ECLI:NL:RBZWB:2026:1810

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
15 maart 2026
Zaaknummer
C/02/444531 / JE RK 26-176
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Leuven
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:247 lid 2 BWArt. 1:265b lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek ondertoezichtstelling en machtiging gesloten plaatsing jeugdhulp wegens ontbreken wettelijke grond

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een ondertoezichtstelling van twaalf maanden en een machtiging voor gesloten plaatsing van drie maanden voor een minderjarige met een licht verstandelijke beperking die strafbare feiten pleegt en gedragsproblemen vertoont. De moeder stemde in met de gesloten plaatsing, maar verzette zich tegen de ondertoezichtstelling. Tijdens de zitting gaf de minderjarige aan de hulp te accepteren en de advocaat van de minderjarige stond niet onvoorwaardelijk tegenover de ondertoezichtstelling.

De Raad stelde dat de gesloten plaatsing noodzakelijk was vanwege het falen van minder ingrijpende hulpvormen en de ernst van de situatie. De moeder erkende de problemen maar stelde dat zij in staat is de zorg te dragen en de hulp te accepteren. De kinderrechter oordeelde dat de wettelijke voorwaarden voor ondertoezichtstelling niet zijn vervuld omdat de moeder de hulpverlening vrijwillig en ondubbelzinnig accepteert.

De machtiging voor gesloten plaatsing werd eveneens afgewezen omdat de moeder hiermee instemt en reeds een beschikking voor gesloten plaatsing was verleend. De rechtbank concludeerde dat de verzoeken van de Raad niet kunnen worden toegewezen en wees deze af. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot ondertoezichtstelling en machtiging gesloten plaatsing af wegens ontbreken van wettelijke grond.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/444531 / JE RK 26-176
Datum uitspraak: 12 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en een machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Gevestigd te Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] ,
advocaat mr. P.C. Saris uit Eindhoven.
De kinderrechter merkt in deze zaak als belanghebbenden aan:
[minderjarige] ,voornoemd
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] .
De kinderrechter merkt in deze zaak als informanten aan:
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg,gevestigd te Tilburg ,
hierna te noemen: het college
de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, locatie te Amsterdam
hierna te noemen: de GI

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • Het verzoek van de Raad van 29 januari 2026;
  • De instemmingverklaring van de gedragsdeskundige d.d. 27 januari 2026;
  • De reactie van de moeder op het conceptrapport d.d. 20 januari 2026
1.2.
Op 12 februari 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- [minderjarige] met zijn advocaat en een begeleider vanuit [hulpverlening] ;
- de moeder met haar advocaat en met ondersteuning van een tolk (telefonisch) in de taal Tigrinya;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
  • twee vertegenwoordigers van het college;
  • twee vertegenwoordiger van de GI.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft op basis van een machtiging gesloten jeugdhulp gegeven door deze kinderrechter bij beschikking van 9 december 2025 met nummer C/02/442461 / JE RK 25-2115 en C/02/442129 / JE RK 25-2056 bij [hulpverlening] tot 16 februari 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad heeft verzocht om een ondertoezichtstelling voor de duur van 12 maanden voor [minderjarige] en om daarnaast een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van drie maanden.
3.2.
De moeder stemt in met het verblijf in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp, maar verzet zich tegen de ondertoezichtstelling.

