegens ernstige bedreiging ontwikkeling

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige die sinds voorjaar 2024 uit huis is geplaatst. De minderjarige verbleef aanvankelijk bij de moeder, daarna bij de vader, en sinds oktober 2025 weer grotendeels bij de moeder. De GI constateert toegenomen zorgen over het gedrag en de motivatie van de minderjarige op school en stage.

De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit. De vader uit zorgen over het zelfbepalend gedrag en het gebrek aan structuur bij de moeder, terwijl de moeder de zorgen niet herkent en geen hulpverlening wenst. De minderjarige zelf vindt een verlenging niet nodig en ervaart de betrokkenheid van de GI als belastend.

De kinderrechter overweegt dat de wettelijke vereisten voor verlenging van de ondertoezichtstelling zijn vervuld, gezien de ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarige en het ontbreken van adequate hulpverlening. De beslissing over het hoofdverblijf is aangehouden tot eind juni 2026. De ondertoezichtstelling wordt verlengd tot 15 juli 2026 en uitvoerbaar bij voorraad verklaard om continuïteit van de betrokkenheid van de GI te waarborgen.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van de minderjarige tot 15 juli 2026 en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/443210 / JE RK 25-2269
Datum uitspraak: 12 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur, hierna te noemen: de GI,
over de minderjarige:
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt in deze zaak als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. C.G.M. Baas te Bergen op Zoom,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. A. Koop-van Vliet te Breda.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 19 december 2025;
  • het op 11 februari 2026 ontvangen bericht van mr. Koop-van Vliet, met bijlagen.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 februari 2026. Bij die zitting zijn verschenen en heeft de kinderrechter gehoord:
  • de moeder, bijgestaan door mr. Koop-van Vliet;
  • de vader, bijgestaan door mr. Baas;
  • een vertegenwoordigster namens de GI.
1.3.
[minderjarige] heeft, gezien zijn leeftijd, het recht om zijn mening in deze zaak te geven. Op 10 februari 2026 heeft [minderjarige] zijn mening gegeven tijdens een gesprek met de kinderrechter. Bij aanvang van de zitting heeft de kinderrechter een samenvatting hiervan gedeeld met de aanwezigen en hen in de gelegenheid gesteld om in de loop van de zitting daarop te reageren.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft momenteel feitelijk bij zijn moeder en hij verblijft eenmaal per twee weken in het weekend bij zijn vader.
2.3.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 17 mei 2021 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar. Deze maatregel is nadien meermaals verlengd, voor het laatst bij beschikking van 15 augustus 2025 tot 18 februari 2026. Daarnaast is bij deze beschikking de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, verlengd tot 18 februari 2026.

