ECLI:NL:RBZWB:2026:1813

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
C/02/443626 / FA RK 26-21
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Hendriks
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek vervangende toestemming vaccinatie minderjarige volgens Rijksvaccinatieprogramma

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een verzoek van de vader om vervangende toestemming te verkrijgen voor het laten vaccineren van zijn minderjarige kind volgens het Rijksvaccinatieprogramma, omdat de moeder haar toestemming niet gaf. De minderjarige verblijft bij de vader en partijen hebben gezamenlijk gezag. De moeder stemde niet in met vaccinatie tegen ziektes waarvoor het kind nog niet eerder was gevaccineerd, terwijl de vader dit wel wenste vanwege het belang van bescherming tegen infectieziekten.

De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde de rechtbank om het verzoek toe te wijzen, terwijl de gecertificeerde instelling geen standpunt innam. De rechtbank overwoog dat het Rijksvaccinatieprogramma wetenschappelijk onderbouwd is en in het belang van het kind om bescherming te bieden tegen schadelijke aandoeningen. De bezwaren van de moeder waren onvoldoende onderbouwd en er waren geen bijzondere omstandigheden die deelname aan het programma zouden moeten verhinderen.

De rechtbank concludeerde dat het belang van het kind gediend is met vaccinatie volgens het Rijksvaccinatieprogramma en verleende de vader vervangende toestemming. De beslissing werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct gevolgd moet worden. Het verzoek tot vervangende toestemming voor de identiteitskaart werd ingetrokken en afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank verleent vervangende toestemming voor vaccinatie van de minderjarige volgens het Rijksvaccinatieprogramma en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/443626 / FA RK 26-21
datum uitspraak: 13 februari 2026
beschikking vervangende toestemming identiteitskaart en vaccinatie Rijksvaccinatieprogramma
in de zaak van
[de man],
hierna: de man,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. A.A. Broekman-De Feijter in Terneuzen,
tegen
[de vrouw] ,
hierna: de vrouw,
wonende in [woonplaats 2] (België),
over de minderjarige:
-
[minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2021, hierna: [minderjarige] .
Op grond van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
Informant in deze procedure is:
de Stichting Jeugdbescherming west Zeeland, hierna te noemen de gecertificeerde instelling (GI),
gevestigd in Middelburg,

1.Het procesverloop

1.1
In het dossier zitten de volgende stukken:
- het op 17 december 2025 ontvangen verzoek met bijlagen;
- de brief met bijlagen van mr. Broekman-De Feijter, ontvangen op 23 januari 2026.
1.2
Op 27 januari 2026 heeft de rechtbank deze zaak, gelet op de onderlinge samenhang, gezamenlijk met het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] in de zaak met C/02/443755 / JE RK 26-29, tijdens de zitting met gesloten deuren behandeld. In die zaak is afzonderlijk beslist.
1.3
Verschenen en gehoord zijn:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder;
- een vertegenwoordiger van de GI;
- een vertegenwoordigster van de Raad.

2.De feiten

2.1
Partijen hebben met elkaar een relatie gehad. Uit deze relatie is [minderjarige] geboren.
2.2
[minderjarige] verblijft bij de man.
2.3
Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige] .
2.4
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 26 februari 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland met ingang van 26 februari 2024 en tot 26 februari 2025. De ondertoezichtstelling is nadien steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 27 januari 2026 met ingang van 26 februari 2026 en tot 26 februari 2027.
2.5
Bij beschikking van deze rechtbank van 8 januari 2025 is bepaald dat [minderjarige] zijn hoofdverblijf heeft bij de man en is bepaald dat de vrouw en [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar minimaal éénmaal per week gedurende 3 uur, zulks vooralsnog op de dinsdagen van
13:00 uur tot 16:00 uur onder begeleiding van [hulpverlening], waarbij de verdere uitbreiding en de vraag of en wanneer deze contacten onbegeleid kunnen plaatsvinden in handen van de GI wordt gelegd.

3.De verzoeken en de standpunten

3.1
De man verzoekt:
- ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de vrouw, toestemming te
verlenen om de [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2021 te
[geboorteplaats] , te laten inenten overeenkomstig het Rijksvaccinatieprogramma;
- ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de vrouw, toestemming te
verlenen voor de aanvraag tot het verstrekken van een Nederlandse identiteitskaart
ten behoeve van de [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2021 te
[geboorteplaats] .
3.2
De vrouw is het niet eens met het verzoek van de man strekkende tot het verlenen van vervangende toestemming om [minderjarige] te laten inenten overeenkomstig het Rijksvaccinatieprogramma en verzoekt dit verzoek af te wijzen.
3.3
Op de standpunten van alle betrokkenen wordt, voor zover nodig om de verzoeken te beoordelen, hierna ingegaan.