4.Het standpunt van de Raad

4.1.
De Raad heeft ter onderbouwing van het standpunt aangevoerd dat er grote zorgen zijn over de situatie van [minderjarige] . Hij laat zelfbepalende gedrag zien en pleegt strafbare feiten. Hij loopt weg en houdt zich niet aan regels en afspraken. [minderjarige] zoekt mensen op die een negatieve invloed op hem hebben en waardoor hij strafbare feite pleegt en drugs gebruikt. [minderjarige] raakt snel gefrustreerd en boos als hij een afwijzing of begrenzing ervaart of als hij de situatie niet begrijpt. Dit kan voortkomen uit zijn licht verstandelijke beperking. [minderjarige] kan dan heftig reageren, spullen kapot maken, dreigen en schelden. Voordat [minderjarige] bij [hulpverlening] verbleef, waren er vaak incidenten bij de moeder thuis. De Raad vreest dat de band tussen [minderjarige] en de moeder verslechtert omdat [minderjarige] de moeder niet meer vertrouwt en haar hulp en ondersteuning niet meer accepteert. De moeder heeft geen grip meer op hem en het lukt haar niet meer om hem te ondersteunen. Er is verder diagnostisch onderzoek nodig naar de oorsprong van zijn gedrag. Daarna kan een passende behandeling en begeleiding worden ingezet. De Raad verzoekt om een ondertoezichtstelling van 12 maanden en acht de William Scrhikker Jeugdbescherming passend omdat bij [minderjarige] een licht verstandelijke beperking is vastgesteld.
4.2.
De Raad acht een plaatsing in gesloten jeugdinstelling noodzakelijk omdat minder ingrijpende vormen van hulp niet hebben gewerkt of niet uitvoerbaar zijn. MST heeft onvoldoende effect gehad en [minderjarige] liep bij een vrijwillige crisisplaatsing na één nacht weg en hield zich niet aan de afspraken waardoor de plaatsing beëindigd werd. Een gedwongen kader is nodig voor zijn eigen veiligheid. In een gesloten setting kan er veiligheid, structuur en nabijheid worden geboden. Hierdoor krijgt [minderjarige] de kans om stabiliteit en rust te ervaren en kan hulpverlening daadwerkelijk bij hem doordringen, zonder dat hij meteen wegloopt. Dit biedt de beste mogelijkheid om zijn gedrag te begeleiden en zijn ontwikkeling te ondersteunen. De Raad acht een termijn van zes maanden nodig omdat er eerst diagnostiek plaats moet vinden voordat kan worden bezien welke hulpverlening of behandeling het beste aansluit. De gedragswetenschapper heeft echter een instemming afgegeven voor de duur van drie maanden, zodat de Raad eveneens om een termijn van drie maanden verzoekt voor de gesloten plaatsing jeugdzorg. De moeder is volgens de Raad te wisselend in haar toestemming voor medewerking aan de gesloten plaatsing.

5.Het standpunt van de belanghebbenden

5.1.
[minderjarige] heeft tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat hij inmiddels op zijn plaats zit bij [hulpverlening] en dat hij de hulp aanvaardt die hem daar wordt geboden. [minderjarige] is akkoord met gesloten plaatsing voor de duur van drie maanden. De advocaat van [minderjarige] heeft aangevoerd dat een ondertoezichtstelling voor [minderjarige] niet geheel duidelijk is, maar dat hij er niet zonder meer op tegen is.
5.2.
Door en namens de moeder is aangevoerd dat zij akkoord is met de gesloten plaatsing jeugdzorg voor de duur van drie maanden. Zij ziet dat het beter gaat met [minderjarige] nu hij gesloten geplaatst is. Zij maakt zich wel zorgen over het weglopen van [minderjarige] .
De moeder verzet zich echter tegen de ondertoezichtstelling. Zij bestrijdt niet dat er sprake is van een ernstige bedreiging van de ontwikkeling van [minderjarige] , maar zij acht zich in staat om de beslissingen te nemen en zij accepteert ook de hulp die haar geboden wordt. Er is om die reden niet voldaan aan de wettelijke eisen voor het verzoek van de Raad. De omstandigheid dat de moeder-zoon band mogelijk gevaar loopt, is geen grond die steun vindt in de jurisprudentie. Dat ingrijpen makkelijker is bij een ondertoezichtstelling vanwege een taalbarrière of andere praktische bezwaren, kan geen grondslag zijn voor een ondertoezichtstelling.

6.De beoordeling

6.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW Pro kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat zijn te dragen.
6.2.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
6.3.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat er niet wordt voldaan aan de wettelijke grond zoals bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW Pro. Er is - onbetwist - sprake van een ernstige bedreiging van de ontwikkeling van [minderjarige] . De kinderrechter stelt echter vast dat de moeder de hulpverlening die haar in het vrijwillig kader is aangeboden, bij herhaling en ondubbelzinnig heeft geaccepteerd. Er is ook geen reden om aan te nemen dat zij deze acceptatie zal intrekken. De kinderrechter wijst in dit kader ook op de verklaring van de moeder bij de vorige mondelinge behandeling op 9 december 2025 waarin zij heeft erkend dat [minderjarige] hulp nodig heeft op een plek die veilig is voor hem. Zowel de Raad als de GI bevestigen dat de moeder zich meewerkend heeft opgesteld voor de geboden hulpverlening. Voor de ondertoezichtstelling is daarom geen wettelijke grond aanwezig.
6.4.
De kinderrechter wijst de machtiging gesloten plaatsing jeugdzorg eveneens af, aangezien de moeder instemt met de gesloten plaatsing en het verzoek tot machtiging gesloten jeugdzorg zo als eerder door de gemeente [woonplaats] is ingediend en bij beschikking van heden met nummer C/02/442129 JE RK 25-2056 wordt toegewezen.
6.5.
Dit betekent dat de onderhavige verzoeken worden afgewezen.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
wijst de verzoeken van de Raad af.
Deze beschikking is gegeven door mr Van Leuven, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2026, in aanwezigheid van mr. Joosen als griffier.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 26 februari 2026
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.