3.Het verzoek van de GI en de onderbouwing daarvan

3.1.
De GI verzoekt om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van vijf maanden, dus tot 15 juli 2026, en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI heeft ter onderbouwing van haar verzoek, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. In het voorjaar van 2024 is [minderjarige] uit huis geplaatst. Hij woonde tot dat moment bij zijn moeder. Na een kortdurend verblijf op een crisisgroep, is hij in juni 2024 bij de vader geplaatst. Vervolgens is er toegewerkt naar een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders, waarbij [minderjarige] drie van de vier weekenden bij de moeder zou verblijven. Op basis van deze regeling verbleef [minderjarige] op de dagen dat hij naar school/stage moest en er meer van hem werd gevraagd bij de vader en verbleef hij op de dagen dat hij vrij had van school/stage en er dus minder van hem werd gevraagd, bij de moeder. [minderjarige] gedijde goed bij deze verdeling. Op een gegeven moment heeft de vader een verzoek bij de rechtbank ingediend om het hoofdverblijf van [minderjarige] bij hem te bepalen. De bedoeling van het verzoek was om de feitelijke situatie die al enige tijd bestond, te formaliseren. De rechtbank heeft in haar beschikking van 23 september 2025 echter vastgesteld dat er tijdens de uithuisplaatsing niet is toegewerkt naar een terugplaatsing van [minderjarige] bij de ouder bij wie het tot de uithuisplaatsing woonde, in dit geval de moeder. De rechtbank vond dat daarmee een belangrijke stap is overgeslagen in het proces om te komen tot een definitieve beslissing over het toekomstperspectief van [minderjarige] . Gelet hierop heeft de rechtbank geoordeeld dat de (on)mogelijkheden om [minderjarige] meer bij de moeder te laten verblijven alsnog moesten worden onderzocht. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat zij zich kon voorstellen dat [minderjarige] , naast de weekenden dat hij tot dan toe bij de moeder verbleef, voortaan ook op één of meerdere doordeweekse dag(en) bij de moeder zou verblijven, zo nodig met de inzet van passende hulpverlening. De rechtbank heeft de beslissing op het verzoek van de vader in die zaak pro forma aangehouden tot 23 juni 2026.
3.3.
De GI is vanaf begin oktober 2025 gestart met het uitbreiden van de zorg- en contactregeling tussen de moeder en [minderjarige] . Momenteel verblijft [minderjarige] van maandag tot en met vrijdag bij de moeder, en ook in de even weken tijdens de weekenden. Hoewel de vader zag dat [minderjarige] moeite had met de aanpassing, leek het aanvankelijk goed te gaan met [minderjarige] bij de moeder thuis, op school en op stage. Inmiddels zijn de zorgen over [minderjarige] echter toegenomen, waarbij hij steeds verder lijkt af te glijden. De zorgen die momenteel vanuit school en stage worden geuit, zijn dat [minderjarige] ongemotiveerd is, dat hij zelfbepalend gedrag vertoont en dat hij zijn spullen niet op orde heeft. Ook zegt hij soms dat hij zijn boeken niet bij zich heeft, terwijl later blijkt dat zijn boeken in zijn kluisje liggen. Ook komt [minderjarige] vermoeid over sinds hij doordeweeks bij zijn moeder verblijft. De GI maakt zich veel zorgen over deze ontwikkelingen. De GI heeft gevoel dat de situatie terug bij af is. Dit terwijl [minderjarige] momenteel in een belangrijke fase op school zit. Als hij zijn stage positief afrondt, dan is de kans groot dat hij vanuit zijn stagebedrijf een contract aangeboden krijgt. Zo niet, dan zal hij in het volgende schooljaar naar school moeten blijven gaan, terwijl hij daarvoor niet gemotiveerd is. Bovendien heeft de vader aangegeven dat hij de weekenden dat [minderjarige] bij hem verblijft, op deze manier niet veel langer kan blijven volhouden. De GI wil graag dat er een aantal (basis)voorwaarden waar [minderjarige] zich aan zal moeten houden in deze beschikking worden opgenomen, maar de GI benoemt niet welke voorwaard(en) dit dan moeten zijn.
3.4.
Op dit moment is er geen hulpverlening betrokken in de opvoedsituatie van de moeder. De moeder en [minderjarige] willen geen hulpverlening krijgen en zij hebben geen hulpvraag. De hulpverlening vanuit [hulpverlening 1] , die eerder betrokken zijn geweest en die bij de afronding van de hulpverlening destijds een duidelijk advies hebben geformuleerd, heeft aangegeven geen aanleiding te zien om opnieuw te starten met het bieden van hulp in de opvoedsituatie van de moeder. Wel heeft de moeder [minderjarige] inmiddels aangemeld voor een zelfstandigheidstraining bij [hulpverlening 2] . De GI staat hier achter, onder andere omdat zij het niet in het belang vindt om [minderjarige] opnieuw te verplaatsen. Het draagvlak vanuit de vader om mee te bewegen, wordt steeds minder. Hoewel er op dit moment dus geen hulpverlening wordt ingezet, verzoekt de GI om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van vijf maanden, om de situatie gedurende dit schooljaar te blijven monitoren en indien nodig te kunnen ingrijpen.

