ECLI:NL:RBZWB:2026:1820

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
C/02/410768 / FA RK 23-2845
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Baggel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 223 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing hoofdverblijf minderjarige bij moeder en intrekking verzoek gezamenlijk gezag en omgangsregeling

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een zaak waarin de vader verzocht om gezamenlijk gezag over de minderjarige en een omgangsregeling vast te stellen. De moeder voerde verweer en stelde een voorwaardelijk verzoek in om het hoofdverblijf van de minderjarige bij haar te bepalen.

Na een hulpverleningstraject dat positief werd afgesloten, trokken partijen hun verzoeken tot gezamenlijk gezag en omgangsregeling in, omdat zij onderling afspraken hadden gemaakt en gezamenlijk het gezag uitoefenden. De rechtbank achtte het niet nodig om hierover een beslissing te nemen.

De moeder vroeg vervolgens om het hoofdverblijf van de minderjarige bij haar vast te stellen, wat de rechtbank toewijst omdat dit overeenkomt met de feitelijke situatie en het belang van het kind. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij zijn eigen kosten draagt.

De beschikking is schriftelijk afgehandeld en uitgesproken op 13 februari 2026 door kinderrechter Baggel.

Uitkomst: Het hoofdverblijf van de minderjarige wordt bij de moeder vastgesteld en de verzoeken tot gezamenlijk gezag en omgangsregeling worden afgewezen wegens intrekking.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/410768 / FA RK 23-2845
datum uitspraak: 13 februari 2026
nadere beschikking
in de zaak van
[de man],
hierna te noemen de man,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. A.J.C. Nuijten uit Bergen op Zoom ,
tegen
[de vrouw] ,
hierna te noemen de vrouw,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. R.G.J. van Kerkhof uit Gilze,
over de minderjarige:
-
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2015 in [geboorteplaats] .

1.Het procesverloop

1.1
In het dossier zitten de volgende stukken:
- de beschikking van de rechtbank van 20 december 2023 en alle daarin vermelde stukken;
- de e-mailberichten van 14 juni 2024 en 20 december 2024 van de jeugdprofessional van de gemeente Halderberge;
- de UHA-rapportage van 8 juli 2025, opgemaakt door De GezinsManager;
- de brief van mr. Nuijten van 12 augustus 2025;
- het F9-formulier van mr. Van Kerkhof van 24 september 2025;
- de brief van mr. Nuijten van 20 oktober 2025;
- de brief van mr. Nuijten met bijlage van 2 februari 2026;
- het F9-formulier van mr. Van Kerkhof van 3 februari 2026;
- de brief van mr. Nuijten met bijlage van 3 februari 2026;
- het F9-formulier van mr. Van Kerkhof van 4 februari 2026;
- het F9-formulier van mr. Nuijten van 4 februari 2026.

