Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.De procedure
- de dagvaarding met producties;
- de conclusie van antwoord van 5 februari 2026.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
In deze kort geding procedure vordert de man, de biologische vader van de minderjarige, een voorlopige omgangsregeling met zijn dochter. De vrouw, moeder en wettelijk gezaghebbende ouder, erkent het vaderschap en stelt een aangepaste omgangsregeling voor, waarbij de omgang niet bij de zus van de man mag plaatsvinden vanwege een verstoorde verstandhouding.
De voorzieningenrechter heeft de minderjarige gehoord, die aangaf het contact met haar vader goed te vinden, maar liever niet bij zijn huis verblijft vanwege de aanwezigheid van de zus en haar kinderen. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde partijen om samen de mogelijkheden voor contact te bespreken.
Tijdens de zitting bereikten partijen overeenstemming over specifieke omgangsdata en verblijfsplaatsen, waaronder contact op de verjaardag van de vader en twee weekenden, waarbij verblijf bij de moeder van de man mogelijk is. De voorzieningenrechter stelde deze regeling vast en verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Tevens werd de minderjarige per brief geïnformeerd over de afspraken.
De man is voornemens een bodemprocedure te starten voor erkenning en gezag. De rechtbank wees het verzoek tot verdergaande voorzieningen af en verwees naar het project Wijkrechtspraak familiezaken voor verdere hulpverlening en procesgang.
Uitkomst: De rechtbank stelt een voorlopige omgangsregeling vast tussen de minderjarige en haar biologische vader, uitvoerbaar bij voorraad.