4.De standpunten

4.1.
[minderjarige] heeft tijdens het gesprek met de kinderrechter, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. [minderjarige] loopt momenteel stage bij [bedrijf] (bestrating en riolering). Vanaf volgende week zal hij stage gaan lopen in [plaats] , als een soort conciërge. Hij zal dan drie dagen per week stage lopen en een dag naar school toe gaan. [minderjarige] betwist dat er zorgen over hem zijn nu hij weer bij zijn moeder woont. Het klopt niet dat er bij zijn moeder minder regels zijn dan bij zijn vader. Overigens houdt [minderjarige] zich naar eigen zeggen aan de gestelde regels en grenzen. [minderjarige] wordt zenuwachtig van de betrokkenheid van de huidige jeugdbeschermer. Een verlenging van de ondertoezichtstelling vindt hij niet nodig.
4.2.
Namens en door de vader is, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd. De beslissing die de rechtbank in de procedure over het hoofdverblijf van [minderjarige] heeft genomen, kwam voor de vader als een donderslag bij heldere hemel. Toen [minderjarige] bij de vader thuis verbleef, ging het goed met hem. Maar nu hij het merendeel van de tijd bij zijn moeder verblijft, glijdt hij volgens de vader steeds verder af. Uit eerdere verslaglegging vanuit [hulpverlening 1] blijkt dat [minderjarige] kampt met forse kindeigen problematiek, waardoor hij bovengemiddeld veel duidelijkheid en structuur nodig heeft. Dit wordt hem bij de moeder niet geboden. Bij de moeder thuis wordt bovendien onvoldoende in zijn basisbehoeften voorzien. Als gevolg hiervan vertoont [minderjarige] zelfbepalend gedrag. Ook zou hij door een vriendinnetje als geldezel zijn gebruikt. De positieve ontwikkelingen die in de afgelopen jaren zijn bereikt, zijn in ieder geval tenietgedaan. [minderjarige] loopt momenteel stage bij het bedrijf waar de vader zelf ook werkt. De vader stelt dat [minderjarige] ongemotiveerd en weinig vrolijk is en dat zijn collega’s zich aan hem beginnen te irriteren. Als hij zijn gedrag niet positief verandert, dan zal het stagebedrijf hem naar verwachting geen baan aanbieden. Ook heeft de vader vernomen dat [minderjarige] op slippers naar school toe zou gaan. Hoewel de vader de beslissing van de rechtbank dus absoluut niet kan volgen, heeft hij wel besloten om zich daar bij neer te leggen en zodoende rust te creëren. Dit ook omdat de vader ziet dat [persoon] , het jongere zusje van [minderjarige] , last heeft van het gedrag van [minderjarige] .
Aangezien de zorgen over [minderjarige] in de afgelopen periode zijn toegenomen en hij en de moeder geen hulpverlening accepteren, stelt de vader zich op het standpunt dat wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor een verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] . De vader verzoekt om de termijn van de verlenging van de maatregel te bekorten tot 2,5 maand, onder aanhouding van de beslissing over het resterende deel van het verzoek, zodat er sprake zal zijn van een tussentijds toetsmoment. De vader verzoekt daarbij aan de GI om in de komende periode te onderzoeken of de plaatsing van [minderjarige] bij de moeder haalbaar is, dan wel om hem te plaatsen bij een behandelgroep van [hulpverlening 2] , en van daaruit [minderjarige] zo goed als mogelijk te begeleiden tot zijn meerderjarigheid, al dan niet door in te zetten op begeleid wonen. De vader vindt een tussentijds toetsmoment noodzakelijk, omdat het van belang is dat de GI daadkrachtig zal optreden, teneinde een crisissituatie te voorkomen.
4.3.
Namens en door de moeder is, samengevat, onder meer het volgende aangevoerd. De moeder stemt in met de verzochte verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van vijf maanden. Nu de ouders niet in staat zijn om op een goede manier met elkaar te communiceren over [minderjarige] , blijft de betrokkenheid vanuit de GI binnen het gedwongen kader noodzakelijk. De moeder herkent zich niet in de gestelde zorgen over de opvoedsituatie van [minderjarige] bij de moeder en over zijn stage- en schoolgang. [minderjarige] vindt weliswaar zijn huidige werkzaamheden bij het stagebedrijf niet leuk (het opschonen van dossiers), maar hij heeft veel zin om vanaf volgende week te starten in [plaats] met andere werkzaamheden (in de verkeers-/buitendienst). Dat [minderjarige] op school zou zeggen dat hij geen spullen bij zich heeft, terwijl vervolgens blijkt dat zijn spullen in zijn kluisje liggen, daar kan de moeder niets aan doen. Aangezien de moeder de zorgen over (de opvoedsituatie van) [minderjarige] niet herkent, vindt zij het niet nodig om daar hulpverlening op in te zetten. De moeder heeft [minderjarige] wel aangemeld voor een zelfstandigheidstraining bij [hulpverlening 2] , om hem op een goede manier voor te bereiden op zijn meerderjarigheid. De moeder ziet geen aanleiding om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor een kortere duur te verlengen dan is verzocht, zoals door en namens de vader is verzocht.