4.De beoordeling

Vervangende toestemming identiteitskaart
4.1
De vrouw heeft ter zitting alsnog haar toestemming gegeven voor de aanvraag van een identiteitskaart voor [minderjarige] en het bijbehorende formulier ingevuld, alsmede ten behoeve van de aanvraag van een identiteitskaart van [minderjarige] een kopie van haar identiteitskaart aan de man verstrekt. De man heeft daarna zijn verzoek omtrent de vervangende toestemming voor de aanvraag van een identiteitskaart ingetrokken. Gelet op deze intrekking kan dit verzoek niet meer worden beoordeeld. De rechtbank zal dit verzoek dan ook afwijzen.
Vervangende toestemming vaccinaties Rijksvaccinatieprogramma
4.2
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt dan een beslissing die zij in het belang van het kind vindt. De rechter moet eerst bekijken of de ouders met elkaar afspraken kunnen maken (artikel 1:253a lid 5 BW).
4.3
De rechtbank zal, nu zij een vergelijk tussen partijen heeft getroffen, maar is gebleken dat partijen niet tot overeenstemming kunnen komen, een beslissing nemen op het verzoek van de man om vervangende toestemming te verlenen tot vaccinatie van [minderjarige] in het kader van het Rijksvaccinatieprogramma.
4.4
Door en namens de man is toegelicht dat hij al langer wenst dat [minderjarige] wordt gevaccineerd volgens het Rijksvaccinatieprogramma, vooral omdat [minderjarige] al langere tijd naar de kinderopvang gaat en binnenkort ook gaat starten op de basisschool. Daarnaast loopt [minderjarige] ook op andere momenten het risico om besmet te raken met (kinder)ziektes, die grote risico’s met zich kunnen meebrengen. De man acht het dan ook in het belang van [minderjarige] dat hij tegen deze risico’s wordt beschermd. De man is van mening dat als uitgangspunt geldt dat vaccineren in het belang van de kinderen is. Het is niet in het belang van [minderjarige] dat hij aan een gevaar van meer risico op een ziekte waartegen hij gevaccineerd had kunnen zijn wordt blootgesteld. Dit geldt des te meer omdat [minderjarige] in zijn eerste levensjaar wel de vaccinaties volgens (een deel van) het Rijksvaccinatieprogramma heeft gekregen. Daar komt bij dat de man geen (medische) omstandigheden aan de zijde van [minderjarige] bekend zijn die maken dat het risico op bijwerkingen bij hem groter is dan bij andere kinderen.
4.5
De vrouw heeft tijdens de zitting verklaard dat zij na de geboorte van [minderjarige] met de man heeft besproken dat [minderjarige] de meest belangrijke vaccinaties zou krijgen. [minderjarige] is toen gevaccineerd tegen een aantal ziektes. De vrouw vindt het goed als [minderjarige] opnieuw wordt gevaccineerd tegen deze ziektes, maar niet tegen ziektes waartegen hij nog niet eerder gevaccineerd is. Het merendeel van die ziektes bestaat namelijk niet meer in Nederland of in Europa, waardoor de kans erg klein is dat [minderjarige] deze zal krijgen terwijl vaccineren een negatief effect kan hebben op zijn gezondheid.
4.6
De Raad heeft tijdens de zitting verklaard dat zijn algemene standpunt is dat vaccineren in het belang van het kind is. De Raad adviseert daarom het Rijksvaccinatieprogramma te volgen en aldus het verzoek van de man toe te wijzen.
4.7
De GI heeft naar voren gebracht dat zij geen standpunt kan innemen over het al dan niet vaccineren van [minderjarige] volgens het Rijksvaccinatieprogramma.
4.8
De rechtbank overweegt als volgt. De man en de vrouw verschillen van mening over de vraag of het in het belang van [minderjarige] is dat hij deelneemt aan het volledige Rijksvaccinatieprogramma. Het Rijksvaccinatieprogramma is van overheidswege opgesteld ter bescherming van (jonge) kinderen tegen diverse aandoeningen die voor hen schadelijk kunnen zijn. Het programma is door wetenschappelijk onderzoek onderbouwd en het uitgangspunt is dat het belang van een kind in beginsel is gediend bij bescherming tegen (infectie)ziekten. De bezwaren van de vrouw zien onder meer op de mogelijke gezondheidsrisico’s voor [minderjarige] als gevolg van deelname aan het Rijksvaccinatieprogramma. Zij heeft haar bezwaren en de door haar gestelde mogelijke schadelijke gevolgen niet nader onderbouwd. Niet aannemelijk geworden is dat bepaalde vaccins uit het Rijksvaccinatieprogramma schadelijke gevolgen hebben, met name gelet op het feit dat de vaccins en het programma uitgebreid door deskundigen zijn onderzocht. Verder zijn door de vrouw geen omstandigheden gesteld of gebleken die maken dat bij [minderjarige] sprake is van bijzondere omstandigheden of extra risico voor schadelijke gevolgen bij deelname aan het Rijksvaccinatieprogramma. Evenmin kan de omstandigheid dat de ziektes waartegen de vaccinaties beschermen in Nederland en Europa zeldzaam zijn naar het oordeel van de rechtbank ertoe leiden dat het verzoek tot het verlenen van vervangende toestemming moet worden afgewezen. Niet uit te sluiten valt immers dat [minderjarige] op het kinderdagverblijf of op school onverhoopt toch in aanraking komt met deze ziektes of in de (verre) toekomst op plekken zal komen waar mogelijk een lage(re) vaccinatiegraad is. Hoe klein de kans misschien ook is, voorkomen moet worden dat [minderjarige] wordt blootgesteld aan een gevaar van meer risico op een ziekte waartegen hij gevaccineerd had kunnen worden. Gelet op het voorgaande is de rechtbank, net als de Raad, van oordeel dat het laten vaccineren van [minderjarige] in het kader het Rijksvaccinatieprogramma het meest in zijn belang is. Het verzoek van de man tot het verlenen van vervangende toestemming voor vaccinaties in het kader van het Rijksvaccinatieprogramma zal dan ook worden toegewezen.
Uitvoerbaar bij voorraad
4.9
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat betekent dat de beslissing per direct moet worden gevolgd en dat een eventueel hoger beroep die beslissing niet schorst. De rechtbank vindt dit in het belang van [minderjarige] .

5.De beslissing

De rechtbank
5.1
geeft aan de man – ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de vrouw – toestemming tot vaccinatie in het kader van het Rijksvaccinatieprogramma, van [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2021;
5.2
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
5.3
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Hendriks, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2026 in aanwezigheid van mr. Van der Meer, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.