2.De nadere beoordeling

2.1
Bij inleidend verzoek van 8 juni 2023, gewijzigd op 12 december 2023, heeft de man de rechtbank - samengevat - verzocht om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat het gezag over [minderjarige] gezamenlijk door partijen wordt uitgeoefend en om een omgangsregeling vast te stellen.
De vrouw heeft tegen de verzoeken van de man verweer gevoerd bij verweerschrift van
13 december 2023 en heeft de rechtbank verzocht om de man in zijn verzoeken niet ontvankelijk te verklaren, althans deze af te wijzen. Als voorwaardelijk tegenverzoek heeft de vrouw de rechtbank verzocht te bepalen dat [minderjarige] formeel haar hoofdverblijf bij de vrouw heeft.
2.2
Bij beschikking van deze rechtbank van 20 december 2023 betreffende gezag en omgangsregeling en het treffen van een provisionele voorziening ex artikel 223 Rv Pro (zaaknummers C/02/410768 / FA RK 23-2845 en C/02/416315 / FA RK 23-5512) is, bij wege van provisionele voorziening, bepaald dat de man en [minderjarige] gerechtigd zijn tot omgang met elkaar conform een vastgestelde voorlopige omgangsregeling. Daarnaast zijn partijen en [minderjarige] voor een hulpverleningstraject verwezen naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West ten behoeve van de hierna genoemde resultaten:
- de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind;
- het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund;
- de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind (keuze: lichte interventie);
- het kind en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar;
- de nieuwe gezinssituaties zorgen gezamenlijk voor een goede basis voor de ontwikkeling van het kind.
De rechtbank heeft in de zaak met zaaknummer C/02/410768 / FA RK 23-2845 de beslissingen op de verzoeken met betrekking tot de omgangsregeling, het gezag en het hoofdverblijf aangehouden in afwachting van de rapportage over het verloop en het resultaat van het hulpverleningstraject.
2.3
Uit voornoemde UHA-rapportage van 8 juli 2025, opgemaakt door De GezinsManager, blijkt dat de resultaten van het hulpverleningstraject zijn behaald.
Het traject is positief afgesloten. Partijen kunnen zelfstandig verder met de adviezen die ze hebben gekregen en hebben geen behoefte (meer) aan hulpverlening.
2.4
Bij brief van 12 augustus 2025 heeft mr. Nuijten de rechtbank bericht dat de doelen waaraan partijen in het hulpverleningstraject dienden te werken behaald zijn. Er vindt onbelast contact plaats tussen de man en [minderjarige] dat goed verloopt. Partijen hebben elkaar weer gevonden in het ouderschap en nemen beslissingen over [minderjarige] in onderling overleg. Gelet hierop trekt de man zijn verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling in. Hierover hoeft door de rechtbank geen beslissing meer genomen te worden nu dit in de praktijk loopt. Het enige punt wat partijen nog niet hebben geregeld is het gezamenlijk gezag. Er zijn geen juridische argumenten om de man niet samen met de vrouw met het ouderlijk gezag over [minderjarige] te belasten. De man verzoekt de rechtbank om zijn verzoek tot gezamenlijk gezag toe te wijzen zonder het houden van een zitting.
2.5
Bij F4-formulier van 24 september 2025 heeft mr. Van Kerkhof de rechtbank laten weten dat het hulpverleningstraject redelijk positief is afgerond door partijen. De omgangsregeling zoals die is afgesproken wordt op dit moment keurig nagekomen. De vrouw is echter bevreesd dat het de man niet lukt om duurzaam uitvoering te blijven geven aan deze regeling. Daarom wil de vrouw de zaak nog vier maanden aanhouden in afwachting van de ontwikkelingen in de komende periode. Zij wenst een vinger aan de pols te houden en acht het nog te vroeg om gezamenlijk gezag te kunnen bepalen.
2.6
Bij brief van 20 oktober 2025 heeft mr. Nuijten de rechtbank meegedeeld dat de man uitdrukkelijk bezwaar maakt tegen het aanhoudingsverzoek van de vrouw. Het aanhouden van de procedure is niet in het belang van [minderjarige] . De man verzoekt de rechtbank om zo spoedig mogelijk een zitting in te plannen, zodat partijen door de rechtbank gehoord kunnen worden en er een eindbeslissing kan worden afgegeven.
2.7
Bij brief van 2 februari 2026 met bijlage heeft mr. Nuijten de rechtbank bericht dat de omgangsregeling inmiddels al bijna een jaar goed en rustig verloopt en dat de communicatie tussen partijen is genormaliseerd. Er zijn dus geen redenen waarom partijen niet het gezamenlijk gezag over [minderjarige] kunnen uitoefenen. Uitgangspunt van de wet is gezamenlijk gezag, tenzij zich bijzondere omstandigheden voordoen. Deze doen zich niet voor. Op vrijdag 30 januari 2025 (
de rechtbank leest: 2026)heeft de man via de site van de rechtbank het verzoek tot gezamenlijk gezag ingediend en de vrouw hierover bericht. De vrouw weigert echter om de aanvraag verder af te ronden.