5.De beoordeling

5.1.
Op grond van artikel 1:260 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255, eerste lid BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.
Op grond van artikel 1:255, eerste lid BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid BW, in staat zijn te dragen.
5.3.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de kinderrechter als volgt. Deze rechtbank heeft in haar beschikking van 23 september 2025 overwogen dat de GI alsnog de (on)mogelijkheden moet onderzoeken om [minderjarige] , die op dat moment met een machtiging tot uithuisplaatsing feitelijk het merendeel van de tijd bij de vader woonde, terug te plaatsen bij de moeder. De rechtbank heeft daarbij ter overweging meegegeven om [minderjarige] , die tot dat moment eenmaal per twee weken in het weekend bij de moeder verbleef, ook op één of meerdere doordeweekse dagen bij de moeder te laten verblijven. In lijn met deze opdracht heeft de GI vanaf begin oktober 2025 de zorg- en contactregeling tussen de moeder en [minderjarige] stapsgewijs uitgebreid. Inmiddels verblijft [minderjarige] doordeweeks en eenmaal per twee weken in het weekend bij de moeder. In de overige weekenden verblijft hij bij zijn vader. De verdeling van de zorg- en opvoedingstaken is nu dus omgedraaid vergeleken met de verdeling in september 2025.
5.4.
Het is de kinderrechter gebleken dat de zorgen over [minderjarige] zijn toegenomen sinds [minderjarige] weer het merendeel van de tijd bij zijn moeder woont. De kinderrechter vindt het namelijk, net als de GI en de vader, zorgelijk dat [minderjarige] zelfbepalend gedrag vertoont en dat hij ongemotiveerd is op school en op zijn stage. Dit terwijl [minderjarige] momenteel in een belangrijk schooljaar zit en deze periode een belangrijke basis vormt voor zijn verdere ontwikkeling richting volwassenheid. Als [minderjarige] zijn gedrag en houding voldoende zal veranderen en hij zijn stage op een goede manier zal afronden, dan bestaat namelijk de kans dat hij een baan aangeboden krijgt bij zijn stagebedrijf. Als dat niet het geval is, dan zal hij volgend jaar naar school moeten blijven gaan, terwijl hij daarvoor niet gemotiveerd is. Gelet hierop is de kinderrechter van oordeel dat [minderjarige] nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd.
5.5.
In het verleden zijn er al allerlei vormen van hulpverlening ingezet. Op dit moment is er echter geen hulpverlening betrokken bij [minderjarige] en bij de moeder. Het lijkt erop dat [minderjarige] en de moeder hulpverleningsmoe zijn geworden. De moeder heeft [minderjarige] wel aangemeld voor een zelfstandigheidstraining bij [hulpverlening 2] . Om [minderjarige] voor verder afglijden te behoeden en om de ernstige bedreigingen in zijn ontwikkeling weg te nemen, vindt de kinderrechter het noodzakelijk dat de GI daadkrachtig zal optreden en dat zij alsnog zal proberen om hulp en ondersteuning voor [minderjarige] in te zetten om hem gedurende dit schooljaar te begeleiden, en dat de GI de situatie in ieder geval dit schooljaar zal blijven monitoren en, indien nodig, zal ingrijpen.
5.6.
De kinderrechter is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor het verlengen van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] . Dit is door en namens de ouders ook niet weersproken. De rechtbank heeft de beslissing over het hoofdverblijf van [minderjarige] aangehouden tot eind juni 2026. In de tussentijd zal [minderjarige] dus deels bij zijn beide ouders verblijven. Een tijdelijke crisisplaatsing op een neutrale plek acht de kinderrechter in ieder geval niet in het belang van [minderjarige] . Met het oog op de toekomst verzoekt de kinderrechter aan de GI om te bezien of, zoals door en namens de vader is voorgesteld, een plaatsing (op termijn) van [minderjarige] bij [hulpverlening 2] noodzakelijk zal zijn en, zo ja, om hem alvast daarvoor aan te melden. Aangezien de beslissing over het hoofdverblijf van [minderjarige] is uitgesteld tot eind juni 2026 en het van belang is dat de GI in ieder geval dit schooljaar betrokken blijft, zal de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengen voor de verzochte duur van vijf maanden, dus tot 15 juli 2026. De kinderrechter ziet dan ook geen aanleiding om de maatregel voor een kortere duur te verlengen en een tussentijds toetsmoment te creëren met als enkele reden om te controleren of de GI voortvarend zal blijven handelen, zoals namens en door de vader is verzocht. De kinderrechter gaat er namelijk van uit dat de GI, met in achtneming van de overwegingen uit deze beschikking, haar taak voortvarend zal (blijven) uitvoeren.
5.7.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dit betekent dat de beslissing per direct van kracht is en moet worden uitgevoerd door de GI, ook als hiertegen een hoger beroep wordt ingesteld. De kinderrechter acht dit in het belang van [minderjarige] . De betrokkenheid van de GI moet niet onderbroken worden.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 15 juli 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2026 door mr. Van Triest, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier, en op schrift gesteld op 25 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.