2.8
Bij F9-formulier van 3 februari 2025 heeft mr. Van Kerkhof de rechtbank laten weten dat de situatie op dit moment positief verloopt en dat de vrouw zich daarom niet langer verzet tegen een toewijzing van het verzoek van de man tot gezamenlijk gezag. Het verzoek kan worden toegewezen en de zaak kan schriftelijk worden afgedaan. Een zitting is niet noodzakelijk.
2.9
Bij brief van 3 februari 2026 met bijlage heeft mr. Nuijten de rechtbank meegedeeld dat de vrouw de aanvraag van de man inzake het gezamenlijk gezag over [minderjarige] heeft geaccepteerd. Partijen oefenen, zoals blijkt uit het uittreksel uit het gezagsregister, sinds
3 februari 2026 samen het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit. De man ziet hierin reden om zijn verzoek tot gezamenlijk gezag over [minderjarige] in te trekken. Nu er geen verzoeken meer aan de rechtbank voorliggen, hoeft de zitting van 5 februari 2025 niet door te gaan.
2.1
Bij F9-formulier van 4 februari 2026 heeft mr. Van Kerkhof de rechtbank bericht dat [minderjarige] in de Basisregistratie Personen staat ingeschreven bij de vrouw, die de hoofd-verzorgende ouder is. Het voorwaardelijk verzoek van de vrouw om het hoofdverblijf van [minderjarige] bij haar te bepalen kan aldus worden toegewezen.
2.11
Bij F9-formulier van 4 februari 2026 heeft mr. Nuijten de rechtbank meegedeeld dat de man instemt met het voorwaardelijke verzoek van de vrouw. Het is juist dat [minderjarige] haar hoofdverblijf bij de vrouw heeft en dat de vrouw de hoofdverzorgende ouder is.
2.12
De zaak stond voor nadere behandeling gepland op de zitting van 5 februari 2026. De rechtbank heeft, gelet op bovenvermelde berichten van partijen, aanleiding gezien om de behandeling van de zaak op voormelde zitting niet door te laten gaan en om de zaak schriftelijk af te doen. Aldus is de Raad voor de Kinderbescherming niet meer in de gelegenheid geweest om in deze zaak te adviseren.
Gezag en omgang
2.13
De rechtbank stelt vast dat partijen lopende de procedure afspraken met elkaar hebben gemaakt over de omgang tussen de man en [minderjarige] en dat partijen inmiddels gezamenlijk met het gezag over [minderjarige] zijn belast. De man heeft hierin reden gezien om zijn verzoeken tot gezamenlijk gezag en het vaststellen van een omgangsregeling in te trekken. Dit betekent dat de verzoeken van de man niet meer kunnen worden onderzocht. De rechtbank zal een bespreking hiervan dan ook achterwege laten en de verzoeken van de man afwijzen.
Hoofdverblijf
2.14
De vrouw heeft de rechtbank bij wijze van voorwaardelijk zelfstandig verzoek verzocht om het hoofdverblijf van [minderjarige] bij haar te bepalen in het geval partijen samen met het gezamenlijk gezag over [minderjarige] worden belast.
Partijen zijn inmiddels samen met het ouderlijk gezag over [minderjarige] februar belast. Gelet hierop is artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing op het verzoek van de vrouw. Op grond van artikel 1:253a, tweede lid, van het BW kan de rechter op verzoek van de ouders of één van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag, zoals over de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft.
Op basis van de stukken stelt de rechtbank vast dat [minderjarige] sinds het uiteengaan van partijen haar hoofdverblijf bij de vrouw heeft. Er zijn tijdens het hulpverleningstraject geen zorgen naar voren gekomen over de opvoedvaardigheden van de vrouw. [minderjarige] lijkt zich bij de vrouw goed te ontwikkelen. Een vaststelling van het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vrouw is naar het oordeel van de rechtbank dan ook op zijn plaats, temeer omdat hiermee de juridische situatie in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke situatie. In haar oordeel neemt de rechtbank mee dat mr. Nuijten de rechtbank bij F9-formulier van 4 februari 2026 heeft bericht dat de man kan instemmen met het verzoek van de vrouw. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het voorwaardelijke verzoek van de vrouw om het hoofdverblijf van [minderjarige] bij haar te bepalen toewijzen.
Proceskosten
2.15
Omdat partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de zaak over hun kind gaat, zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1
bepaalt dat de [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2015 in [geboorteplaats] , haar hoofdverblijf heeft bij de vrouw;
3.2
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.3
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
3.4
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Baggel, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2026 in aanwezigheid van mr. Snatersen, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.